De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

(LEERREDE ter bevestiging van ds. P. Hakkesteegt tot predikant van Mastenbroek, 27 Mei 34)

20 minuten leestijd

Col. 4 : 3. Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des woords opene om te spreken de verborgenheid van Christus.

Onze tekst spreekt
I. over de taak van den evangeliedienaar ;
II. over zijn diepe afhankelijkheid ; a. van de bekwaammakende genade Gods; b. van de ondersteunende voorbede der Gemeente.
I. De apostel acht zich geroepen om te spreken, te verkondigen de verborgenheid van Christus.
Deze uitdrukking, verborgenheid van Christus gebruikt Paulus om aan te duiden het evangelie der genade Gods, dat hij heeft uit te dragen in de wereld. Een enkele keer spreekt hij ook van de verborgenheid des evangelies (Ef. 6 : 19), een andere maal van de verborgenheid van God en den Vader en van Christus (Col. 2:2), heel dikwijls in het algemeen van de verborgenheid, het mysterie, , daarmede echter altijd hetzelfde bedoelend, n.l. het eeuwig welbehagen Gods, In Christus geopenbaard.
Het Grieksche woord mysterie was de Grieken en al de heidensche volkeren dier dagen, tot wie Paulus het evangelie uitdraagt, bekend als een godsdienstig begrip. Daarmede is echter niet gezegd, dat de apostel deze hem bekende naam overneemt in precies denzelfden zin in welken zij dien gebruiken. Veeleer mogen we aannemen, dat Paulus dit begrip met een nieuwen inhoud vult, zoodat, al is het woord ontleend aan het godsdienstig leven der heidenen, wij nochtans voor de verklaring van het woord terug moeten grijpen naar de openbaring Gods onder de oude bedeeling.
God, die in den hemel woont en troont, wordt in de Schrift ook telkens gezegd te wonen in het midden Zijns volks. Jeruzalem is de stad des grooten Konings en in het bizonder is de tempel, is het Heilige der Heiligen in den tempel Zijn troonzaal. Op het verzoendeksel tusschen de cherubim zetelt de Heerlijkheid des Allerhoogsten.
Een van de meest in het oog vallende kenmerken van deze woning Gods is de afgeslotenheid. Er is geen toegang voor den mensch. tot het heiligdom. Niet in dien zin, alsof de deur op slot ware, want eenmaal in het jaar op den grooten verzoendag treedt de hoogepriester daar binnen. Maar het wil zeggen, dat de weg naar het binnenste heiligdom, naar het vaderharte Gods nog niet is geopenbaard.
Het Heilige der Heiligen heeft zelfs geen venster, waardoor de mensch buiten staande een blik naar binnen kan werpen. In het eeuwig welbehagen Gods vermag de mensch van zich zelf niet door te dringen. Hetgeen geen oog heeft gezien en geen oor: heeft gehoord en in geen menschenhart ooit is opgeklommen, dat ligt daar verborgen.
In dit verband moet ook gesteld het woord, dat Gods weg in het heiligdom is. Wij kunnen Gods wegen niet doorgronden. Zijn wijze gedachten niet naspeuren en narekenen, daar Zijn verstand, niet af te meten, ver overtreft al wat wij weten.
Hij, die een ontoegankelijk licht bewoont, wordt nochtans gezegd in de donkerheid te wonen, juist wijl dit hemelsche licht voor ons zoo ontoegankelijk is en Zijn heerlijkheid zich daarin zoo verbergt, dat zij voor ons verborgen is als datgene, wat in de donkerheid zich aan onze oogen onttrekt.
Maar is voor Israël het eeuwig welbehagen Gods niet ontsloten en onttrekt het voorhangsel dit wonder van genade aan de oogen der heilbegeerigen, toch weten zij, dat daar in het verborgene de hooge God woont en troont, ja, woont in het midden van een zondig volk. Hoe zulks mogelijk is, ligt wel voor hen verborgen, maar dat God een God van genade en vergeving is, daarvan zijn zij ten volle verzekerd en daarom is er stille aanbidding in hunne harten, als de Hoogepriester met het bloed ingaat om voor hen en voor zichzelf verzoening te doen.
Aan deze verborgenheid van den weg des levens denkt Paulus, als hij spreekt van de verborgenheid des evangelies of de verborgenheid van Christus. Geen oogenblik vergeet hij daarbij, dat de schaduwen zijn voorbijgegaan en de nieuwe bedeeling gekomen is. Hij weet het wel, dat bij Christus' dood het voorhangsel gescheurd is en het heiligdom geopend. In dezen zelfden brief spreekt hij van de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen en in den Efezerbrief schrijft hij van de verborgenheid, die in andere eeuwen de kinderen der menschen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten door den Heiligen Geest.
