MEDITATIE
IN HET KLAAGHUIS.
Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds. Prediker 7 vers 2a.
„Mijn zoon ! verwerp de tucht des Heeren niet en wees niet verdrietig over zijne kastijding". Dat woord van den Spreukendichter is een woord dat waarschuwt tegen ongeduld, dat vermaant tot berusting en tot schuldgevoel.
In den voorspoed schuilen allerlei gevaren. Iemand heeft gezegd : „Het mag zeker wel het ergste kruis heeten, geen kruis te hebben".
„De Heere kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon in wien hij een welbehagen heeft", zegt dezelfde Spreukendichter een vers later.
Dat is nog heel wat schooner voorstelling dan die den ouden wijsgeer Aristoteles voor den geest zweefde, toen hij de kastijdingen met medicijnen vergeleek.
Boven den kundigen arts, die niet schroomt, zoo noodig den kranke bittere geneesmiddelen toe te dienen, of hem het mes diep in de wonde te zetten, teneinde zijn kostelijk leven te behouden, staat de trouwe vader.
Boven dien zorgzamen geneesmeester staat de vader, die het heilig verlangen koestert, dat zijn kind opgevoed mag worden voor de eeuwige gelukzaligheid en die, wetende, dat hij het door voortdurende toegeeflijkheid eenvoudig zou bederven, zich telkens gedrongen gevoelt tot strenge middelen zijn toevlucht te nemen, ja, het somtijds de tuchtroede niet mag sparen.
Het goud moet in het vuur, om gelouterd te worden en als rein goud te kunnen blinken Het marmerblok moet van den beeldhouwer den eenen slag vóór ontvangen en den anderen na, om straks in onberispelijke schoonheid van lijnen en vormen te kunnen prijken.
De diamant moet eerst geslepen worden om eenmaal te kunnen flonkeren in de koningskroon Zoo doet de Heere met Zijn uitverkorenen en beminden. Hij leidt Zijn kinderen in het dal der verootmoediging. Hij brengt hen vaak in de duisternis, in de diepte, in de verlatenheid.
Hij zet hen den bitteren smartebeker aan de lippen met den alsem der droefheid gevuld.
Hij komt met Zijn vlijmend scherp snoeimes in de hand, om de schadelijke loten weg te snijden en om het woord te vervullen : „Elke rank, die vrucht draagt, reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage".
Lang aanhoudend mooi weder in de Italiaansche dalen veroorzaakt zulk een overvloed van stof, dat de reiziger hartelijk naar een regenbui verlangt. Hij kan haast niet ademhalen, zijn kleederen zijn grauw, zijn oogen pijnlijk, het stof dringt zelfs tusschen zijn tanden en baant zich een weg naar zijn keel.
Dan worden regenwolken met vreugde verwelkomd, omdat zij beloven het stof onschadelijk te zullen maken.
Langdurige voorspoed geeft even schadelijke stofwolken, want hij verblindt de oogen en dringt tot de ziele door.
Een paar buien van tegenspoed blijken een groote zegen te zijn, omdat zij de aardsche dingen van dat vuile stof eenigermate reinigen kunnen.
Door vele verdrukkingen moeten Gods kinderen ingaan in het Koninkrijk der hemelen.
Welk een voorrecht, met David te mogen zeggen : „Het is mij goed, verdrukt te zijn geweest. Door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt, o Heere !"
Die waarheid ligt ook opgesloten in het woord, dat wij thans overdenken : „Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds".
Hier wordt gesproken van twee huizen.
De geheele wereld is een klaaghuis geworden. Nadat de mensch in het paradijs Gods gebod had overtreden, is hij zoo diep en dood gevallen, dat alles der ijdelheid is onderworpen en het gansche schepsel te zamen zucht.
De zonde is in de wereld gekomen en door de zonde de dood, met alles wat daaraan voorafgaat en daar op volgt. Deze aarde is een Mesech geworden, een vreemdelingsland, een Bochim, een dal des geweens.
Overal op aarde worden klaaghuizen gevonden, groote, maar ook bijzondere klaaghuizen.
