De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

DE KOMENDE CLASSICALE VERGADERING EN DE SYNODALE WETSVOORSTELLEN.
Den laatsten Woensdag van Juni worden altijd de Classicale Vergaderingen gehouden; dat is dus dit jaar : Woensdag 27 Juni a.s. Dat is de éénige keer, dat de Kerk in vergadering samenkomt — waarbij we nu laten rusten de Kerkeraadsvergaderingen. Daarom is en blijft 't altijd iets bijzonders voor predikanten en ouderlingen, wanneer zij opgeroepen worden om ter vergadering te gaan in de hoofdstad van de Classis. We mogen deze vergadering, niet zonder zeer bijzondere oorzaak althans, nooit verzuimen. Hoewel 't wel treurig is, dat we maar één Vergadering hebben waar de plaatselijke kerken samenkomen en dan nog zoo beknot als de Classicale Vergadering in werkelijkheid is. Want over kerkelijke aangelegenheden betreffende de plaatselijke gemeenten in de Classis mag eigenlijk nog niet eens worden gehandeld ; en de dingen die aan de orde komen, mogen alleen maar worden aangeraakt, en er mag alleen maar „advies" worden gegeven over hetgeen door de Synode is voorgesteld.
Mocht er toch eens een doorbraak komen van dat Synodale Besturenstelsel, waaronder de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk nu meer dan 100 jaar zucht en waaronder de Kerk al zooveel heeft geleden en kerkelijk en geestelijk zooveel ingeboet heeft van haar kracht en beteekenis !
Maar ja — het draait altijd weer om de belijdenis-kwestie. Die komt altijd weer om den hoek gluren. En als het over de kerkelijke belijdenis gaat, zooals deze in onze belijdenisschriften en in onze liturgische geschriften (denk maar aan Doop-en Avondmaalformulier) is neergelegd, dan zijn velen „niet thuis". Over allerlei wil men spreken. En allerlei lasten wil men opleggen. En alles wil men „verzakelijken" en „mechaniseeren", zooals men allerlei handelsondernemingen zakelijk op z'n best tracht in te richten. Maar over het eerste en voornaamste, waarbij het leven en het welzijn van de Kerk des Heeren is betrokken, wil men gewoonlijk niet spreken. Of als men het doet, dan doet men 't het liefst zóó, dat men „de kool en de geit" spaart. De hoofdzaak : de belijdenis der Goddelijke, Schriftuurlijke Waarheid, raakt men liefst niet aan. Over de belijdenis aangaande den Christus der Schriften glijdt men .heen. Dat de verhoogde Heiland Zich de vreugde heeft voorgesteld, dat er op aarde een Gemeente zou zijn. die leeft uit de belijdenis van Zijn Naam en de weldaden Zijns heils brengt aan de wereld, daarover .bekommert men zich niet. Men legt statistieken aan, men rekent, men telt op en men trekt af, en men zoekt naar „zakelijkheid", om „de zaak" op de been te houden — hoewel de Kerk verschrompelt en afbrokkelt en kracht en invloed inboet, omdat zij ontrouw is aan haar Heere en Heiland.
Jaar op jaar bedenkt men weer nieuwe maatregelen, voorschriften, bepalingen, wetten, reglementen, statistieken, lijsten enz. enz., en jaar op jaar wordt onze Reglementenbundel dikker en dikker, zoodat men de nieuwe uitgaven van ons Kerkelijk Wetboek niet bijhouden kan en in z'n in gebruik zijnd exemplaar maar kan blijven bij plakken, tot in het oneindige toe !
Wanneer zal men nu eindelijk eens verstandiger worden ? Moesten we eigenlijk maar niet er voor bedanken, om maar telkens méér bepalingen, nieuwe bepalingen en nadere bepalingen te aanvaarden ?
Eén ding troost ons wel eens : men kan bepaling na bepaling maken en als ze dan aangenomen en vastgesteld zijn, dan loopt de zaak verder weer net alsof die bepalingen er niet zijn. Het is dikwijls precies hetzelfde, of een voorstel aangenomen wordt of dat het wordt verworpen. Het blijft toch alles zooals het is.
