De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

6 minuten leestijd

KERK EN DIACONIE.
Het wetsontwerp tot heffing van een belasting naar het vermogen van instellingen van de doode hand, is nog steeds bij de Staten-Generaal aanhangig.
Scheen het aanvankelijk, dat het met dit wetsontwerp niet al te best vlotte, in dien toestand is echter in den laatsten tijd een zoodanige ver­andering gekomen, dat de zaak niet alleen voor openbare behandeling gereed kwam, doch ook reeds een plaats op de agenda van de Tweede Kamer kreeg, waardoor de behandeling van het belastingvoorstel binnenkort te verwachten is.
Zooals onze lezers uit het overzicht, dat wij destijds van de belasting op de doodehandgoederen gaven, zich zullen herinneren, is deze belasting voor Kerk en Diaconie niet zonder bezwaar.
Naar mr. A. de Jong, van Dordrecht, op de vergadering van de Vereeniging van Kerkvoogden in Zeeland, welke vergadering op 1 Mei 1.1. te Goes gehouden werd, in een referaat over het onderwerp berekende, zal de Ned. Hervormde Kerk ten behoeve van de voorgestelde belasting, twee ton moeten opbrengen. Het wetsontwerp komt, zooals de referent de zaak zag, neer op een belasting op het lidmaatschap der Kerk, wat zijns inziens, in verband met de vrijstelling, die musea, universiteiten, ziekenhuizen, sanatoria en andere dergelijke lichamen genieten, omdat ze den Staat uitgaven besparen, onbillijk is, wijl toch ook de eeredienst een belang van den Staat is.
Wel bepaalt, voor wat de kerkelijke aangelegenheden betreft, het wetsontwerp, dat de kerkgebouwen zelve niet aan de belasting zullen onderworpen zijn. Doch menige kerkelijke gemeente heeft behalve den eigendom van kerkgebouwen, nog de beschikking over bezittingen, bestemd voor de instandhouding van den openbaren eeredienst ; bezittingen, welker opbrengst aangewezen zijn om de kerkgebouwen te onderhouden en den openbaren eeredienst te bekostigen, daaronder begrepen de bezoldiging van predikanten, de pastorieën, de fondsen tot steun van hulpbehoevende kerken en van dergelijke meer.
Het zijn nu deze laatste bezittingen, bestemd voor de instandhouding van den openbaren eeredienst, die onder de nieuwe belasting zullen vallen.
Blijkens het schriftelijk overleg, dat tusschen de Regeering en de Tweede Kamer plaats had, heeft ook de billijkheid om de eigendommen in hun geheel van de kerkelijke gemeenten bij de berekening van het vermogen der doodehandsgoederen buiten aanmerking te doen blijven, een punt van bespreking uitgemaakt.
Naar het oordeel van den Minister echter, zou de vrijstelling van andere eigendommen der kerkelijke gemeenten, dan de kerkgebouwen, verder reiken, dan de economie van het ontwerp dit verdraagt.
Ter toelichting van dit standpunt zegt de Minister van Financiën dat het genoemde beginsel ook geldt voor de Kerkvoogdij goederen, pastoralia en daarmee overeenkomende kerkelijke bezittingen, welker revenuen dienen tot het geheel of gedeeltelijk dekken van uitgaven, welke in andere overeenkomstige gemeenschappen moeten worden gedragen door de leden. Gingen de bedoelde goederen voor hun bezitters verloren, dan zouden de leden der desbetreffende kerkelijke gemeenten zich geplaatst zien in de positie, waarin leden van andere gemeenten verkeeren, die zelf de kosten van den eeredienst hebben te dragen. Hieruit blijkt — zoo gaat de Minister voort — dat het bedoelde bezit van zulk een gemeente een sterk collectieve draagkracht vormt voor haar leden. En het belasten van een dergelijke collectieve draagkracht is juist de grondslag van het ontwerp.
Wijst de Minister — wat te betreuren valt — op grond van de hierboven genoemde overweging, den aandrang op hem uitgeoefend, af, om alle eigendommen van kerkelijke gemeenten, welke eigendommen bestemd zijn voor de instandhouding van den openbaren eeredienst, vrij van belasting te stellen, anders staat de Regeering tegenover de gemaakte opmerkingen van de Kamer, betreffende de moeilijkheden, welke de Diaconieën van de belasting zullen ondervinden. Ten aanzien van deze moeilijkheden is de Minister iets toeschietelijker.
De bedenkingen tegen de regeling van het wetsontwerp voor wat betreft de Dicaonieën, waren in de eerste plaats de bepaling, dat de Diaconieën genoodzaakt zullen worden haar administratie voor belasting-ambtenaren open te leggen om te hunnen genoege het bestaan van zekere feiten en omstandigheden aan te toonen, en in de tweede plaats het voorschrift, dat de reserves, die door de Diaconieën uit besparingen worden gekweekt, aan de belasting zullen worden onderworpen.
Wat het eerste bezwaar betreft, heeft de Minister er ondervanging van de gevreesde moeilijkheden, het wetsontwerp op het bedoelde punt in dier voege gewijzigd, dat de belasting-administratie zich zal kunnen onthouden van het beoordeelen van het beleid der instelling. Aan het tweede bezwaar is de Regeering ten deele tegemoet gekomen door te bepalen, dat een deel der inkomsten over eenig jaar bestemd kan worden tot dekking van de uitgaven over die maanden, waarin de inkomsten over het nieuwe boekjaar nog traag vloeien. De reserves, die gekweekt worden, zullen dus wel aan de belasting onderworpen zijn, doch niet de losse gelden, die de Diaconie voor de verzorging van hare armen beschikbaar heeft.
Zoo heeft dus het schriftelijk overleg van het wetsontwerp nog iets ten voordeele van de instelling der Diaconieën opgeleverd.
Wellicht is bij de mondelinge behandeling van de belasting op de doodehands-goederen, die aanstaande is, nog iets ten gunste van Kerk en Diaconie te bereiken. Dit zal intusschen moeten worden afgewacht.
Een voordeel is het ten slotte nog, dat de wet, die eerst een blijvend karakter had, thans slechts voor vijf achtereenvolgende jaren zal gelden. Na 1 Januari 1939 zal de zaak opnieuw aan de orde komen.