In het evangelie van Johannes wordt ons verhaald van zulk een groot klaaghuis, dat gelegen was aan het badwater te Bethesda, een huis der barmhartigheid met vijf zalen, waar de kranken lagen en waar Jezus den 38-jarigen kranke genas. Doch er zijn ook bijzondere klaaghuizen, ja, het huis kan een klaaghuis worden.
Dan worden daar zuchten geslaakt, de ziele wordt nedergebogen, het harte wordt gebroken, er worden vele en bittere tranen geschreid en weeklachten aan het neergedrukt gemoed ontperst. Daar in het klaaghuis liggen één of meer kranken terneder. Dikwijls klagen zij van pijn en smarte. Zij zijn somtijds benauwd naar het lichaam, maar ook benauwd naar de ziele. Zij klagen over hun ellende, hun zonde, hun trouweloosheid tegenover den Heere.
Daar in het klaaghuis staan de ouders bij hun geliefd stervende kind, de vrouw moet scheiden van haar echtgenoot, cle man van zijn stervende gade, broeders en zusters zitten in spanning en hartbrekende smarte bij elkanders levenssponde.
Dan wordt dat huis een huis der rouwe en der rouwklagers.
„Neen", zegt de wereld, „er is een beter huis. Dat is het huis des maaltijds, waar gasten worden genoodigd, waar vroolijkheid is en waar gelachen wordt".
De Heilige Schrift verhaalt ons van den maaltijd, dien koning Belsasar hield met zijn hof, toen de vingers van eens menschen hand aan den wand kwamen. En van den maaltijd van Herodes, dien hij op zijn verjaardag aanrichtte. Zoo maakt men maaltijden om vroolijk te zijn.
Ziehier die twee huizen, en let nu op het gaan in het klaaghuis en in het huis des maaltijds.
Door liefde gedrongen en getrokken gaat de vriend naar het klaaghuis, waar een kranke is, zooals de profeet Elia naar den kranken koning Ahazia ging en Jesaja naar den kranken koning Hiskia.
Ook gaan de menschen naar het huis des maaltijds met de vreugde op het aangezicht, in hun feestgewaad, te gast genoodigd en te gast gaande.
En nu vraagt de groote, wijze koning : „Waar is het beter ? In het klaaghuis of in het huis des maaltijds ? "
En dan antwoordt een wereldschgezind en wereldlievend mensch, die den Geest des Heeren mist: „Ik houd niet van die plaats, waar geweend wordt en getreurd. Ik houd niet van tranen, maar laat ons eten en drinken en vroolijk zijn !"
O, bedenk toch, dat gij, die zonder God en zonder Christus, zonder Middelaar en Borg leeft, een arme, beklagenswaardige zijt. Ieder uur, dat gij nadert aan uwen dood, komt gij nader aan uwe rampzaligheid.
Maar zijt gij een kind des Heeren, dan zijt gij eiken dag, dien gij hebt doorleefd, nader aan uwe zaligheid.
De vromen, die spreken naar het Woord, zullen, als zij de keuze doen, zeggen : „Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds".
In het huis des maaltijds wordt niet gedacht aan het woord : „Het is den mensch gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel".
In het klaaghuis wordt de waarheid van het woord bevestigd : „Er is maar ééne schrede tusschen ons en tusschen den dood".
Hoe zeldzaam wordt in het huis des maaltijds gesproken over God, den Heere, over den hemel. over den Zaligmaker en Borg, over den Geest des Heeren en Zijne werkingen!
En als iemand een stichtelijk woord aan dien vreugdemaaltijd wil spreken, is het gewoonlijk een enkele, en men ziet aan de uitdrukking op de aangezichten, dat men gaarne zou willen, dat hij daarover maar zwijgen zou.
Maar in het klaaghuis wordt in practijk gebracht, wat Paulus zegt in zijn brief aan de Efeziërs : „Zoo daar eenige goede rede is tot nuttige stichting, een woord, dat genade geeft aan die het hooren, spreekt dat".
