MEDITATIE
Gewis, Hij legt den mensch niet te veel op. Job 34 vers 23.
Daar is veel leed op aarde !
Elk huis heeft zijn kruis en elk hart heeft zijn smart. Menigvuldig zijn de tranen der verdrukten onder de zon. De mensch zwoegt onder den last van 's levens leed. Des morgens zegt hij : och, dat het avond ware; en des avonds : och, dat het morgen ware. De mensch, van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust.
De mensch, die zonder God wandelt en over wiens leven dan ook het eeuwigheidslicht niet opgaat, beurt zich krom aan dien last en zegt : het is te zwaar.
Vandaar, dat ge een somberen trek kunt speuren op het gelaat van deze zwoegers zonder God.
Vandaar, dat zoovele rauwe klanken worden uitgestooten door een geslacht, dat vergeten heeft God in erkentenis te houden.
Vandaar, dat zoovele troostelooze boeken geschreven worden.
Vandaar, dat de lijn dergenen die aan geestesziekten lijden, nog gestaag aan het klimmen Is.
En in allerlei toonaard kan dan ook de uitspraak worden opgevangen : het leven wordt te zwaar.
Zou het waar zijn ?
Gods Woord zegt het anders en verklaart met nadruk : Gewis, Hij legt den mensch niet te veel op.
God heeft dus voor een ieder van zijn menschenkinderen een last.
En dien last heeft Hij afgemeten en pasklaar gemaakt voor uwe schouders. En dien last hebt gij noodig, opdat uw hoogmoedige en ijdele hart door zwarigheden vernederd zoude worden, opdat gij tot inkeer zoudt komen, opdat gij over uw zonde, de bron van al uwe ellende, rouw zoudt leeren dragen, opdat gij naar de stemme van Jezus zoudt leeren luisteren : „Komt herwaarts tot Mij, gij allen, die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u ruste geven" ; opdat gij u aan den Heere Jezus zoudt overgeven en gij in Zijne gemeenschap ervaren zoudt: „In alle onze benauwdheden is Hij met ons mede benauwd, en door Zijne liefde en genade heeft Hij ons verlost".
Dan zult gij het met Elihu eens worden en, gelijk als hij, verklaren : Gewis, Hij legt den mensch niet te veel op.
Het is te veel.
Zoo sprak de patriarch Jakob in den beginne van zijn lijdensweg.
Wij hooren hem dan Magen : alle deze dingen zijn tegen mij.
Zijne kinderen waren voor de eerste maal weergekeerd om koren te koopen en Simeon was als gijzelaar achtergelaten, en Benjamin zou op de tweede reize mèt hen moeten gaan. Toen sprak Jakob in arren moede: Gij berooft mij van kinderen, Jozef is er niet en Simeon, die is er niet, nu zult gij Benjamin wegnemen : Alle deze dingen zijn tegen mij.
Het is niet te veel.
Zoo verklaarde de patriarch Jakob in het vervolg van zijn lijdensweg.
Want als zijne kinderen wederkeerden en hem boodschapten, zeggende : Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gansch Egypteland, dan beluisteren wij op dat vreugdegeschrei dezen weerklank van zijn 'bevende lippen : Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog ! Ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve.
Het is te veel.
Dat hebt ook gij, kind des Heeren, in uw hart menigmaal gezegd. Vooral als gij op anderen lettet. Dan werdt gij nijdig op der goddeloozen voorspoed. En gij kromdet u onder het kruis. En het deed u zeer! Wie zal dan ook tegen God strijden en vrede hebben ?
Het is niet te veel.
Tot deze erkentenis heeft Gods Woord en Geest u later gebracht. En nu beluisteren wij van uwe lippen andere klanken, en wel deze : de Vader vergist Zich niet; Hij bedroeft de menschenkinderen niet van harte, maar kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden; wat God doet, dat is goed.
En gij hebt nu .geleerd, om uw kruis vroolijk en gewillig te dragen, en al kunt gij maar op enkele tijden van bijzondere genade roemen in de verdrukking, : toch stamelt gij nu gedurig : Gezegend kruis, gij voert mij naar het Vaderhuis.
En gij kunt het dan ook niet hebben, dat anderen u beklagen en dat uw eigenlievend vleesch een valsch medelijden met uzelven voeden wil, zóodat gij dan ook als de binnenpraters tot u zeggen, dat Gods 'weg niet recht is, gij daartegenover stellen moet de stoute en krachtige taal des geloofs : Gewis, Hij legt den mensch niet te veel op. ;
Niet te veel.
Maar juist genoeg.
O, diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijne oordeelen en onnaspeurlijk Zijne wegen.
Rijssen, A.H.J.G. van Voorthuizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's