De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

6 minuten leestijd

DE FINANCIEELE KANT.
Na hetgeen wij reeds hebben opgemerkt over de voorstellen der Regeering betreffende het vraagstuk van de opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen bij het lager onderwijs, komt het ons niet ondienstig voor, ook nog iets te zeggen over den financieelen kant der zaak.
In de stukken zelve worden de financieele consequenties der voorstellen, zooals wij vroeger al opmerkten, onbesproken gelaten.
De Regeering beoogt met het wetsontwerp, behalve om tot een gewijzigde opleiding van het onderwijspersoneel te geraken, 't aantal Kweekscholen in te krimpen. Het 2e lid van artikel 43 bepaalt, dat de Kroon, na raadpleging van de daarbij betrokken onderwijsorganisaties, den Onderwijsraad gehoord en gelet op de behoefte aan Kweekschoolopleiding en de daaraan verbonden Rijksuitgaven, met ingang van 1 September 1935 't aantal Kweekscholen, dat gesubsidieerd wordt, verminderen zal.
Tot hoever met de inkrimping der scholen zal worden gegaan en naar welken maatstaf zij zal plaats hebben, daarvan wordt noch in het wetsontwerp, noch in de toelichting melding gemaakt.
Op dit punt hangt de zaak nog geheel in de lucht.
Nu is het wonderlijke van de voorstellen van den Minister van Onderwijs dit, dat, terwijl de grondslagen, waarop het toekomstig gebouw van het onderwijs zal moeten rusten, nog niet vaststaan, alvast met de overkapping van het gebouw wordt begonnen.
Gelijk bekend is, heeft de Regeering zich voorgenomen op het onderwijs in totaal 15 millioen te bezuinigen. Deze bezuiniging maakt een gewichtig deel uit van het financieel plan van het Kabinet. Het laat zich begrijpen, dat een vermindering van de onderwijsbegrooting met 15 millioen gulden belangrijke veranderingen op onderwijsgebied met zich zal brengen.
Zullen nu de voorstellen tot wijziging van de opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen in het raam van de te verwachten nieuwe Onderwijswet of in de herziening van de Lager-Onderwijswet 1920 passen ?
Niemand, die dit weet.
Daarom lijkt ons het wetsontwerp nog niet rijp voor behandeling.
De Regeering gaat hier den averechtschen kant uit. Zal het aantal Kweekscholen verminderd kunnen worden ?
In ons eerste artikel, dat wij over dit onderwerp schreven, hebben wij onzen twijfel uitgesproken, of dit het geval zal kunnen zijn voor het Protestantsch Christelijk Kweekschoolonderwijs. De thans geldende leerllngschalen, die tot 31 Dec. 1937 reiken, zullen na dien datum door nieuwe schalen vervangen worden, wat ten gevolge zal hebben, dat vermoedelijk een groote 2000 onderwijzers meer zullen noodig zijn. Ook het Protestantsch Christelijk Kweekschoolonderwijs zal voor dit meerdere aantal zijn deel moeten leveren.
Wij zien dan ook niet in, hoe de gang van zaken bij de opleiding zal worden, wanneer tot vermindering van 't aantal Kweekscholen wordt overgegaan.
Doch daar komt, wat den financieelen kant van het vraagstuk betreft, nog iets bij.
Wij hebben reeds hij een vorige gelegenheid opgemerkt, dat de voorstellen van den Minister van Onderwijs vrij kostbaar zijn. De Regeering geeft dit toe. Zij acht dit echter uit hoofde van de betere opleiding, die verkregen wordt, geen bezwaar. De meer-kosten berekenden wij op ruim 7 ton. Maar is zulk een verhooging van uitgaven in een tijd, waarin op alles bezuinigd moet worden, dan wel geoorloofd ? Er zal dan geen 15 millioen, doch een kleine 16 millioen moeten bespaard worden.
Alles bij elkaar genomen, zal het aanbeveling verdienen om met de behandeling van de voorstellen tot wijziging van de opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen nog even te wachten, teneinde den Minister van Onderwijs de gelegenheid te geven geheele opening van zaken te doen, opdat ook over den financieelen kant van het vraagstuk kan geoordeeld worden.
Vooral de kosten van het onderwijs zijn in onzen tijd van financieelen nood, een zaak van groote beteekenis.

HET ROODE ZAANDAM.
Op het Paaschcongres van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij is druk geredeneerd geworden over gezag en democratie. Op menigeen heeft, wat op dit congres gezegd en besloten werd, indruk gemaakt. Men sprak zelfs van een veranderde mentaliteit (geestesgesteldheid) bij de Socialisten. Sommigen gingen al zoover, met de meening uit te spreken, dat de Sociaal Democraten nu wel zitting konden nemen in het Kabinet-Colijn.
Echter al dat gepraat op 't congres te Utrecht was — en zoo hebben wij dit ook begrepen — niet anders dan een leege woordenkraam.
Het eerste bewijs daarvan is thans geleverd door het roode Zaandam.
Zooals dit in alle gemeenten heeft plaats gehad, heeft ook de burgemeester van Zaandam een schrijven van den Commissaris der Koningin ontvangen, waarin hem gevraagd werd of de Gemeenteraad bereid was het Ambtenarenreglement aan te vullen in overeenstemming met de aanwijzingen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.
Deze aanwijzingen houden (bepalingen in ten opzichte van het verbod aan ambtenaren om in diensttijd insignes of onderscheidingsteekenen te dragen, het verbod om andere dan nationale of oranje-vlaggen uit dienstwoningen te steken, het ontslag van ambtenaren wegens revolutionaire gezindheid of wegens het lidmaatschap van vereenigingen, die de voorzitter van den Raad van Ministers voor ambtenaren heeft verboden, enz.
Nu zou men hebben mogen verwachten, dat B. en W. van Zaandam — de burgemeester is een vooraanstaande figuur in de Socialistische Partij — en ook de roode Raad zich zouden beijveren, om ter wille van het gezag en de democratie, waarvan de lof op het congres was bezongen geworden, en tevens om een bewijs te leveren, dat wat in Utrecht besloten werd, ernst was, oogenblikkelijk aan de aanwijzingen van den Minister van Binnenlandsche Zaken uitvoering te geven.
Echter is het in Zaandam zoo niet toegegaan.
Het college van B. en W. stelde zich op het standpunt, dat zij den Raad niet kon adviseeren aan de wenschen van den Minister te voldoen en in den Raad stemden acht Socialisten, Onafhankelijke Socialisten en Communisten als één man tegen een voorstel, dat uit den Raad gekomen was, om het Ambtenarenreglement met de door den Minister gedane aanwijzingen aan te vullen. Het gevolg van dit optreden der roode heeren was, dat de stemmen in den Raad staakten.
Wij zijn benieuwd, hoe het nu verder in den Zaandamschen gemeenteraad loopen zal. De Minister houdt voet bij stuk. Medegedeeld werd reeds, dat, wanneer het gemeentelijke Ambtenarenreglement niet binnen den termijn van drie maanden in overeenstemming met de Ministerieele aanwijzingen was veranderd, de Regeering zich verplicht zou zien, zelf tot de aanvulling er van over te gaan.
Intusschen heeft het roode Zaandam zijn beurt laten voorbijgaan om het zegel te zetten op de besluiten, dat op het Paaschcongres, ter wille van het gezag en de democratie, genomen werden.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's