In het huis des maaltijds worden vele zonden in gedachten, woorden en werken begaan op lichtvaardige wijze, maar in het klaaghuis worden verslagenen van harte gevonden, die klagen en kermen over hunne ongerechtigheden en over hunne ellendigheden. Daar naderen zij met smeeking en geween tot den troon der genade.
In het huis des maaltijds gaat men lachend en zingend en lasterend naar de hel; maar in het klaaghuis gaat men zuchtend en biddend, worstelend en schreiend, door schuldbesef getroffen en verbrijzeld, naar den hemel.
In het huis des maaltijds zal uiterst zelden iemand tot hartgrondige en krachtdadige bekeering ten leven worden gebracht, maar in het klaaghuis, waar de zondaar in de donkere diepte van zijn verlorenheid ligt, wordt zijn harte bewogen en als een strafschuldige en doemwaardige begint hij te vragen : „Is er nog genade voor mij ? "
In het evangelie van Johannes kunt ge lezen van zulk een klaaghuis.
Lazarus was gestorven. Velen kwamen daar bij Maria en Martha om haar te vertroosten. Jezus kwam daar ook in dat klaaghuis, en daar werden velen in hun harte gegrepen.
O, dat gij de genade mocht ontvangen om maar veel te verkeeren in het klaaghuis om te weenen, omdat gij een zondaar zijt, opdat de Heere op uw kermen zich over u mocht ontfermen, om tot den Heere Jezus te vluchten als den eenigen Borg voor Zijn volk.
Onbekeerde zondaar ! Hoe vreeselijk zal het voor u zijn, onder de prediking van het Woord des Heeren te hebben verkeerd en uw harte te hebben verhard ! Geen Borg en Middelaar voor uwe ziele te bezitten !
In het huis des maaltijds aangezeten te hebben, en nu in het klaaghuis der hel te worden geworpen.
Gij leeft voor deze wereld, voor de dingen, die voorbijgaan
De duivel gaat rond als een brieschende leeuw, zoekende u te verslinden.
Of hij verandert zich in een engel des lichts en zal u met fluweelen banden sleepen naar het eeuwig verderf.
Hij heeft u zóó verblind, dat gij de waarheid Gods niet van de leugen kunt onderscheiden. Hij doet u opstaan tegen den Heere en tegen Zijnen Gezalfde, Jezus Christus.
Wanneer men in de Alpen reist, ziet men vaak een klein zwart kruis op een rots, of op een der oevers van een stroom, of langs een postweg. Dat kleine zwarte kruis dient om de plaats aan te wijzen, waar menschen door een droevig ongeval het leven hebben verloren.
Ernstige gedenkteekenen, ernstige memento's onzer sterfelijkheid !
Maar gij leidt mijn gedachten verder. Indien de plaatsen, waar de menschen hun tweeden dood vinden, evenzoo aangewezen werden, welk een schouwspel zou deze tegenwoordige wereld niet opleveren !
Hier is een gedenkteeken eener ziele, die zichzelve in het verderf stortte door in eene zedelooze verzoeking te bezwijken.
Daar dat eener consciëntie, door verwerping van herhaalde waarschuwingen verhard. Elders dat van een harte, door het weerstaan van de teedere uitnoodigingen der liefde, eindelijk versteend.
Hoe vreeselijk zal het ontwaken zijn uit het huis des maaltijds, uit de wereld en hare begeerlijkheid, in het eeuwig huis der smarte en der klachte, in den nimmer eindigenden nacht der wroeging.
Op den morgen, waarop de groote staatsman Talleyrand stierf, vond men op een tafel nabij zijn bed een papier, waarop hij het volgende had geschreven : „Ziet, drie en tachtig jaren zijn voorbijgegaan. Welk een zorgen ! Welk een onrust ! Welk een benauwdheden ! Welk een kwaden wil, welk een verwikkelingen, en dit alles zonder nut, behalve de groote moeiten van lichaam en geest, en wat de toekomst betreft, een diep besef van duisternis en wanhoop".
