VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 3. Toen zeide de Heere : Mijn Geest zal , niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is ; doch zijne dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.
3 de Serie.
VIII.
De geschiedenis der menschheid staat dus, evenals het leven van den enkelen mensch, onder de voorzienige leiding Gods. En deze leiding is er door den Geest Gods. De Psalmdichter heeft ons dit zoo wonder diep en tevens zoo wonderschoon bezongen, toen hij zeide : „De Heere schouwt uit den hemel, en ziet alle menschenkinderen. Hij ziet van uit Zijne vaste woonplaats op alle inwoners der aarde. Hij formeert hun aller hart, Hij let op alle hunne werken". Zoo blijft dus de verantwoordelijkheid des menschen onaangetast. Het slot van den Prediker gaat steeds door, heeft altijd kracht: „Vrees God en houd Zijne geboden, wamt dit 'betaamt allen menschen. Want God zal ieder werk in het gericht brengen met al wat verborgen is, hetzij goed of hetzij kwaad". In dat teeken staat het leven der menschheid in haar geheel, staat het enkele menschenleven onder de voorzienige leiding des Heeren.
Gewoonlijk wordt daarin eene tegenstrijdigheid gezocht, zooals die ook wordt gezocht in de Paulinische leer der rechtvaardigmaking door het geloof, zonder de werken der Wet. Daartegen wordt maar al te vaak aangevoerd, dat daarop „zorgelooze en goddelooze menschen" zich zouden kunnen beroepen, zoodat zij in strijd zou zijn met Gods Wet. Zeer terecht leert onze Catechismus, dat het onmogelijk is, dat iemand, die Christus met een waar geloof ingeleid is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid. En zoo is het nu eveneens met de voorzienigheid Gods, die over alle dingen gaat, die de almachtige, alomtegenwoordige kracht Gods is. Zij gaat over den mensch, die naar Zijn evenbeeld geschapen werd, dus over den mensch als zedelijk, redelijk wezen, dat als zoodanig voor zijne daden verantwoordelijk is en blijft. Niets kan den mensch vrij maken van zijn eigen wezen en van al wat daarin gegrond is, van hetgeen in zijn geestelijk wezen ligt besloten. En daarom, hij staat verantwoordelijk ook met betrekking tot hetgeen de Heere voor hem, buiten hem en in hem doet. Er gaat van den eeuwigen Schepper van de einden der aarde een machtig getuigenis tot ons uit. En de mensch heeft toe te zien, wat dit voor hem beteekent. De Heere spreekt, opdat wij zullen hooren. Hij getuigt, opdat wij zullen ter harte nemen. En als dan onder dat alles het hart des volks dik wordt en hunne ooren worden •zwaar en zij hunne oogen sluiten, zoodat zij zien, noch hooren, niet verstaan en zich niet bekeeren, dan zullen zij, wanneer de oordeelen komen, zich niet kunnen verontschuldigen, want de Heere heeft tot hen gesproken.
Alzoo was nu het lot der eerste wereld. De menschheid dier lang vervlogen prehistorische perioden had een hooge, fijne, weeldevolle cultuur zich verworven, was opgegaan in haar materialistisch streven. In haar midden was geboden de eerste gemeente Gods, die Zijnen Naam aanriep, als een licht was, schijnende in eene duistere plaats, als een stad boven op een berg. Jan haar ging de sprake des levens uit te midden van een krom en verdraaid geslacht. De Heere openbaarde alzoo de wonderen Zijner genade. De wereld kon de woorden Gods hooren, de daden Gods zien. En het lag voor de hand, dat zich alzoo in die oude wereld een geweldige geestelijke strijd ontwikkelen moest. Ook toen was er de vervulling der moederbelofte : „Ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, tusschen uw zaad en ,,tusschen haar zaad". Deze strijd is, om zoo te zeggen, inklevend aan de geschiedenis der menschheid van den beginne. Zoodra die strijd schijnt te eindigen, heeft de wereld de overhand. Zoodra wie de Waarheid zegt voor te staan, vrede sluit met wat uit God niet is, heeft hij de Waarheid verloren. Wie de geestelijke strijdbijl begraaft, wordt een vriend der wereld en is een vijand Gods genaamd. Gods eisch is altijd volstrekt. Hij vraagt ons geheel. De Heere sluit geen compromis met ons, maar wel een genadeverbond, waarin Hij de alvervullende, maar ook de al-eischende God is. Augustinus heeft het zoo schoon en treffend juist gezegd : „Geef, Heere ! wat Gij beveelt, en beveel dan wat Gij wilt". Daarin ligt de eisch van volstrekte gehoorzaamheid, die geene ruimte laat voor het behagen van menschen, noch voor de streeling onzer eerzucht en zelfzucht. Een vriend Gods, maar dan een vijand der wereld, een vriend der wereld, maar dan een vijand Gods. Daar is geen tusschenweg.
