De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

DE SYNODALE WETSVOORSTELLEN. (2)
De boom die wordt hoe langer hoe dikker" — zongen we vroeger op de speelplaats van de school. En we vonden het wat leuk!
In onze Hervormde Kerk met de Synodalebesturen-organisatie kunnen we 't ook wel gaan zingen b.v. op de a.s. Classicale Vergadering. Maar neen — alle dingen zijn wel oorbaar, maar alle dingen stichten niet. En daarom zingen, we het maar niet ter vergadering.
Maar hier mogen we het wel neerschrijven. Want een feit is het, dat elk jaar de Synode komt aandragen met een heele verzameling reglementsbepalingen, die maar weer moeten worden bij geplakt in het Kerkelijk Wetboek.
Gelukkig, dat ook het Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur van hetzelfde gevoelen is, als wij zijn. Want wat wij in het laatste no. van „De Waarheidsvriend" schreven, wordt bevestigd in het laatste no. van het Algem. Weekblad. Daar lezen we immers : „ laat toch al dat stuk-en knutselwerk aan de Reglementen voorloopig rusten. In de nieuwe uitgaaf der Reglementen (drie jaar geleden) moesten ongeveer 30 wijzigingen èn een nieuw Reglement worden aangebracht. En weder staan 7 wijzigingen benevens een nieuw Reglement op het programma voor de Classicale Vergaderingen".
Wat is het Gereformeerd Kerkrecht toch anders opgezet, dan de practijken van onze besturen-organisatie zijn! Want het Gereformeerd Kerkrecht trekt de hoofdlijnen en geeft de hoofdbeginselen aan en méér niet. Maar de Synodale-besturen-organisatie reglementeert alles, schrijft alles voor in wetten en artikelen, zoodat alles precies en afgepast is vastgesteld voor alle colleges en besturen en kerkeraden. Maatregel op maatregel, gebod op gebod ! Dat is vanwege de vrijheid ! De Kerk lijkt wel iemand op houten beenen, die met twee krukken loopen moet! We hebben nu toch het Algem. Weekblad voor ons, en daarom schrijven we nóg maar een stukje af van het artikel : „Kerkelijke Wetgeving" (Vrijdag 25 Mei).
„Het reeds zoo zwaar beladen Art. 14 van het Synodaal Regl. voor de Kerkeraden (in de officieele uitgave der Reglementen beslaat het, met de aanteekeningen, 10 kolommen!) moet weer twee aanvulingen en een wijziging verkrijgen. Bij de pas ingevoerde nuttige bepaling, dat van de verhuizing van een lid der gemeente aan zijn nieuwe gemeente wordt kennis gegeven, wil de Synode nu de verplichting opleggen om die kennisgeving te „voorzien van alle beschikbare gegevens".
Denk dat nu eens even nuchter in ! Uit Numansdorp, uit Utrecht, uit Boskoop, uit Oudshoorn, uit Capelle a/d IJssel, uit Leersum enz., gaat een lidmaat verhuizen naar Alkmaar, Woerden, Veenendaal enz. Wat moet er nu gebeuren voortaan ? Niet alleen dat de attestatie wordt verzonden en van de verhuizing aan den kerkeraad der nieuwe gemeente kennis gegeven wordt, maar men wil nu door deze wetswijziging verplichtend stellen „dat alle beschikbare gegevens", dat zijn dus allerlei bijzonderheden, die de kerkeraad (de dominé) ter plaatse weet van den persoon in kwestie, aan den kerkeraad der nieuwe gemeente zullen worden overgebrlefd. Denk u nu eens in, dat de dominé van Numansdorp of van Oudshoorn of van Heerlen of van Kralingen of van Capelle a/d IJssel allerlei bijzonderheden van een lidmaat in een brief gaat schrijven aan den kerkeraad van de nieuwe gemeente ! 't Kan fraai worden !