ONGEPAST EN ONBEHOORLIJK.
Hoe bezwaarlijk het is en tot welke moeilijkheden dit leidt, wanneer op het politieke erf groepen, die het Christelijk beginsel belijden, samengaan met partijen, die de moderne levensbeschouwing zijn toegedaan, gelijk het bij de tegenwoordige politieke constellatie het geval is, is duidelijk aan het daglicht gekomen bij de behandeling van de technische wijziging van de Winkelsluitingswet.
In de eerste plaats was het ongepast, dat van de gelegenheid, die dr. Colijn bood om de Winkelsluitingswet technisch te herzien, gebruik werd gemaakt om ook principieele wijzigingen aan te brengen, en dit te meer, wijl men wist, dat de Minister van Economische Zaken tegen principieele veranderingen in de Wet overwegende bezwaren had.
En in de tweede plaats was het onbehoorlijk, dat men bleef aandringen op verruiming van de winkelsluiting op Zondag, terwijl de Minister-President bij het optreden van het Kabinet in de toen afgelegde regeeringsverklaring uitdrukkelijk had verklaard, dat het Kabinet van het verscherpen der tegenstellingen in de natie niets wilde weten.
Antirevolutionairen en Chr. Historischen hebben zich, hoe zij dit ook anders gewild hadden, om der wille van de hoogst ernstige tijdsomstandigheden, waarin het zoo noodig is dat ons volk één is, bij de verklaring van dr. Colijn neergelegd.
Zoo deden het in het bijzonder de Vrijzinnigen niet.
Zij sloten hun oor voor de ernstige bezwaren, die de Minister-President tegen hun optreden deed hooren.
Zij sloegen de raadgevingen in den wind.
Zij handhaafden de „status quo" niet. Integendeel, zij verbraken het compromis, dat de regeeringsverklaring zoo duidelijk had doen hooren.
De Vrijzinnigen hebben op ergerlijke wijze kabaal gemaakt. Dat daaraan hun anti-religieuse gevoelens niet vreemd waren, hebben zij duidelijk in de Kamer doen blijken.
Hoe is anders hun optreden te begrijpen ?
Gelukkig heeft dr. Colijn onder het verzet van de Kamer stand gehouden.
De behandeling van het wetsontwerp werd op verzoek van de Regeering geschorst.
Daarmede heeft dr. Colijn ons volk een grooten dienst bewezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's