Dat troost ons wel eens. Hoewel we toestemmen, dat het een „schrale" troost is.
Toen in 1930 het Groote-stads-probleem weer aan de orde gesteld werd en de Synode daarvoor een Commissie benoemde, werden ook wij uitgenoodigd in die Commissie zitting te nemen. Wij hebben toen in een uitvoerig schrijven — 't was pas na het ruw en onbehoorlijk verwerpen door de Synode van het voorstel tot reorganisatie, door de Commissie daartoe door de Synode benoemd, ingediend (Jan. 1930) — voor de eer bedankt en geschreven, dat wij van oordeel waren,
dat de Synode, die de principieele kwestie inzake de belijdenis der Kerk, niet de moeite van behandelen waard geacht had, niet het recht had verder gewichtig met andere voorstellen voort te gaan, en dat wij althans daaraan niet zouden meedoen. Een ander heeft toen onze plaats ingenomen (dr. Berkelbach van der Sprenkel) en men is rustig voortgegaan, alsof het waarlijk niet de moeite waard is de Kerk eerst op haar belijdenis te oriënteeren. Als men maar „zakelijk" en „technisch" de dingen weet in te richten en voor elkaar te brengen, dan marcheert het wel! Men zal eens zien hoe prachtig dat alles gaat. En het is een „nurks" die het anders ziet en zegt en begeert!
Zóó krijgen we nu een „zakelijk" en „technisch" voorstel inzake de groote steden, waarbij men alles plaatselijk en in samenwerking van de grootste kerken zóó zal gaan inrichten, dat straks de machine loopt als „gesmeerd". Onder het aanheffen van allerlei leuzen zal het er worden doorgejaagd en we kunnen dan blijmoedig de toekomst inwachten !
Een achttal Synodale voorstellen komen Woensdag 27 Juni a.s. op de Classicale Vergaderingen aan de orde.
Maar dan krijgen we eerst altijd de Bestuursverkiezingen, voor het Classicaal Bestuur en, waar noodig, ook voor het Provinciaal Kerkbestuur, waarvan dan straks de samenstelling van de Synode weer afhangt.
Zoolang we onze Synodale Besturenorganisatie hebben, zijn die verkiezingen altijd belangrijk geweest, en dat zijn ze nog. Tenzij we er ons aan onttrekken, omdat we „Besturen" in de Kerk goddeloos vinden en zóó veroordeelen, dat we er niet mee van doen willen hebben, ook niet met de verkiezing van „bestuursleden". Hier en daar zijn er predikanten, die er zoo over denken en die zelf nooit in een Bestuur willen zitting nemen. 't Welk we wel eenigszins kunnen begrijpen, omdat men niet mee verantwoordelijk wil zijn voor de bestuurshandelingen. Maar billijken en goedkeuren kunnen we zoo'n houding toch óok weer niet. Want we behooren nu eenmaal tot de Hervormde Kerk met dat Besturen-complex, en dan is het nog maar beter, dat er voorstanders van de belijdenis der Kerk in zitten, dan dat al de plaatsen alléén bezet worden door mannen, die aan een belijdende. Kerk vijandig zijn. Er kan hier en daar, ja, door héél het kerkelijk leven heen, dikwijls nog veel worden vóórkomen, dat anders jammerlijk zou werken. Hoewel 't een teer en moeilijke kwestie is en blijft — waarvoor de Kerk zelve helaas ! weinig of geen oog heeft.
Het zal dus goed zijn, dat men zich in de verschillende Classicale ressorten op de Bestuursverkiezing tijdig bezint. En geestverwanten zullen elkander zooveel mogelijk moeten zoeken, om eerlijk met elkaar te overleggen, in het belang niet van deze of gene persoon, maar in 't belang van de Kerk, die wij om de wille van belijdenis en historie liefhebben. Alle slinksche streken en achterbaksche handelingen moeten achterwege blijven. Daarop kan en zal de Heere toch nooit zegen geven. Maar om de wille van waarheid en recht schamen we ons niet, om ons óók met de Bestuursverkiezingen in te laten en daarvoor onze plannen te maken!