Het Algem. Weekblad zegt : „Dit is een ongeoorloofde uitbreiding van den zuiver administratieven maatregel van het vorige jaar. Zelfs een door een lidmaat aangevraagde attestatie bevat niet anders dan dat tegen zijn leer en wandel geen bezwaren zijn Ingekomen, en hier zou men nu bij een kennisgeving van verhuizing, buiten het lid der gemeente om, alle mogelijke opmerkingen omtrent hem kunnen voegen. De nieuwe gemeente heeft het lid onbevooroordeeld kerkelijk en pastoraal te ontvangen."
Wij zijn dan ook zéér beslist tegen dit Synodale Voorstel (no. I).
„Alleen de heer Tammens verklaarde zich er in de Synode tegen (blz. 123 van de Handelingen der 118e zitting, 1933). Jammer, dat er niet bij staat op welken grond deze oud-gediende tegen was" (Algem. Weekblad).
Een verdere kleine wijziging is die van Art. 16 van het Syn. Regl. voor de Kerkeraden, waarbij bepaald wordt, dat om de tien jaar een afschrift van den ligger van de diaconiegoederen en fondsen naar den stand van den 31sten December van het af geloopen jaar, aan het Classicaal Bestuur moet worden toegezonden. (Voorstel IV). Net iets om te vergeten, zal men zeggen: eens in de tien jaar ! Maar het bewuste jaar zal het door de stemming over Kerkeraad of Kiescollege gekenmerkte jaar zijn !" „Toch doet zich de "vraag voor" — aldus het Algem. Weekblad —: „is zulk een bepaling nu werkelijk noodig, terwijl toch van elke verandering in den ligger der Diaconiegoederen en - fondsen het Classicaal Bestuur steeds op de hoogte moet worden gehouden en ook bij de Kerkvisitatie blijkt of de liggers in orde zijn ? De Synode nam echter zonder eenige discussie het voorstel aan" (Handel, der Synode, blz. 107).
Ook dus al weer zoo'n buitengewoon bureaucratische aanvulling van het bestaande. Al maar méér en al maar scherper reglementeeren en al maar méér lasten opleggen. Controle tot in het oneindige. Terwijl alle gegevens nu reeds bij het Classicaal Bestuur bekend zijn !
Er is nog een ander Voorstel (no. V) waarover het Algem. Weekblad ook niet bijster te spreken is. In Art. 66 van het Regl. op de Vacaturen wil de Synode bepalen, dat voor de goedkeuring van een beroep van een predikant óók overgelegd wordt: een bewijs dat de verschenen termijn van de premie voor het pensioenfonds en die van de bijdrage voor de kas tot aanvulling van het Rijksemeritaatspensioen zijn betaald".
Hier wordt een zware sanctie gelegd op het niet nakomen van z'n geldelijke verplichting van een predikant. En vele Kerkeraden komen soms hun verplichting niet na en blijven ongemoeid. „Bovendien : een predikant kan wel juist, om aan de aeer zware geldelijke verplichtingen voortaan te kunnen voldoen, een beroep willen aannemen, om het betere tractement, dat hem hiertoe zal in staat stellen. Wie durft nu zóó de loopbaan van een predikant belemmeren ? Eén lid van de Commissie van rapport had „geen bezwaar" tegen het voorstel; de zes overigen dus wel; maar de Synode verklaarde er zich met 10 tegen 8 stemmen vóór (blz. 510)"
Zóó ongunstig schrijft het Algem. Weekblad er over ! En wij kunnen ons dat best begrijpen. Wij zullen dan ook tegen Voorstel no. V stemmen.
Vervolgens komt de Synode met een toevoeging aan Art. 27 van het Regl. voor de Diaconieën. Voorstel VI. Het Algem. Weekblad zegt daarvan : „Dit is waarschijnlijk een gevolg van in den laatsten tijd wel eens gebleken vergrijp of verzuim en gebrekkige controle bij de Diaconie-administratie : het Classicaal Bestuur krijgt de bevoegdheid in gevallen, waarin het dit wenschelijk oordeelt, een deskundig onderzoek naar de administratie van de Diaconie te doen instellen op kosten van de betreffende Diaconie". „Doch" — zoo schrijft het Algem. Weekblad — „als nu het deskundig onderzoek ten gunste van de administratie uitvalt, moet dan de vrij uitgaande verdachte toch de kosten betalen? Want alléén om de regeling der kosten is deze bepaling gemaakt".