Ziehier de belijdenis van een man, die in zijn leven rijk naar de wereld en door duizenden hoog vereerd was, maar zich om het heil in Christus niet bekommerde.
Welk een treurig lot! Meegesleept met den stroom ten verderve, meegesleurd met de mode dezer wereld, in opstand tegen God en Zijn Woord, de vuisten ballende van toorn tegen de uitbreiding van Gods Koninkrijk, en zoo de diepte der eeuwige verdoemenis in te zinken, om daar voor eeuwig te beweenen, dat men naar de stemmen der verleiders, naar de lokstemmen der vijanden van Christus heeft geluisterd'!
Daar is de wanhoop. Daar is de duisternis. Daar is de wroeging, voor u, o ! verblinde, o! verstrikte in de netten des duivels ; daar is een eeuwig te laat!
En gij, rijke en verrijkte, die meent in te gaan, maar op den valschen grond van uw eigen gerechtigheid ! Moge de Heere u nog eens ontledigen en ontgronden en ontdekken door Zijn Geest, om u te doen zien, welk een diep gezonken schepsel gij zijt. Mocht de Heere u als een arme boeteling en smeekeling, boetvaardig en berouwhebbend in bet klaaghuis doen verkeeren en u daar geheel, als een arme Naaman, ontkleeden en u doen kermen om ontfermen tot den Heere Jezus, en weenen en treuren over uwe ellendigheid.
Al uw oppervlakkige inbeeldingen zullen u diep teleurstellen, als straks uw valsch dwaallicht u zal voeren in de moerassen der eeuwige verlorenheid en gij met een ingebeelden hemel naar de hel gaat.
Bekommernis vervult uw harte, o! beproefde en kleine zielen !
Gij, die In het treurhuis, in het baka-dal verkeert. Zalig zijn zij, die treuren, want zij zullen vertroost worden.
O ! telkens stoot uw voet tegen zerken en grafheuvels.
Gij hoort het ruischen van treurboomen. Gij verneemt in uw luisterend oor de sombere rouwklok, die dreunt door uw leven : „Heden ik, morgen gij !"
Doornen doorwonden uw neergebogen harte. Rouwfloers bedekt uwe oogen, rouwdragende ziele vanwege den roetzwarten nacht uwer zonden.
Vijanden vallen op u aan. De driehoofdige vijand, de wereld, de satan en het eigen vleesch, belegeren, worstelende en strijdende, de vesting van uw hart, terwijl de verrader daarbinnen niet ophoudt u aan te vechten.
De adder van den laster zoekt u te bezwadderen. De wereld spreidt, als een gevaarlijke Delila, haar striknetten tegen u. De duivel, die zich verandert in een engel des lichts, zoekt u terug te trekken van den weg des levens.
En uw eigen harte doet het u gevoelen, dat gij aan ellende en zonde telkens ten prooi zijt, tot hinken en zinken ieder oogenblik gereed.
De stormen des levens teisteren u. De golven van de levenszee gaan hoog en overstroomen u. En uit uw diep ontroerd en overstelpt gemoed stijgt de jammerklacht, de angstkreet: „Zou er voor mij nog hope zijn ? Voor zulk eenen ! Is er nog genade voor mij, die beschroomd ben om te naderen en de groote ontferming in Christus voor Zijn lievelingen, te mijnen ? "
O ! houd moed ! Al is het voor uwe bewustheid donker rondom u en boven u en in u; die met tranen zaaien, zullen .met gejuich maaien. Hij zal geven 't dal Achor tot een deur der hope.
O ! welk een troost der verkiezende genade van den eeuwig Onveranderlijke, van den eeuwig getrouwen Heere ! Uw ontrouw doet Zijne trouw niet te niet. Hij zal Zijn hand tot de kleinen wenden en den nederigen genade schenken. Hij zal u op Zijn tijd, als de nederige myrthen in het dal, besproeien met Zijn heil en u geven het gewaad des lofs voor een benauwden geest. Op Zijn tijd, dat is ter rechter tijd, zullen de stralen van de Zonne der gerechtigheid door de nevelen en de duisternis heenbreken, al schijnt de hemel van koper, zoodat er geen gebed door kan en de vertroostende genade in Christus doen afdalen in uw ziele. Wacht op den Heere ! Hij is getrouw, de bron van alle goed !