En dan komen de Synodale Wetsvoorstellen, acht in getal. Het zijn :
1. Wijziging van art. 14, 9° van het Syn. Regl. voor de Kerkeraden (bevolkingsregister enz.).
2. Wijziging van art. 14, 15^ en 16" van het Syn. Regl. voor de Kerkeraden (wijkverdeeling).
3. Wijziging van art. 14, l? » van het Syn. Regl. voor de Kerkeraden (preciseering van de taak, de plichtsbetrachting en het juiste gebruik van de vrijheid der predikanten ; vacantieregeling enz.).
4. Wijziging van art. 16, 13" van het Syn. Regl. voor de Kerkeraden (ligger Diaconiegoederen).
5. Wijziging van art. 66 van het Regl. op de Vacaturen (betaling van de premie voor het Pensioenfonds enz.).
6. Wijziging van art. 27 van het Regl. Diaconieën (recht van het Class. Bestuur een deskundig onderzoek te doen instellen naar de Diaconieadministratie) .
7. Wijziging van art. 17 al. 4 van het Regl. op het Ponds voor Noodlijdende Kerken en Personen (over toegekende subsidie).
8. Reglement op de samenwerking der Gemeenten (Grroote-stads-raad saam te stellen door de Kenkeraden der groote gemeenten met méér dan 100 duizend inwoners, die op eigen initiatief in de plaatselijke gemeente zaken aan de orde kan stellen enz.). (Wordt voortgezet).

SPURGEON(1).
1834—1934.

Neen, we gaan nu niet schrijven over De Afscheiding, 't Zijn wel de bekende jaartallen 1834—1934. Maar Charles Haddon Spurgeon is den 19den Juni 1834 te Kelvedon in Essex in Engeland geboren. En over dien bekenden predikant willen we iets zeggen.
We komen in aanraking met een eerwaardig geslacht, waarin de vreeze Gods wordt gevonden. Ds. Spurgeon zelf zegt: „Het is mij lief te weten, dat ik God dien van mijne voorouderen af." En hij zegt, dat hij vier geslachten kan teruggaan en zien „dat het Gode behaagd heeft het gebed te verhooren van den vader van onzen grootvader, die God placht te smeeken, dat zijne kinderen tot in het laatste geslacht voor Zijn aangezicht mochten leven; en God heeft het huis nooit verlaten, het heeft Hem behaagd den een na den ander er toe te brengen Zijnen Naam te vreezen en lief te hebben".
Aanzienlijk naar de wereld waren die voorouders niet, maar trouw aan hun beginsel. In de dagen der vervolging week één hunner, een Vlaamsch wever, naar Engeland en vestigde zich in het graafschap Essex. De overgrootvader van Spurgeons grootvader, tot de Kwakers behoorende, werd in 1677 gestraft met verbeurdverklaring van een deel zijner goederen en zes jaren later werd hij in de gevangenis te Chelmsfort opgesloten, om des beginsels wil.
De grootvader, James Spurgeon, was 53 jaar lang predikant eener Congregationalistische gemeente te Stambourne. Van diens tien kinderen werd de tweede, John Spurgeon, eveneens predikant en van de zeventien kinderen, die hem geboren werden, was Charles Haddon de oudste.