Ook voor dit Voorstel no. VI voelt het Alg. Weekblad dus niets. Wij ook niet.
„Tot hiertoe vonden wij weinig aantrekkelijks of aannemelijks in de voorloopig aangenomen wijzigingen" — lezen we daar.
Het Algem. Weekblad gaat dan over tot de voorstellen betreffende het Groote-stads-probleem. (Voorstel II, III en VIII).
„Hier treffen we allereerst aan : twee toevoegingen aan het reeds eerder vermelde Art. 14 van het Synodaal Regl. voor de Kerkeraden. Vooreerst een 15de al., waarbij aan den (Bijz.) Kerkeraad in gemeenten met meer dan één predikantsplaats wordt opgedragen : de indeeling der gemeenten in wijken met de aanwijzing van predikanten en ouderlingen voor elke wijk, welke indeeling en aanwijzing elke 5 jaar wordt herzien". (Voorstel IIa).
De schrijver in het Algem. Weekblad zegt dan : „Schrijver dezes heeft ervaring van twee kleinere en twee groote gemeenten, waar een uitstekende Wijkindeeling bestaat. En natuurlijk wordt daar de Kerkeraad mee gemoeid, omdat die de ouderlingen (en diakenen) verschaft. En hoe soepel werken er de Wijkvereenigingen ; ook wordt indeeling der Wijken niet om de 5 jaar herzien".
„Er zullen niet veel gemeenten meer zijn, waar geen Wijkverdeeling is, als er geen bijzondere belemmeringen daarvoor zijn".
„In de bespreking van dit voorstel in de Synode (blz. 525—526) werden hoofdzakelijk eenige bezwaren genoemd, maar 't einde was, dat het voorstel werd aangenomen (met hoeveel adviezen en stemmen voor of tegen, staat er niet bij !)"
„Er wordt in een 16de dan nog een „jaarlijksche Wijkvisitatie" ingesteld. Deze kan in groote steden gewenscht zijn (en kan dan bij Kerkeraadsbesluit worden ingesteld), maar in die kleinere van 2 of 3 predikantsplaatsen ? Is het geen reglementaire rompslomp, die men in Meine gemeenten wel niet overhoop zal halen ? " (Voorstel IIb).
„Een 17de draagt aan den (Bijz.) Kerkeraad op : het ontwerpen van regelingen voor het herderlijk werk, het godsdienstonderwijs en de vacantie der predikanten. Oorspronkelijk stond er bij : „het waarnemen van bij betrekkingen door predikanten". Het dient om het misbruik van de vrijheid der predikanten te beteugelen. (Ach ! krijgt men toegewijde predikanten door reglementsbepalingen ? ) De Commissie van Rapport (blz. 527) was zeer tégen het voorstel, maar „uit overweging, dat de voorstellers zeker op goede gronden spraken van leemte op dit gebied in de kerkelijke wetgeving, heeft ze haar tegenzin aan kant gezet". Geen sterke overtuiging dus. Hoe wil men regelingen treffen voor het godsdienstonderwijs ? Als één predikant 30 leerlingen heeft en een ander 300 dacht men dat de Kerkeraad dan aan ieder 165 kan toewijzen ? Met den president der Synode meenen wij ook, dat de vacantieregeling door den Kerkeraad wel bezwaarlijk zal zijn". (Voorstel III).
„Dit is tegen dit alles het groote bezwaar : dat een kerkelijke regeling voor de geheele Kerk geldt, ook daar, waar het reeds beter is zonder officieele regeling, of waar het niet gaat haar toe te passen. Laat men niet generaliseeren. Tegenover bezwaren over de vrijheid van de predikanten, staat anderer aanpakken en initiatief. Ik ken een gemeente, waar in weinige jaren, door het initiatief en de reusachtige inspanning van predikanten (natuurlijk met hun Comité) eenige wijkgebouwen, twee kapellen, vier groote kerken zijn gesticht, terwijl binnenkort nog twee kerken in aanbouw komen". (Wordt voortgezet).

