De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

10 minuten leestijd

Genesis 6 : 3. Toen zeide de Heere : Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is ; doch zijne dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.

3de Serie.
IX.
De steeds voortwoekerende godsdienstige en zedelijke verwording ging gepaard met de symptomen van verval, die heenwezen naar een naderende ontknooping door de voltrekking van het Godsoordeel. De uitverkoren gemeente Gods, hoe klein en onbeduidend zij mocht wezen in de schatting der wereld', had daarvoor een oog. De Geest des Heeren verlichtte haar, zoodat zij het opmerkte niet alleen, maar er ook van getuigde te midden van de God-looze massa. Zoo werd zij gewikkeld in een conflict, want de vijandschap keerde zich tegen haar. Gods Geest worstelde door de roeping en instandhouding Zijner Kerk met die ondergaande oude en eerste cultuurmaatschappij. De Schrift leert ons dit met deze woorden : „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch". Over de vertaling van dezen tekst is er verschil tusschen onze Statenoverzetting en die van Tekst en uitleg, de nieuwe vertaling, waarvan prof. Böhl de auteur is. Deze toch zet aldus over: Mijn geest zal den mensch niet langer toesturen". Oude vertalingen, als b.v. die der Zeventig, zetten over als een niet langer blijven van den Geest, een niet langer wonen des Geestes. Doch hoevele dergelijke omschrijvingen er ook mogen zijn, aan den zin veranderen zij niet. De bedoeling' is ongetwijfeld, ons te zeggen, dat de Heere de werking Zijns Geestes zal inhouden en dat dientengevolge de menschheid aan haarzelve zal worden overgelaten. In Rom. 1 : 24 omschrijft de apostel Paulus dit met deze woorden : „Daarom heeft God hen ook overgegeven in de 'begeerlijkheden hunner harten". Er komt namelijk een oogenblik in de uitgieting der zonde, dat de Heere den mensch met de volle consequentie zijner zonde alleen laat, dat Hij als tot den mensch zegt : „loop dan door in uwe zondewegen", dat Hij den mensch loslaat, overlaat aan zichzelven. Een dergelijke verlating komt voor met den enkelen mensch, wanneer hij aan de gevolgen zijner onbekeerlijkheid en hardnekkigheid wordt overgeleverd. Daarin ligt het ontroerend oordeel Gods over den zondaar in zijne dwaasheid. Zoo deed en doet de Heere met de leugenprofeten. „Ziet", zoo zegt Hij, „Ik wil aan de profeten, die Mijne woorden stelen, een ieder van zijn naaste, die hunne tong nemen en zeggen : Hij heeft het gesproken, „die valsche droomen profeteeren en die vertellen en verleiden Mijn volk met hunne leugenen en met hunne lichtvaardigheid, daar ik hen niet gezonden en hun niets bevolen heb en zy dit volk gansch geen nut doen, spreekt de Heere". En dan komt het oordeel: Wanneer dit volk of een profeet of priester u vragen zal, wat is des Heeren last ? zoo zult gij tot hen zeggen : Wat last? dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de Heere" (Jerem. 23). Dus de Heere gaat weg, zal Zijn volk overlaten aan zichzelf. Dat is het ontzettend einde van den weg van goddeloosheid, van ontrouw, van ongeloof, van verloochening der waarheid, en dus ook van onzedelijkheid en gruwel.
Zoo was nu de toestand der oude wereld ge­ worden. De Heere was lankmoedig over haar geweest, had tot haar gezonden en gesproken door de helden des geloofs van Gods Kerk en het gevolg was geweest, dat zij zich had afgekeerd. Zij ging voort op het pad des verderfs, zij verhardde zich, sloeg de verzenen tegen de prikkels en voelde geen pijn. Zij ging van goddeloosheid tot goddeloosheid. En toen naderde het oogenblik, waarop de Heere zeide : het is genoeg. Zoo zou Hij niet steeds voortgaan, niet bij voortduur kon het alzoo blijven gaan met de menschheid. Er werden toestanden geboren, waarvan moest gelden, dat op deze wijze het menschelijk bestaan onmogelijk werd, want de Heere onttrok Zijnen Geest, hestelde niet langer het recht, deed het schijnsel der gerechtigheid, , die toch voor het menschheidsleven volstrekt noodig is, ondergaan. De lichten des hemels werden alle uitgedraaid en alzoo doolde zij hopeloos in een nachtelijk donker.