Aan zijne ouders heeft Spurgeon, naast God, alles te danken gehad. Zij gaven hunne kinderen eene godsdienstige opvoeding in echt puriteinschen geest, gingen hen voor in het goede en waakten over hen met heilige jaloerschheid. De vader was een vriendelijk man, zeer huiselijk van aard, die het zijn kinderen in de ouderlijke woning aangenaam wist te maken. Voor hen had hij alles over. Maar de grootste zorg voor die opvoeding moest hij echter aan zijne vrouw overlaten, daar hij veel herderlyk werk had en bovendien dikwijls van huis moest zijn, om op andere plaatsen den predikdienst waar te nemen. Gelukkig dat het aan die moeder toevertrouwd was. Zij was eene vrouw des gebeds. In zijne brieven herinnert haar zoon haar telkens aan de gebeden, die zij voor hem opgezonden had en voortging op te zenden. Hij schrijft: „Nooit zal iemand ten volle kunnen beseffen, wat hij aan een godvruchtige moeder is verschuldigd. Ik bezit zeer zeker niet de macht der taal om uit te drukken, hoe ik den keurzegen waardeer, dien de Heere mij schonk door mij de zoon te doen zijn van eene, die voor mij en met mij bad. Hoe zou ik ooit kunnen vergeten, hoe zij de knieen boog en met hare armen om mijn hals bad : „Och! dat mijn zoon mocht leven voor Uw aangezicht !"
Als bijzonderheid kan hierbij dit worden verteld :
„Ik herinner mij zeer goed" verhaalt Spurgeon „mijn vader te hebben hooren spreken over een voorval, dat een diepen indruk op hem gemaakt heeft. Hij was gewoon dikwijls van huis te zijn, om op andere plaatsen te prediken. Toen hij nu eens op weg was, om zulk een predikdienst te gaan vervullen, werd hij op eens overvallen door de gedachte, dat hij zijn eigen gezin veronachtzaamde, terwijl hij aldus voor de zielen van anderen zorgde. Hij keerde terug op zijn weg en ging naar huis. Daar aangekomen, verwonderde hij zich, dat er niemand in de benedenkamers was; maar de trap opgaande, hoorde hij een stem als van iemand, die bad. Hij luisterde aan de deur der slaapkamer en ontdekte, dat het mijne moeder was, vurig pleitende in het gebed tot God voor de verlossing van al hare kinderen, en inzonderheid biddende voor Charles, haren eerstgeborene, in wien zich zulk een sterke wil openbaarde. Toen gevoelde mijn vader, dat hij gerust in den dienst zijns Meesters kon uitgaan, terwijl zijne lieve vrouw tehuis zoo goed voor de geestelijke belangen zijner kinderen zorgde. Hij heeft haar niet gestoord, maar ging terstond heen om zijn predikdienst waar te nemen".
God had aan Charles een teedere consciëntie gegeven, zoodat hij als klein kind zijn zonden leerde kennen en bekommerd werd over zijne t ziel. En het was weer zijn moeder, die, vooral des Zondagsavonds, met haar kinderen den Bijibel las en op onderhoudende wijze uit Gods Woord wist te vertellen, en daardoor diepe indrukken mocht achterlaten bij haar kinderen. „Sommige woorden van haar Zondagavondgebed zullen wij niet vergeten, zelfs niet als ons haar grijs geworden is. Ik herinner mij, dat ze bij zekere gelegenheid aldus heeft gebeden : „En nu, Heere, indien mijne kinderen volharden in hunne zonden, an zullen zij niet uit onwetendheid verloren gaan en op den dag des oordeels zal mijne ziel een „snel getuige" tegen hen moeten zijn, zoo zij Christus niet aangrijpen. Vooral de gedachte, dat mijne moeder als een „snel getuige" (Maleachi 3 : 5) tegen mij zou moeten optreden, wondde mijn geweten en ontroerde mijn hart".
Diepen indruk maakte op den tienjarigen Charles, dat een zendingsdeputaat, die bij zijn vader eenige dagen vertoefd had, hem, vóór zijn vertrek, op de knie nam en zeide : dit kind zal eenmaal het Evangelie verkondigen en voor groote scharen prediken den rijkdom van Gods genade in Christus. Deze woorden zijn letterlijk vervuld. Een en ander mocht medewerken, dat het kind reeds vroeg den Heere leerde zoeken, want het leefde bij hem, dat hij zelf bekeerd moest zijn en kennis moest hebben aan de verlossing in Christus, wilde hij er anderen van kunnen spreken.