DE HANDHAVING DER LEER, VOOR KERK EN STAAT VAN ZOO GROOTE BETEEKENIS.
J. A. Wormser, de schrijver van het bekende boekje „De Kinderdoop, beschouwd met betrekking tot het bijzondere, kerkelijke en maatschappelijke leven", is ook de schrijver van het Amsterdamsche Eind protest, ten jare 1854. In dat evangelisch-juridisch opstel, waarvan Da Costa verklaarde, dat het waardig was in onze kerkboeken, als vervolg op de rij der belijdenisschriften te worden opgenomen, leest men :
De ondergeteekenden vertrouwden, dat het immers niet te veel ware, de handhaving te verlangen van die waarheden, welke, de gansche Schrift door, als de grondslag en de kern der goddelijke openbaring aan een afgevallen menschengeslacht, worden voorgesteld ; — die de hoop en de verwachting hebben uitgemaakt van de Patriarchen, Profeten en Apostelen ; die de belijdenis van de gansche Christenheid van alle eeuwen en van alle plaatsen hebben gekarakteriseerd ; — en die de ziel en het leven hebben uitgemaakt ook van die groote kerkelijke beweging in de zestiende eeuw, welke nog steeds bij alle ware Protesitanten onder den naam van de Hervorming met zegen en welgevallen wordt herdacht".
Wormser, die Kerk en Staat in zoo nauw verband zag (Groen zegt van hem : „niemand wellicht heeft hem geëvenaard in het algemeen verstaanbaar maken van het Christelijk-historisch beginsel, toepasselijk op Kerk, Staat en School) zegt : in het lichtvaardig voorbijzien van de voortreffelijkheid en de onmisbaarheid der Kerkleer is „in den middelijken weg veel te wijten van den ongunstigen toestand van Kerk en Staat".

SPURGEON (2). 1834—1934.
Van toen af was zijn levensrichting aangewezen, zijn levensdoel bestemd. Hij voelde zich onuitsprekelijk gelukkig, toen hij zijn ziele aan Jezus had toevertrouwd en blijdschap en vrede was in zijn hart gekomen. „Aldus" zoo verhaalt Spurgeon „had het eeuwig raadsbesluit van Jehovah het verordineerd en, evenals een oogenblik te voren niemand ellendiger was dan ik, zoo was er een oogenblik later niemand, die meer blijdschap smaakte. In den grooten Plaatsbekleeder voelde ik mij veilig en geborgen ; en ik mocht weten, dat mijn zonden voor eeuwig waren weggedaan". „Wat kan ik meer verlangen" zoo getuigde hij thuis „dan dat ik, zoolang mijn korte leven op aarde duurt, de dienstknecht mag zijn van Hem, die de Knecht der knechten is geworden voor mij". Alleen treurde hij dikwijls, dat hij van zijn Meester niet zóo kon spreken als hij Hem door genade mocht kennen.