De eerste gemeente heeft dezen toestand, waarin de wereld harer dagen verkeerde, verstaan. Zij had er licht over en zij leed er onder. Want het was een weg des lijdens, te moeten getuigen, de waarheid te moeten zeggen, Gods woorden te moeten spreken en dan te weten, dat het al te vergeefs zou zyn: te ervaren, dat haar optreden slechts met vijandschap zou worden beloond. Zoo heeft reeds de gemeente in de oude wereld een openbaringslicht gehad over het wezen van deze cultuur, over de innerlijke verzondigdheid van haar toestaan en over de diepe gronden van haar verval.
Daarmede wordt het ons duidelijk, dat Gods openbaring een licht in zich draagt, dat de wetenschap eeuwen en eeuwen vooruit is geweest. Eerst in het begin der 19e eeuw kwam de wetenschap op, die over de dieper liggende oorzaken, die het cultuurproces bepalen, kennis wist te verwerven, die wel den oorzakelijken samenhang in het cultuurhistorisch proces belichtte, maar tot de laatste oorzaken niet vermocht af te dalen. Gods Woord had reeds eeuwen, ja, had van den beginne dien samenhang reeds geopenbaard, maar het ging in zijne verklaring der verschijnselen daarom zooveel dieper, omdat het licht van des Heeren Geest de verborgenste schuilhoeken des levens bestraalt, ons inleidt in de voor de wereld onbekende en onkenbare afgronden der zonde, waarin de menschheid is verzonken.
En nu is dit zoo treffend, dat zich diezelfde verschijnselen van den ondergang der oude wereld, die zich herhaald hebben telkens wanneer er in de historie der voorbijgegane eeuwen een cultuur tot den ondergang neigde, ook in onzen tijd zoo vreeselijk openbaren. De lankmoedigheid des Heeren hebben de Westersche volken nu eeuwen lang ervaren. De Heere heeft op de puinhoopen der oud-Romeinsche en Grieksche beschaving door den verrezen Christus een nieuwe, eene Christelijke cultuur doen geboren worden. En de zoogenaamde Christelijke volken zijn daardoor niet het minst aan de spits der beschaving gebracht. Zij danken hunnen rijkdom, hunne wetenschap, hunne techniek, en al wat dit moderne leven doet baden in stroomen van licht, aan den onuitputtelijken rijkdom van geestelijke gaven, in Christus bereid. Aan Hem en aan Zijnen Geest danken zij de stuwkracht naar voller ontplooiing der kracht, die In 's menschen schepping naar Gods beeld is geworteld. Aan Hem dankt zij, dat boven het leven der volkeren de Zonne der gerechtigheid opging, die voortwenkt ook naar een menschelijker sociaal bestaan. Hij toch is het, die het schoone vergezicht haar opent op de komst van het Koninkrijk Gods. En zie, zijn niet diezelfde Christenvolken geëindigd met juist tot Christus te zeggen : „Wij willen niet, dat Gij Koning over ons zult zijn" ? De lankmoedigheid des Heeren is daarom zoo groot geweest over de Westersche volken, omdat zij toch niet beter waren dan die andere, die in hun nachtelijk donker voortleefden. Maar nu zien wij ook, dat langzaam maar zeker zich datzelfde oordeel over ons voltrekt, dat de eerste wereld heeft getroffen. De Geest des Heeren wijkt terug. Hij laat de volkeren over aan de consequentie hunner innerlijke God-looze levens-en wereldbeschouwing. En het oogenblik nadert, waarop zij het loon ontvangen zullen, dat zij zichzelven verdienen. Zij zullen onder het juk van den oorzakelijken samenhang, die de Godvergetenheid en het materialisme eenerzijds, de geestelijke en zedelijke ontbinding anderzijds verbindt, doorgaan naar een toekomst, waarin de profetie zal worden vervuld, ons door den Heere Jezus Zelven gegeven: „De Zoon des menschen, als Hij wederkomt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde ? "" Wij izien het voor onze oogen, hoe de waarheid, die naar de Godzaligheid is, uit het oog als verdwijnt. Duizenden zijn er in de Christenlanden, die er niets meer van weten. En onder de duizenden, die er nog wèl van weten, zijn er duizenden, die haar wezenlijk gram zijn, die Gods Woord, zooals het waarlijk spreekt, niet meer willen hooren. Zij houwen zich gebroken bakken uit, die geen water houden. Zij vermeien zich in de wijsbegeerte dezer eeuw, blazen zich op, als ware Salomo's woord, „dat er niets nieuws onder de zon is", in dezen onzen tijd niet meer waar. En in Gods Woord vinden zij niet meer het leven. Zij leven er niet meer uit, hebben er geen lust meer in, zaaien den wind, van hetgeen de moderne cultuur heeft voortgebracht, om den storm te oogsten, die opkomt aan den horizon.