Op school bleek Spurgeon, die veelal de eerste van zijn klasse was, een leerling van grooten aanleg te zijn. Vooral in 't Latijn en in de wiskunde maakte hij groote vorderingen. Later heeft hij, op verzoek van zijn oom, die directeur van een school was, zekere berekeningen gemaakt, - die jarenlang gebruikt zijn door een Londensche levensverzekeringsmaatschappij.
Op 15-jarigen leeftijd ging hij weer naar een andere school, waar hij als betalend kweekeling inwoonde. Hij hield veel van een grapje, maar was daarbij ernstig, ijverig en zeer nauwgezet. Hij was een scherp opmerker van personen en zaken en zeer schrander in zijn oordeel. Hij had een verwonderlijk geheugen voor brokstukken uit redevoeringen of preeken en op de wandeling kon hij soms gedeelten, die indruk op hem gemaakt hadden, opzeggen; vooral gedeelten die ontleend waren aan toespraken van den evangelisatieprediker ds. Davids.
In die jaren had Spurgeon, hoewel hij toentertijd nog niets van het bestaan van Baptisten wist, reeds de overtuiging gekregen, dat de doop eerst na de bekeering mocht worden toegediend, zoodat hij toesloot om zich, als hij eens bekeerd zou zijn, te laten doopen, daar hij de kinderdoop door besprénging met water niet als doop erfende.
Vooral de gesprekken met een vrome, eenvoudige keukenmeid Mary King, hebben veel aan zijn geestelijke kennis bijgedragen, zoodat hij later verklaarde, dat hij van haar méér geleerd had, dan van zes doctoren in de theologie ! Zij was een vrome ziel, met veel geestelijke ervaring, streng Calvinistisch in hare overtuigingen, heler van hoofd, nauwgezet in handel en wandel n bijzonder thuis in de Heilige Schriften. Toch is zij niet het middel tot z'n bekeering geweest, maar een zeer eenvoudig, onontwikkeld handwerksman.
Een ongeloovige is Spurgeon nooit geweest, ook heeft hij niet een grof zondig leven gehad. Maar de ellende zijner algeheele zondigheid ging diep door z'n ziel, 't welk hem veel benauwdheden bezorgde, die er niet minder op werden. Een waren strijd had hij te strijden. Hij wilde zijne gene zaligheid werken, maar moest telkens ervaren, dat de bittere teleurstelling niet uitbleef. Hij voelde de last der zonde hoe langer hoe zwaarder worden en aan de vergeving zijner zonden kon hij niet gelooven. Totdat de Heere hem ontdekte aan zijn algeheele verlorenheid en de onmogelijkheid om zalig te worden, daarbij aan zijn ziele ontdekkend de algenoegzaamheid van Christus tot verlossing van een goddelooze, zonder de werken der wet.
Een mager, eenvoudig handwerksman, die in en klein gezelschap sprak over Jes. 45 : 22 : Ziet op Mij en wordt behouden, alle gij einden er aarde" (Engelsche vertaling) mocht in 's Heeren hand het middel zijn, dat Spurgeon's ziele tot het licht kwam ! Dat was den 6den Januari 1850, 's morgens tusschen half elf en half twaalf; toen Charles 16 jaar oud was.
(Wordt voortgezet).

HOE VADER BRAKEL DACHT OVER HET DUIZENDJARIG VREDERIJK. —
II. (Slot).

Brakel verwacht dan een geestelijke vernieuwing en een opbloeien van den staat der Kerk tot groote heerlijkheid. , Daar zal zijn eene uitnemende vreedzaamheid en kennis der Goddelijke verborgenheden. Jes. 11 : 9 ; 60 : 17—19". , Daar zal zijn eene uitnemende heiligheid. Jes. 60 : 21; Zach. 14 : 21 (geen openbare goddeloozen zullen er zijn). Zach. 12 : 8".
„De Heere Zelf zal zich op buitengewone wijze in hun midden vertoonen. Zach. 2 : 4, waar we lezen, dat Jeruzalem dorpsgewijze zal worden bewoond, d.i. zonder wallen en sterkten, zeer verre wijd en zijd uitgebreid". Zet 3 : 17 ; Jes. 60 : 19".