In zekeren zin is dus de verborgenheid, van welke hij spreken moet, geen verborgenheid meer. God heeft Zijn Zoon gezonden in de wereld. Wat zij te voren niet verstonden, dat de Christus lijden moest en sterven, is hen opgeklaard onder de verlichting des Geestes. Het eeuwig welbehagen Gods is hen zoo klaar ontsloten, dat zij nu ten volle kunnen toegrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij en toekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.
Juist hier komt aan den dag het groote onderscheid tusschen de verborgenheid des evangelies en de mysteriën van het heidendom. In de heidensche godsdiensten moet men bij de mysteriën denken aan een geheimleer, die verborgen wordt gehouden en alleen aan de ingewijden wordt bekend gemaakt, aan geheime symbolen en gebruiken, aan welke alleen de ingewijden deel mogen nemen. Van zulke verborgenheden weet de Christelijke Kerk niet. Als Jezus door den rechter gevraagd wordt naar Zijn leer, mag Hij met een gerust geweten zeggen, dat allen, die daar staan, getuigen kunnen van wat Hij geleerd heeft, want in het verborgene heeft Hij niet gesproken. En de Gemeente, die in Zijn voetstappen wandelt, zegt Hem dat nog immer na. Zij schuwt met wat zij wil en verkondigt, het licht niet, gelijk de loge der vrijmetselaren, maar komt met haar boodschap tot alle menschen in het openbaar. Geen geheime doeleinden jaagt zij na, gelijk zoo menige politieke partij uit vroeger en later dagen, maar met een geruste consciëntie legt zij haar boodschap voor de overheden des volks neer. En als het soms is gebeurd, dat de gemeente Gods in den nacht samenkwam en in verborgen plaatsen, onder den grond en in afgelegen streken, dan was het niet, omdat zij wat te verbergen had maar wijl de wereld in haar vijandschap haar niet toeliet in het openbaar God aan te roepen.
Als echter deze dingen zoo zijn, en de verborgenheid, van welke de apostel spreekt, in Christus klaar geopenbaard is, is het dan wel juist, dat hij nog altijd blijft spreken van de verborgenheid van Christus en het evangelie ?
Ja, dat is volkomen in orde, wijl deze verbor­genheid niettegenstaande de klare openbaring in Christus nochtans een verborgenheid voor den natuurlijken mensch blijft. Hier geldt nog immer het woord des Heeren : voorwaar, voorwaar zeg Ik u, zoo iemand niet wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Zonder de inleidende, verlichtende en toepassende werking des Geestes blijft het eenvoudigste woord van Gods genade een verborgenheid. Dwaas is daarom het doen van hen, die meenen met hun wijsheid een ander te kunnen verlichten en die denken door verborgene leidingen uit het zieleleven naar voren te brengen anderen den weg des levens te kunnen duidelijk maken. De natuurlijke mensch verstaat niet de dingen, die des Geestes zijn en de prediking des Woords, die niet rust in het vaste geloof, dat de H. Geest zelf de drager is van het Woord, is niet dan dwaze overmoed ; deze predikers zijn hemelbestormers, die straks door de gramschap Gods ter helle zullen worden neergestooten.
Ofschoon misschien nog meer te veroordeelen is het doen van hen, die den eenvoud des evangelies verachten en meenen, dat de verborgenheid des evangelies gelegen is in hun diepzinnige speculaties of in hun gewilde en gezochte allegoriën of in hun zorgvuldig gekozen uitdrukkingen. God heeft de verborgenheid des evangelies niet ontsloten, opdat de mensch zich daarvan meester zou maken en daarmede pronken als met een schat, die zijn roem vermeerdert. In het eenvoudigste woord des evangelies ligt de verborgenheid evenzeer als in het meest diepzinnige en om deze verborgenheid de menschen te doen zien, behoeven wij het evangelie niet te versieren met onze diepzinnigheden, want daarmede keert men Gods weg om en gaat verbergen, wat God juist geopenbaard heeft, terwijl men openbaart een grootdoenerij en pralerij, die beter verborgen hadden kunnen blijven in het diepst des harten.
Met de verborgenheid des evangelies gaat de eenvoud des evangelies gepaard, wijl zonde en genade, twee van de voornaamste momenten in dit mysterie, verborgenheden zijn en blijven, zoolang het hart niet door Gods Geest geopend is voor de eeuwige dingen.
