GRETSKE „DE FREULE"
EEN LEVENSTRAGEDIE
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
Daarmee stemden allen in, waarna aan Ka de opdracht gegeven werd voor schenkster te dienen. Wel was het eene glaasje een weinig grooter dan het andere en toevallig had zij er voor gezorgd zelf niet het kleinste te krijgen, doch nu in 't vooruitzicht gesteld was dat op deze eene flesch anderen zouden volgen, hinderde dit niet.
„Op den goeden afloop, en dat wij lange jaren gezond mogen blijven !" — zei het Sabelbeen.
„Dat hij leve !" — riep de Bultenaar en hief zijn glas omhoog om daarna voorzichtig te proeven, welk voorbeeld door de anderen gevolgd werd.
Daarop kwam de mededeeling van het doel dezer bijeenkomst. In geen tijden had de muziekman zich zoo gewichtig gevoeld als thans. „Jullie zult wel denken, wat moet dit hier van avond, " — aldus begon hij, „maar het zal jullie zoo meteen wel duidelijk worden, en óók, dat het wel de moeite waard is om bij elkander te komen".
Toen haalde hij de bewuste krant uit den binnenzak van zijn jas, vouwde deze zeer gewichtig open, om vervolgens op gebrekkige wijze voor te lezen wat daar geschreven stond. Voor sommigen der aanwezigen was het geheel iets nieuws, voor anderen ten deele, doch voor anderen eene welkome tijding. Althans bij de eerste lezing, toen men meende dat aan allen zonder onderscheid en zonder eenige nadere bepaling van Rijkswege een vaste toelage zou worden verstrekt. Eerst toen nóg eens en nóg eens gelezen werd wat daar geschreven stond, drong het tot een enkele aanweezige door, dat toch niet zooveel beloofd werd als men oorspronkelijk meende. Drie gulden ouderdomsrente per week, dat was prachtig, maar dan de rest. Men moest den leeftijd van 70 jaar bereikt hebben en voorts kunnen aantoonen, de laatste jaren minstens 156 weken of gedeelten daarvan bij anderen in loondienst te zijn geweest. Omdat de wetgever alleen den arbeid beloonen wilde en geen premie gaf op ledigheid.
Een oogenblik zwegen allen toen de spreker geëindigd had en met triomfantelijken blik het gezelschap overzag.
Doch ook slechts een oogenblik duurde de stilte.
„Daar moeten wij eerst nog maar eens op drinken, " —oordeelde de Scheele, en hield zijn glaasje bij, waarop Ka voor de tweede maal met de flesch rond ging. Als ware het afgepast, — zóó precies kon zij rond komen. En toen kwamen de tongen los.
„Heb je anders niks te vertellen ? " — vroeg de Goudvink met een minachtend gebaar. „Wat beteekenen nu drie naakte guldens In de week! Als d'r nu nog een nuiletje achter stond, maar drie honderd rooie centen, — ik vraag maar, wat moet je daarmee beginnen als je oud en arm bent ? Precies te weinig om te leven en te veel om te sterven".
„Ja, en dan pas als je de zeventig op den rug hebt, " — merkte de Bultenaar op, voor wien ook werkelijk, naar zijn uiterlijk te oordeelen de kans niet groot was dat hij dezen leeftijd bereiken zou. „Was het nu nog iets dat je kreeg wanneer je invalide werd of eenig mankement had, of om andere reden niet meer werken kon, maar nu iets aan een arm mensch beloven waaraan hij eerst iets hebben kan als' hij al lang dood en begraven is, — 't is gewoonweg een schandaal! 't Is hetzelfde als ik laatst bij een venter met rietwerk zag. De vent zat op een kar met honden bespannen en hield deze een stuk vleesch voor, doch op zulk een afstand, dat zij er wel tegen blaffen, doch het nooit krijgen konden. Hij gebruikte het alleen als lokaas om de arme dieren harder te doen loopen. En zoo doet de Regeering van ons land het ook, om de arme menschen nog harder te doen werken en hen blij te maken met iets dat zij misschien nooit krijgen. Zij moesten die heeren "
Hier volgde een wensch, welke wij maar niet zullen neerschrijven, doch zooals er gewoonlijk in overvloed worden geuit door degenen die om de een of andere reden ontevreden meenen te moeten zijn met den gang van zaken.
„En dan motte je ook nog kunne bewijzen dat je gewerkt hebbe, " — zei de Scheele. Alsof die heere in den Haag, die zoo'n zaakje uit praktiseere, ooit van z'n leve iets gedaan hebbe ! Anders niet dan lekker ete, en drinke, en wat reize en vergadere en arme mensche koeieneere."
„Nou, wat dat wenken betreft, ik heb van mijn leven genoeg gedraaid, " — merkte het Sabelbeen op, en wees meteen naar het orgeltje, 't welk in een hoek van het vertrek op een stoel stond van welke de leuning en de biezen zitting ontbrak.
„Gedraaid of dóór gedraaid, — hoe bedoel je het!? " — vroeg de Goudvink lachend.
„Nou zeg, pas op je eigen. Ik ben nog nooit in het „groote huis" geweest hoor."
„Geen ruzie menschen, " — kwam Trui tusschen beide : „wij zijn nu vanavond met elkander uit en moeten voor elkander opkome. Ik zeg maar: leven en laten leven dat is je ware."
„Maar ik wil in mijn eigen huis van den Goudvink geen smoesjes ontvangen, 'k Ben wel eens over mijn bier, dat wil ik wel weten, doch wat ik schuldig ben betaal ik en ik drink in elk geval van mijn eigen."
„En zeg eens dat ik het niet doe ? " — aldus de andere weer, terwijl de vuist op tafel kwam. „Mot je zelf maar weten, maar ik durf in elk geval overal te komen."
Hier kwam de Bultenaar tusschen beide. „Hoor eens mannen" — zei hij — „een brave Hendrik is geen van ons allen en Ka en Trui en de Scheele hebben ook genoeg op hun kerfstok, maar daarom behoeven wij geen ruzie te maken of elkaar zwart aan te kijken. Het gaat hier vanavond om ons pensioen en voor wie dit is en wat er gedaan moet worden om het voor allen te krijgen. Ik zou zeggen daar moet eerst nog een frissche borrel overheen en dan praten wij wel verder, maar geen muizenesten zoeken en ook geen oude koeien uit de sloot halen."
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's