„Jezus alleen zal Koning zijn, de Kerk zal haren eigen Kerkstaat hebben en geen overlast lijden van eenige overheid. Zach. 14 : 9 ; Dan. 2 : 44 ; Dan. 7 : 27".
„Daar zal eene zonderlinge vruchtbaarheid der aarde en overvloed van levensmiddelen, tot onderhoud der gegoeden en mededeeling aan de armen, die er altijd zullen zijn, doch alsdan rijkelijk zullen worden onderhouden. Ez. 34 : 16, 27. Amos 9 : 13".
„Alle deze teksten", zegt Brakel (blz. 324), „spreken niet van de wederkeering uit de gevangenschap van Babel, ook niet van den tijd van het N. T. in 't begin, maar van den tijd der bekeering der Joden in de laatste dagen en wat de Heere dan aan Zijne Kerk doen zal".
Brakel heeft hierbij telkens het oog op „den Antichrist", d.i. Rome en „de Turk" ; die zullen worden uitgeroeid. Als die twee „hoofdvijanden" „vernietigd" zullen zijn, zal satans macht ingetoomd wezen en zal een heerlijke staat der Kerk openbaar worden, in 't publiek treden.
Letterlijk zegt hij blz. 325) : „Neemt dit alles bij elkander, en gij zult de sluitreden" (conclusie) „vinden. De Antichrist en de Turk, de twee hoofd vijanden, zullen vernietigd zijn, de duivel zal gebonden zijn den tijd van duizend jaren en in dien tijd zijner binding zullen de Joden bekeerd zijn en eene buitengewone uitbreiding der Kerk onder de Heidenen zijn. De Kerk zal uitmunten in vreedzaamheid, kennis Gods, heiligheid. God zal Zijne tegenwoordigheid in Zijne Kerk op een bizondere wijze vertoonen ; Jezus alléén zal Koning zijn, en niemand zal 't wagen de Kerk te overheerschen ; maar zij zal onder haren eigen Kerkstaat gelaten worden, en daar zal eene uitnemende vruchtbaarheid zijn. Uit welke niets anders dan een heerlijke staat der Kerk besloten kan worden".
„De heerlijke staat der Kerk en de binding des satans komen eerst na de verwoesting van Rome en na de vernietiging van den Antichrist" (blz. 329). „Openb. XIX en XX toonen wel uitdrukkelijk dat de duizendjarige binding (van satan) en heersching der Kerk begint na Rome's verwoesting, onder de vijfde fiool, èn na de vernietiging van den Antichrist, onder de zevende fiool"
In BrakeI's dagen was dus de duizendjarige periode van heerlijkheid voor de Kerk nog niet aangebroken, want „Rome staat nog en de Antichrist zit nog op zijnen troon, welke is des draaks troon, die door den Antichrist de Kerk nog hevig vervolgt. De Joden zijn nog niet bekeerd, die wel van de voornaamsten zullen zijn, zoo niet de eersten van den heerlijken staat der Kerk, en het leven uit den dood onder de Heidenen, door de bekeering der Joden, is er nog niet; dies heeft die heerlijke staat nog geen begin genomen" dblz. 329—330).
„De staat der Kerk tegenwoordig gelijkt niet naar den heerlijken staat, die beloofd wordt. Wij zijn blijde en danken den Heere voor de verlossing van Zijne Kerk van onder den Antichrist — maar zij wordt nog door den Antichrist vervolgd. O, hoe wordt de Kerk van alle kanten afgebroken en ingekort! Daarbij wordt ze bijna overal onderdrukt door de overheden, zoodat ze, in plaats van een kerkelijken paus, onder een politieken paus gekomen is. Van binnen heeft eene groote onwetendheid de Kerk bedekt, in vele plaatsen bijna een Heidendom gelijk, zij is vervuld met allerlei dwalingen van atheïsterij. Waar is de vrede, liefde, geloof, heiligheid ? " „Deze redenen overreden mij te gelooven, dat de tijd der binding des satans en de heersching der heiligen nog niet is begonnen, maar nog toekomstig is".