Zoo verzwakte het getuigenis van Gods Kerk in het Westen onder alle volken. Dit is toch zeker wel duidelijk, dat indien er in Europa, in Rusland, in Duitschland, in Italië, in Frankrijk en Spanje, om daarbij ons dan te bepalen, een Kerk Gods was geweest, die waarachtig leven kende, er nooit of te nimmer toestanden geboren waren, als nu heerschen. En in dat groote ontkerstenings-proces is ook Nederland betrokken. Het gaat ook over ons volk, is om ons en in ons, zoodat ook dit volk, dat meer dan eenig ander getuigen kan van de lankmoedigheid Gods, wordt mee gezogen naar de diepte van den ondergang. Het bedenkelijkste symptoom des verderfs is misschien wel juist, dat wie nog beweren aan Gods waarheid te willen vasthouden, dat wie nog zeggen, dat alleen door haar te doen brengen en te doen prediken, er behoud zal zyn, zelven die levende kennis niet meer begeeren, zelven deze tegenstaan, zelven hare vijanden zijn. Zoo diep is de onwetendheid, zoo donker de nacht, die daalde ook over ons volk. En zoo schrijden wij langzaam voorwaarts, glijden af langs de helling in den afgrond des verderfs, dat gewisselyk komen zal. Langzaam geschiedt het, want de Heere is lankmoedig, lang van geduld, maar voor den onbekeerlijken mensch wordt daarom dit langzame verval de oorzaak van nog grooter verblinding. De menschen kunnen het niet zien, dat de dag van heden donkerder was, dan die van gisteren. Eerst als vele dagen, als jaren zijn voorbijgegaan, dan zien zij. En daarom zal het dan te laat zijn geworden. En als het te laat gekomen is, dan zal het oordeel daar zijn, dat komt als een dief in den nacht. Zooals wij mensehen allen van onzen eersten levensdag wegkwijnen naar onzen laatsten, en op die reize maar zeer zelden ernstig denken aan het einde, zoo leven ook de volkeren van dag tot dag en zij merken op het einde niet.
Toch zijn er de klare teekenen, dat ook aan ons volk het woord vervuld wordt over de oude wereld gesproken, door Gods Kerk alleen waarlijk verstaan : „mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch". Er is een grens door den Heere Zelven getrokken. En die grens ligt daar, waar Hij Zich van de volkeren terugtrekt, waar Hij hun geeft hetgeen zij willen. Dan geeft Hij hen over, dan verlaat Hij hen. Dan blijven zij m.et hunne eigene idealen, met hun eigen rijkdom alleen. Dan wordt de wereld, als ware er geen God meer, die haar regeert, als bestelt Hij niet meer het recht onder de kinderen der menschen. Dan breken zij alle banden en toont zich de Satan, die eerst onder hen rondging als een engel des lichts, in zijne ware gedaante, en wordt het woord van den dichter gezien : het verschrikkelijkste aller dingen is de mensch in zijnen waan. Die waan toch is het bedriegelijk beeld, dat de verzondigdheid zijner ziel hem voortoovert, dat hem leidt als het dwaallicht, van ellende tot ellende, waarin ten slotte als van den enkelen onbekeerlijken zondaar, ook van de volken geldt: „Hoe worden zij als in een oogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen. Als Gij opwaakt, o Heere ! dan zult Gij hun beeld verachten".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's