En dat was nu ook het beeld, dat de geschiedenis der oude wereld te zien gaf in haar geestelijk conflict. In haar midden was de gemeente Gods geboren, die haren invloed deed uitgaan, haar getuigenis hooren liet, de cultuur trachtte te doorzuren met den deesem van Gods Woord en Geest. En de wereld vond zij tegenover haar. Er werd een machtige worsteling geboren, waarin wel tijden waren, die schenen bloeitijden voor Gods Kerk te zijn, maar blijvende overwinning, volkomen triumph was ook toen aan Gods waarheid nog niet beschoren. Groote geestelijke helden, mannen des geloofs, werden aan de oude Kerk geschonken, hun getuigenis klonk luide in de wereld, voor een oogenblik scheen het, dat er een geslacht geboren was, dat zou luisteren en gehoor geven, doch weldra bleek die verwachting beschaamd. De inzinking kwam, de knieën verslapten, de moed en de geestkracht werden verbroken, de beteekenis der Kerk Gods als cultuurkracht daalde, en de massa verliep in de weeldezucht dier dagen. Och, daar is niets nieuws onder de zon. Het was in die oude wereld als in de onze. Er was in onze volkshistorie een tijd; waarin Gods Kerk eene leidende kracht was in het volksleven. Toen een paar geslachten waren voorbijgegaan, scheen haar kracht vergaan. En langzaam maar zeker verliep haar invloed. In de plaats van de Waarheid Gods kwam de tijd, waarin op ons volk ook van toepassing werd de profetie van Jesaja, die Babel's stemming ons toekent in deze woorden: „Niemand ziet Mij ; uwe wijsheid en uwe wetenschap heeft u afkeerig gemaakt". Zoo is de toestand geworden, omdat priester en volk, rijken en armen, heerschers en overheerschten, zijn afgeweken van Gods Waarheid, om de wijsheid dezer eeuw na te loopen. De moderne wijsheid weet alles veel beter dan de Heere. En Gods Kerk slonk weg als de sneeuw voor de zon. Wat is er onder dat alles overgebleven van de groote, machtige gemeenten, die door de Waarheid Gods eenmaal waren vrijgemaakt. Gaat naar alle uit de historie der Reformatie bekende steden, en zie wat er van geworden is. In Geneve staan nog de gebouwen, de gehoorzamen, zelfs het spreekgestoelte, waar zich in de dagen der Reformatie de leerlingen verzamelden om het Woord van God te hooren verklaren, de wereldbeschouwing van Gods Woord te zien toelichten. Het zijn historische monumenten geworden. Vereenzaamd is het alles, en naar des Heeren Woord vraagt er schier niemand meer. In Zurich staat een standbeeld van Zwingli met zijn rug naar de kerk en zijn aangezicht gericht naar de verte boven de stad heen. Zoo heeft het nageslacht, zonder het zelf te beseffen, geteekend, hoe de Waarheid Gods de stad verlaten heeft. En in Duitschland is het niet anders en niet beter. Wat bleef daar over van de leer der rechtvaardigmaking, van een kerkelijk leven, dat de geestelijke draaggrond bereidde voor het volksleven ? De eeuw, die achter ligt, bracht er het heidendom, in wijsgeerig gewaad gestoken, tot heerschappij en Gods Kerk had er nauwelijks meer eenige beteekenis overgehouden. En wat er geschied is en geschieden zal, is de noodzakelijke vrucht van hetgeen werd gezaaid. En is het bij ons anders ? Zie naar den smadelijken toestand, waarin het Amsterdamsche kerkelijke leven verkeert. Wat is er gebleven van hare gloriedagen ? Als wij het konden nagaan, zou het blijken, dat de smaad nog veel en veel grooter is dan wij uit de cijfers der volkstelling kunnen aflezen. Wat bleef er over van Gods Waarheid, welke kracht gaat er van uit! Dit alles op te sommen, kan het hart van Gods volk met droefenis vervullen.