Als men aan Brakel vroeg, wanneer die duizendjarige heerlijkheid der Kerk (want daar spreekt Brakel van, en niet van een duizendjarig vrederijk op aarde), dan is zijn antwoord (blz. 332) : „Verwacht van mij niet een preciese bepaling van den tijd, alleen zeg ik, dat ik ze niet zal beleven".
Op de vraag : „Of de Heere Jezus in het begin van het duizendjarig rijk persoonlijk, naar Zijne menschelijke natuur, uit den hemel zal komen en die duizend jaren lichamelijk, zicht haar heerschen ? ", antwoordt Brakel : „Neen. Dat zijn te aardsche gedachten. Christus kan zoó wel regeeren, in den hemel zijnde, alsof Hij naar 't lichaam op aarde was". En verder zegt hij : „Is daar zaligheid in voor de menschen op aarde, zoo zouden de verheerlijkten in den hemel de tegenwoordigheid van Christus, waarin mede hunne zaligheid bestaat, moeten missen". En Brakel voegt er aan toe : „Weinigen zouden op aarde Christus' tegenwoordigheid genieten, dewijl Christus maar op ééne plaats kan zijn en de Kerk zeer wijd uitgestrekt zal zijn". „Dan hadden de geloovigen geene voorspraak in den hemel". „De Schrift meldt van geene andere lichamelijke komst, dan de komst ten oordeel, in de wolken, met de stem des archangels, wanneer alle dooden zullen opgewekt worden".
„Of de martelaren dan naar het lichaam zullen opstaan, duizend jaren leven zonder sterven, en hier op aarde de heerschappij hebben ? "
Het antwoord op die vraag luidt: Neen. 't Zijn te aardsche gedachten, die een min geestelijk mensch licht vervoeren en tot meer aardsche gedachten afleiden, hoewel onder voorwending van geestelijkheid. De Schrift kent geene lichamelijke opstanding dan ten jongsten dage. Joh. 6 : 39— 44; 1 Thess. 4 : 14—17. De geest en de kracht der martelaren zal op aarde openbaar worden. Het loon zal den martelaren in de tegenwoordigheid der wereld gegeven worden, als alle geloovigen zullen opstaan". „Daar zal vóór dien tijd geen lichamelijke opstanding der martelaren zijn, gelijk de Chiliasten of duizend jarigen verzinnen uit Openb. 20".
Op de vraag : „Of de Kerk in dien tijd zal bestaan alleen uit ware geloovigen, zonder vermenging met onbekeerden ? " krijgen we dit antwoord van Brakel te lezen (blz. 326) : „Daar zullen ook alsdan nog vele onbekeerden in de Kerk zijn ; maar het getal der ware bekeerden zal ongelooflijk groot zijn, geest en leven zullen de Kerk vervullen, de godzaligen zullen alsdan de overhand en het toestier der Kerk in handen hebben, de anderen zullen zich geveinsdelijk onderwerpen, en als iemand ergernissen begaat, die zal in de Kerk niet geduld worden, maar zal door de kerkelijke tucht öf verbeterd öf uitgesloten worden".
We kunnen ons voorstellen, dat Brakel schreef : „ dat zal ik niet beleven" ! „Of de Kerk dan alles zal te zeggen hebben, de overheden afzetten en zelve in hare plaats gaan zitten? " (blz. 326).
Het antwoord luidt: „De politie en de Kerk zullen altijd onderscheiden blijven, gelijk het geweest is van den beginne der wereld, maar de overheden zullen godzalige leden van de Kerk zijn, en het zoó wel meenen met de Kerk, als de getrouwe herders en leeraars ; hunne regeering zal vaderlijk zijn in alle wijsheid, rechtvaardigheid en goedaardigheid. De overheden en volkeren zullen alsdan tegen elkander geen oorlog voeren, 't zal een vredige tijd zijn" (blz. 327).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's