En de Heere zal u in het Maaghuis hier beneden een voorsmaak geven van het huis des maaltijds daarboven, van het Avondmaal van de bruiloft des Lams.
„Hier is de scheem'ring, daar straalt de zon; „Hier vlieten stroomen, ginds welt de bron ; „Hier is de worst'ling, daar wenkt de rust; „Wiegende zee hier, ginds lacht de kust".
O ! kinderen des Heeren ! Keurlingen van Jehova ! Dikwijls ziet men aan kerkhofdeuren of op grafmonumenten als zinnebeeld voorgesteld een omgekeerde fakkel, die uitgedoofd wordt.
Dat zinnebeeld is niet juist. De fakkel van uw leven brandt tengevolge van de verandering, die de dood brengt, des te helderder.
De duisternis zal zwichten voor het licht van den Vorst des levens, Jezus Christus, en dan geen nacht meer.
Zalig gij, die in Christus het licht in den nacht uwer zonden en het leven in den nacht van uwen dood hebt mogen vinden.
Denk aan Bunyan's beeld van het leven.
Hij beschrijft Christen, als hij zijn pelgrimsreize naar de hemelsche stad begint, met een last op den rug, die hem neerdrukt.
Hij wringt zijne handen van angst en loopt. omdat hij vreest in de stad Verderf te gronde te gaan.
Hij heeft nog geen dagreize geloopen, of hij ligt reeds tot aan den hals in den poel Moedeloosheid. Heilzame wanhoop!
Dat is het begin van de zaak. Het klaaghuis. Maar zie nu aan het einde. Hij is tot aan den blauwen Jordaanstroom gekomen. Hij doopt zijn voet daarin, en al is het water koud en koel, toch houdt hij niet op te zingen, ' ja, terwijl hij door den stroom waadt, zingt hij zoo liefelijk, als hij nooit tevoren had gezongen.
Hoe teekent Bunyan het, als hij midden in den stroom stilstaat!
De engelen wenken hem van de andere zijde, dezelfde engelen, wier stemme hij over den stroom had hooren weerklinken, toen hij in de omgeving der lieflijke bergen voortwandelde en de geuren inademde, die over den stroom werden aangewaaid.
En nu betreedt hij aan de andere zijde de stranden. En zijn zonden, zijn zwakheid, zijn sterfelijkheid achterlatend, gaat hij op in het hemelsche land en de hem begeleidende engelen voeren hem tot de paarlen poorten van de met goud geplaveide stad.
O ! ja, oneindig beter is het einde van het geestelijke leven, dan zijn aanvang.
Hier het hartelijk leedwezen vanwege de zonden, het mishagen hebben aan zich zelven, het niets worden voor den Heere, het alles verliezen om Christus te gewinnen.
Hier het klaaghuis, daar de feestzaal des hemels. Hier de doornenkroon, daar de levenskroon. Hier het voorportaal, daar de bruiloftzaal!
Zoo wordt gij, o ! kinderen Gods ! o ! koningskinderen, onder tranen en bestrijdingen tot de haven uws verlangens gevoerd.
Het verval uwer krachten, de zwakheden des ouderdoms en de teekenen van den naderenden dood zijn voor u, o gunstgenooten Gods ! de landvogels, die zich op het takelwerk van uw levensschip nederzetten, om den vermoeiden reiziger, den afgematten strijder te zeggen, dat hij de haven der eeuwige rust nadert.
Daar het einde der stormen, het einde van de kakende branding der levenszee, daar geen laster meer, daar geen haters Gods en van Zijn Woord meer, daar geen strijd, maar daar de gemeenschap met God in Christus, een eenparig zich scharen om de banier van uw Koning, om Hem de eeuwige hulde, de glorie, de eere, de aanbidding en dankzegging toe te brengen.
Kampen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's