De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

5 minuten leestijd

DE KWEEKSCHOOLWET.
Na de opmerkingen, die wij de vorige week maakten over het karakter, de geldelijke gevolgen en den omvang der voorgestelde regeling van de opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen, valt er thans nog iets te zeggen over de Kweekschoolwet zelve.
Allereerst verdient het de aandacht, dat een belangrijke wijziging gebracht wordt in de bevoegdheid tot het geven van onderwijs. Bij deze wijziging komt de gewone lagere akte zoowel als de hoofdakte te vervallen, en treden daarvoor in de plaats de akte van bekwaamheid als onderwijzer en de acte van bekwaamheid als onderwijzeres.
De eerste geeft den onderwijzer de bevoegdheid om aan het hoofd van een school te staan en daar onderwijs te geven in de verschillende vakken, die op de school moeten worden onderwezen. De laatste geeft de onderwijzeres de geschiktheid om onderwijs te geven in de laagste twee leerjaren en in de scholen met twee leerkrachten om les te geven in de laagste drie leerjaren.
Uit deze veranderde toestand volgt, dat nu de onderwijzer, die alleen reeds in het bezit van de akte van bekwaamheid, de plaats zal kunnen innemen van hoofd eener school voor gewoon-, uitgebreid-of buitengewoon lager onderwijs, ook de eischen, die aan deze akte gesteld dienen te worden, in overeenstemming zullen moeten zijn met die, waaraan een tegenwoordig hoofd der school heeft te voldoen. Daarom zal de leerling, die tot een Kweekschool wordt toegelaten, reeds een deugdelijke vooropleiding moeten genoten hebben. Hetzelfde geldt ten deele voor de onderwijzeres, die een korter verblijf aan de Kweekschool zal hebben door te maken.
De eisch, die aan een leerling voor toelating tot het eerste leerjaar wordt gesteld, is, dat met gunstig gevolg een uitgebreid lagere school, of drie-jarige hoogere burgerschool moet zijn doorloopen, dan wel, dat het vierde leerjaar van een vijf-jarige hoogere burgerschool, van een gymnasium of lyceum is toereikt geworden. Voor hen, die buiten de genoemde onderwijsinrichtingen vallen, zal het ook mogelijk zijn, maar dan door het afleggen van een toelatingsexamen, toegang tot een Kweekschool te verkrijgen. Daarna vangt de opleiding op de Kweekschool aan, zooals de nieuwe regeling die voorschrijft.
Er zijn zoowel Rijkskweekscholen als bijzondere Kweekscholen. Tot deze laatste worden ook gerekend de gemeentelijke Kweekscholen. De bijzondere Kweekschool, wil zij als zoodanig erkend worden, zal geheel naar het model van de Rijkskweekscholen moeten zijn ingericht. Zij geniet in dat geval een volledige vergoeding uit 's Rijks kas. Ook kan de bijzondere Kweekschool op verzoek van haar bestuur, de Onderwijsraad gehoord, worden aangewezen als bevoegd om dezelfde akten uit te reiken als aan de Rijkskweekschool is verleend. Overigens is de bijzondere Kweekschool geheel vrij. Zij kan naar eigen inzicht de positie van hare leeraren regelen en de schoolgelden van hare leerlingen vaststellen.
Wat het onderwijs aan de Kweekscholen betreft, dit wordt verdeeld over een vijf-jarigen cursus. Deze cursus heeft een onderbouw van twee jaar en een bovenbouw van drie jaar. De vrouwelijke leerlingen kunnen de akte van bekwaamheid, die, zooals wij hierboven schreven, haar de bevoegdheid geeft om in de laagste klassen der school onderwijs te geven, aan het einde van het derde leerjaar ontvangen, althans wanneer zij dan met gunstig gevolg het eindexamen afleggen.
De mannelijke leerlingen, benevens de vrouwelijke leerlingen, die de voortgezette opleiding volgen, zullen de geheele vijf-jarige Kweekschool moeten doorloopen, om zich daarna eveneens aan een eindexamen te onderwerpen, ten einde de akte van bekwaamheid te kunnen verkrijgen.
De practische vorming der leerlingen heeft plaats aan de z.g. leerscholen ; zij geschiedt onder toezicht en leiding van onderwijzers en vakonderwijzers. Deze vorming heeft plaats bij den drie-jarigen cursus het laatste jaar, en bij den vijf-jarigen cursus de laatste twee jaren.
De wet treedt in werking op 1 September 1934. In de overgangsbepalingen wordt de toestand geregeld voor het cursusjaar 1934/1935.
In hoeverre de Staten-Generaal zich met de nieuwe opleiding zal kunnen vereenigen, zal wel spoedig blijken.
Dat nu reeds bezwaren tegen de vijf-jarige opleiding vernomen worden, is bekend. Allicht zal de gelegenheid zich wel voordoen, om nader op de regeling terug te komen.

VRIJZINNIGE VRIJPOSTIGHEID.
Van vrijzinnige zijde gaat men voort om door heel het land actie te voeren voor verruiming van de verkoopgelegenheid op Zondag.
Op zichzelf genomen, kan daartegen geen bezwaar worden gemaakt. Echter is het argument, dat voor de actie gebezigd wordt: dat deze verruiming den winkelstand in het algemeen baat zal brengen, niet steekhoudend. De totale koopkracht van het volk wordt toch door zulk een maatregel niet vermeerderd, hoogstens zal de koopkracht worden verplaatst en zal de maatregel den eenen middenstander ten opzichte van den anderen middenstander bevoordeelen.
Maar waar wèl bezwaren tegen bestaan, is, dat vrijzinnige Kamerleden zich ook voor de actie spannen. Immers is zulk een optreden geheel in strijd met de Regeeringsverklaring, die op 31 Mei 1933 werd afgelegd, en die op dit punt luidde : dat het Kabinet het toespitsen van politieke en geestelijke tegenstellingen terwille van de noodzakelijke eenheid zal vermijden.
En nu ligt juist in de verruiming van de verkoopgelegenheden op Zondag, d.i. het aantasten van de Zondagsrust, het verscherpen van een dier tegenstellingen, waarvan ook de Kamer zich heeft te onthouden.
Toch houden de vrijzinnigen zich in de Kamer niet aan het compromis.
Nauw heeft Minister Colijn zich bereid verklaard om het wetsontwerp betreffende de technische herziening der winkelsluitingswet (een ander wetsontwerp dan dat, wat den sluitingstijd op Zondag betreft) met de Kamer te behandelen, of de vrijzinnigen dienen amendementen in om wat in het eene wetsontwerp, n.l. in dat der verkoopgelegenheid op Zondag, stond, in het andere wetsontwerp over te brengen en dan wel zoo, dat de verruiming van de verkoopgelegenheid op Zondag niet, zooals Minister Verschuur dit destijds voorstelde, op 2 uren, doch op 4 uren wordt gesteld.
Wij hopen, dat de Kamer zich duidelijk zal uitspreken, dat zij van deze vrijzinnige vrijpostigheid niet gediend is. Of zoo de Kamer anders mocht besluiten, Minister Colijn zal zorg dragen — desnoods door intrekking van het wetsontwerp — het liberale vliegertje niet te doen opgaan.
De tijden zijn te ernstig voor het spelen van politiek spel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's