Ons moderne leven vertoont volkomen het beeld der oude ondergegane wereld in tijden, die haar laatste stuiptrekking voorafgingen. Er is nog een volk Gods, maar een gemeente, die het omvat, is nauwelijks te ontdekken. Er is nog een mat getuigenis, dat hoe langer hoe meer verzwakt, omdat er geen krachtig volk meer is, dat waarlijk leeft in de vreeze Gods. De massa is verloren voor de Kerk en voor de Waarheid Gods. Zij heeft geene ooren meer voor Gods getuigenis, kan het zelfs niet meer verstaan, want het is haar vreemd geworden, een sprake, die herinnert aan zeer oude tijden, waarvoor haar oor niet meer geïnstrumenteerd is. Als zij nog schijnt er iets van te weten en te willen weten, dan is het een schijn, daar zij niet Gods getuigenis, maar het spooksel der philosophie in den mantel der godsdienstige gevoelens aanschouwt. Alzoo neigt heel deze moderne cultuur naar den ondergang, waaruit zij zich nog tracht te redden door haar eigen kracht in de kunstmatige schepping van steeds weer nieuwe staatsvormen, die de plaats moeten innemen van Gods gezag. Zij grijpt naar de stroohalmen van een Volkenbond, die geen bond der volken is, maar een van de groote „spullen" op de kermis der ijdelheid dezer wereld, waarvoor de van Gods Woord vervreemde massa zich vergaapt, als waren alle deze lichtende spiegels en al de schitterende gewaden en al de weidsche redevoeringen en al de luidklinkende muziek en heel het spel, levende werkelijkheid.
Het zijn al te zamen de symptomen eener ondergaande cultuur, waarmede des Heeren Geest, evenals met die der oude wereld, heeft getwist, eeuwen aaneen heeft getwist, maar zonder gehoor te vinden. En wie nu let op deze teekenen der tijden, voor dien zal het duidelijk worden, welk een diepen Mik Gods oudste gemeente reeds heeft gehad' in het historisch proces dier dagen niet alleen, maar van alle eeuwen, die komen zouden. Zij zag het in, dat er wel in het bestaan van haar heden wondere lankmoedigheid Gods was, maar eveneens, dat daaraan een einde komen moest. Zij heeft het verstaan, dat de Heere zeide: „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch". Zij heeft het uitgeroepen te midden van de wereld dier dagen, dat zij zich had voor te bereiden op het oordeel, dat er een einde komen zou, dat het aanstaande was, en dat er geene redding mogelijk zou zijn. En naarmate zij daarvan getuigenis gaf, naar diezelfde mate werd de afval grooter, de vijandschap feller, het ongeloof machtiger. Zoo werd de oude wereld geworpen in een geweldige crisis, in een smeltkroes van ellende, die steeds meer godvergetenheid openbaar deed worden. En het volk des Heeren slonk steeds meer in, zoodat de vraag ten laatste wel moest opkomen, of er nog een volk, een Kerk Gods, was overgebleven. Men merkte er nauwelijks meer van, haar sprake verzwakte, haar kracht verging, zoodat zij uit den grooten gang van het leven der wereld verdwenen scheen. De wereld leidde een leven zonder God, zij was God-loos geworden. Zij verkeerde uitsluitend in het kunstlicht van haar eigen cultuur, dacht zichzelve machtig genoeg om zichzelve te verlossen van de nooden en uit de ellenden, die zij ook had en houden bleef. Het eeuwig licht, dat in Gods Kerk was opgegaan, werd verdonkerd. Haar leven glom als een vonk onder de asch, die door niemand meer werd opgemerkt. De wereld zonder God, zonder volk des Heeren, zonder de ster van de heerlijkheid Gods in den nacht van haar leven, had geene toekomst meer, kon geene verwachting meer openen. Zij moest wel beschaamd worden met haarzelve, met haar valsche cultuur, met haar eigen wijsheid, met haar wetenschap, want de Heere blijft toch die God, die Zijne eer aan geen ander geven zal. En daarom moest die kleine, in haar nog overgebleven levenskern, die de wereld dier oude dagen niet meer kende, het vonnis des Heeren hooren, toen Hij zeide : „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch". Zij ontving een inzicht in 't lot, dat der wereld wachtte, en dat niet alleen, maar zij stelde haar leven er op in, zij rekende er mede, bracht gehoorzaamheid.
Mochten wij in onze dagen ons spiegelen aan het lot der eerste wereld, verstaan, dat ook van ons geldt diezelfde waarheid : niet in eeuwigheid zal Hij twisten. Het einde Zijner lankmoedigheid komt, ook al zegt de wereld : „waar is de belofte Zijner toekomst ? Want van dien dag, dat de Vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen alzoo gelijk van het begin der schepping ? " De dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's