Bij zijn studie in wiskunde, Grieksch en Fransch vond hij tijd om deel te nemen aan de tractaatverspreiding. Opgetogen schreef hij daarover aan zijn moeder (19 Februari 1850). Hij achtte het een werk, dat niets, niets is in vergelijk van de liefde van Christus aan hem geopenbaard, maar hij deed het zoo gaarne, omdat hij een goed gerucht wilde doen uitgaan van Slons Koning in het midden van een ongelukkige, zondige wereld. In dien zelfden brief aan zijn moeder gaf hij zijn besluit te kennen om Baptist te worden en zich te laten doopen. Tegen den wil zijner ouders wilde hij echter niet handelen en daarom vroeg hij hunne toestemming, welke hem ook werd verleend, daar zijn vader en moeder zich verblijdden over zijne bekeering en zijn getuigenis van genade en vrede. Wel schreef zijn moeder er bij : „Och, Charles, ik heb den Heere dikwijls gebeden u een Christen te maken, maar ik heb Hem nooit gevraagd, dat gij een Baptist zou worden". Gevat en geestig was zijn antwoord: „O moeder ! de Heere heeft met Zijne gewone milddadigheid uw gebed verhoord en u gegeven boven al wat gij gebeden en gedacht hebt. Hij heeft mij Christen gemaakt en bovendien nu óok nog Baptist". En aan zijn grootvader schreef hij, toen deze bang was voor allerlei twistgeschrijf : „het is geen zaak van groot aanbelang, hoewel ik geloof dat Christenen, die zich niet laten doopen, dwalen. De menschen zijn verschillend van inzicht, maar wij behooren ons eigen geweten te volgen. Ik geloof, dat de tijd veel beter besteed zou worden met over levende godsvrucht te spreken, dan met twisten over vormen". Deze milde opvatting is Spurgeon eigen gebleven tot aan zijn dood. Hij was eerst Christen, daarna Baptist. 3 Mei 1850 werd hij door onderdompeling in de rivier Lark gedoopt, waarbij hem de doop van den Heere Jezus in de Jordaan tot grooten troost was. Het was op den verjaardag van zijn moeder, en hij schreef haar : „Uw verjaardag zal nu in dubbele mate merkwaardig voor mij zijn"'. Tegelijk herinnerde hij in dien brief nog weer eens aan alles wat hij van zijn moeder, ten opzichte van zijn geestelijk leven ontvangen had. „Uwe vriendelijk waarschuwende toespraken op de Zondagavonden, zijn te diep in mijn hart gezonken, om ooit door mij vergeten te kunnen worden". Hij noemt haar dan „mijne biddende en over mij wakende Moeder" en zegt: „Ik hoop, dat gij eenmaal oorzaak van vreugde zult hebben, als gij mij, het onwaardige werktuig in Gods hand, het Evangelie aan anderen ziet prediken" ; „ik heb beloofd mij voor altijd toe te wijden aan de zaak van Hem, die mijne eenige Sterkte is en mijne ziel liefheeft".
In zijn dagboek schreef de 16-jarige Spurgeon op den dag van zijn doop (3 Mei 1850) : „In den namiddag had ik het voorrecht mijn Heere en Heiland te volgen en met Hem begraven te worden in den doop. Gezegend water ! Liefelijk zinnebeeld van mijn sterven aan de wereld ! Mocht ik voortaan alleen voor Jezus leven ! Neem mijn lichaam en ziel aan als een geringe offerande; verbind mij aan U ; mocht ik er nooit voor terugdeinzen om Uw Naam te belijden. Ik doe de gelofte om alleen in Jezus en zijn !kruis te roemen en mijn leven te besteden aan de bevordering van Zijne zaak, op welke wijze het Hem zal behagen. Geloofd en geprezen zij Uw Naam. Gij hebt mij bekwaam gemaakt U te belijden, help mij thans U te verheerlijken en Christus te leven".
Spoedig bleek, dat de jonge Spurgeon de zalving des Heiligen Geestes mocht deelachtig zijn. In kennis en geestelijke ervaring, in levenswijsheid en ontwikkeling, in alles was hij zijn leeftijd vér vooruit. Als onbezoldigd hulponderwijzer werd hij verbonden aan een school van een van zijn vroegere leermeesters. Aan Zondagsschoolarbeid en evangelisatiewerk gaf hij zich gaarne. Weldra begon hij, die geen theologische opleiding had genoten, hier en daar te prediken en toen hij daarmee begonnen was, vond hij telkens weer nieuwe gelegenheid daartoe, omdat men hem gaarne hoorde. Nu eens in een boerenkeuken, dan weer in een schuur, sprak hij, en velen luisterden naar den 16-jarigen jongeling. Hij schrijft later : „Ik vrees, dat ik in mijne jonge jaren wel veel vreemde dingen gezegd en vele vergissingen begaan heb", maar hij getuigt tegelijk, dat hij op deze manier een voortdurende oefening in het vaardig spreken had.
De inhoud van zijn prediking is van zijn jeugd tot zijn ouderdom steeds hetzelfde geweest : Jezus Christus en die gekruisigd. En ook het doel is altijd hetzelfde geweest : zielen van arme zondaren te winnen voor den Heiland, die Zijn dienstknechten altijd uitzendt met de boodschap: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven".
Terwijl hij rondging te prediken in zijn vrije uren, bleef hij overdag als hulponderwijzer werkzaam en oefende zich tevens met allen ijver in die wetenschappen, die hem van nut konden zijn tot den dienst des Woords. Want al heeft Spurgeon nooit eenige universitaire opleiding genoten, zijne wetenschappelijke kennis mag niet gering geschat worden. Ook in dit opzicht stond hij hooger dan menigeen, die „gestudeerd" heette.
Den eersten tijd is hij predikant en schoolmeester tegelijk geweest, omdat de gemeente, die hem begeerde als haar voorganger, te arm was om het tractement bij elkaar te brengen. Hij preekte driemaal op Zondag en dikwijls vijf avonden in de week, waarbij de kracht van Gods genade zichtbaar werd. Want Waterbeach, een kleine gemeente in de nabijheid van Cambridge, was bekend en berucht wegens de dronkenschap en goddeloosheid der inwoners. Armoede en ellende was er en allerlei uitgieting van ongerechtigheid had plaats. Maar Spurgeon begon te prediken en het behaagde den Heere zijn woord en zijn persoon te gebruiken om een geheelen omkeer teweeg te brengen. „De ergste landloopers van het dorp weenden bittere tranen en zij, die de vloek van den geheelen omtrek waren geweest, werden er nu een zegen voor. Waar vroeger diefstal en allerlei soort van schurkerij in de buurt hadden plaats gehad, hoorde men thans niet meer daarvan, omdat de menschen, die het kwaad pleegden, zich nu in het huis Gods bevonden en zich verblijdden om te hooren van Jezus en dien gekruisigd". „Ik kan met innige blijdschap getuigen" — schreef Spurgeon — „dat tegen den avond in bijna elk huis van het eene einde tot het andere einde van het dorp, godsdienstig gezang werd gehoord, dat in schier elk hart weerklank vond. Tot lof van Gods genade moet ik betuigen, dat het den Heere behaagd heeft wonderen onder ons te doen".
En die wonderen deed de Heere door middel van een 17-jarigen knaap. Het was als de vervulling van de profetie : „en een klein jongske zal ze drijven".
In de twee jaren, die Spurgeon in zijn eerste gemeente is werkzaam geweest, heeft hij meer dan 600 maal gepredikt in zijn gemeente en elders.
In November 1853 kreeg hij onverwacht een uitnoodiging om te Londen te prediken in de kerk van New-Park-Street die toen vacant was en zeer in verval. Na eerst een proeftijd daar te hebben doorgemaakt, werd hij 19 April 1854 in een vergadering der gemeente, na herhaald gebed, met eenparige stemmen tot hun leeraar beroepen, welk toeroep ook werd aangenomen, in het geloof, dat het alzoo Gods wil was. En van dien tijd af tot aan zijn dood is Spurgeon de geliefde leeraar, de talentvolle leider geweest dezer gemeente, die steeds in bloei, wat getal en geestelijken wasdom en werken der liefde betreft, is toegenomen. Het was een biddende gemeente. „Wij hadden" — zoo getuigt Spurgeon — „in de kerk van New-Park-Street bidstonden, waardoor wij tot in het diepst onzer ziel werden bewogen. Ieder man scheen een kruisvaarder te zijn, die het Nieuwe Jeruzalem belegerde; iedereen scheen besloten de hemelsche Stad te bestormen door de macht der voorbidding, en weldra werd de zegen in zoo overvloedige mate over ons uitgestort, dat wij geene plaats hadden om hem te bevatten". (Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's