Dit is bij aanvang zoo en zelfs bij voortgang. Ik denk hier aan dien man, die het woord van Gods genade had gegeten en gedronken met een hongerige en dorstige ziel, die geen vreemdeling was van de liefde van den Heiland, die menigmaal had geproefd en gesmaakt, dat God goed was, maar er was wederom een ledigheid in zijn hart gekomen, waarvoor hij geen vervulling wist; hij gevoelde niettegenstaande al wat hij van de goedheid Gods had leeren kennen, een klove tusschen God en zijn ziel, waarvoor hem geen overbrugging scheen te zijn, de klove tusschen den Heilige en den zondaar. Totdat hem een oud werk in handen viel over de rechtvaardiging uit het geloof alleen en hij niet alleen een gezicht kreeg op den Middelaar en zijn eeuwige borggerechtigheid, maar ook zoo werkzaam met Hem werd, dat hij ten slotte op dit fundament door het geloof neerzonk en de volle vrede Gods in zijn ziel werd uitgestort. Toen meende hij een oogenblik — moet ik zeggen in zijn eenvoud of in zijn dwaasheid — dat hij het evangelie, dat in zijn tijd verloren was gegaan, opnieuw ontdekt had, maar hoe verbaasd zag hij op, toen hij eenigen tijd later over dit stuk een klare prediking beluisterde en tot zijn verwondering ook in Zondag 23 van den H. Catechismus de waarheid krachtig en helder zag voorgesteld. Neen, niet onbekend was dit stuk, menigmaal had hij er zelfs van gehoord en gelezen en toch was het hem verborgen gebleven, totdat Gods Geest deze wondere weg van genade voor hem had opgeklaard.
Zoo is de weg des levens in Christus klaar geopenbaard en kan nochtans gesproken worden van de verborgenheid des evangelies.
Daarom heeft de dienaar des evangelies niet te doen dan in alle eenvoud het evangelie der genade te prediken, dat oude evangelie, dat altijd al gepredikt is en allen bekend kan zijn en dat nochtans immer nieuw is en telkens weer nieuw wordt, als Gods Geest ons verstand geeft om het te verstaan.
De verborgenheid des evangelies beteekent niet, dat het evangelie een doolhof is, waarin men slechts met groote moeite en inspanning den weg kan vinden; de weg des levens is zoo eenvoudig, dat een klein kind hem bewandelen kan ; de armen van geest zien hem vlak voor hun voeten liggen, maar de wijzen en verstandigen loopen hem voorbij zonder dat zij het merken.
De dienaar des evangelies heeft in alle eenvoud het evangelie der genade te prediken en toch is dit werk nog niet zoo eenvoudig en zoo gemakkelijk als menigeen denkt.
Wie het evangelie leerde kennen als de verborgenheid van Christus als het groote mysterie, die weet, dat de mensch zich daarvan niet meester kan maken en daarmede niet werken kan als de timmerman met de hamer en de bijtel. Want een klinkend metaal of een luidende schel begeert de ware dienstknecht niet te zijn ; hij weet, dat hij Gods Woord heeft te brengen in betooning des geestes en der kracht. Daarom is hij zuchtende om en uitziende naar de bekwaammakende genade Gods. Dat God hem de deur des woords opene, is Paulus een onmisbare zaak. Deze uitdrukking „de deur des woords openen" kan verschillend worden verstaan.
In I Cor. 16 : 9 schrijft de apostel, dat hem een groote en krachtige deur is gediend, ofschoon er vele tegenstanders zijn en in 2 Cor. 2 : 12 dat, als hij te Troas kwam om het evangelie te prediken, hem een deur geopend was in den Heere. Hij bedoelt daarmede te zeggen, dat God zelf reeds bezig was de akker te bereiden voor de opname van het zaad des evangelies en tal van harten geopend had om op te merken op het woord des levens. In dien zin willen sommige uitleggers ook de uitdrukking uit onzen tekst verklaren. Er zijn echter tegen deze verklaring gegronde taalkundige bezwaren in te brengen, zoodat wij ons liever houden aan een andere verklaring, die ook in het verband beter past.
In Psalm 141 bidt de dichter : Heere, zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen. Het is den oosterling eigen een dergelijk beeld de deur der lippen te gebruiken, maar de godvruchtige wordt daaraan gekend, dat hij God bidt om de wacht over hem te houden, dat geen verkeerd woord zijn mond ontglippe, dat hij eveneens bidt, dat God zijn mond opene om den lol des Heeren te verkondigen. (Ps. 51 : 17).
In het bewustzijn van deze zijn afhankelijkheid vraagt de apostel ook in de Efezerbrief (6 : 19), dat de Gemeente voor hem bidde, dat hem het woord gegeven worde in de opening zijns monds met vrijmoedigheid om de verborgenheid des evangelies bekend te maken.
Er is veel voor te zeggen om de bede, dat God hem de deur des woords opene te nemen in denzelfden zin als de bede, dat God hem het woord geve in de opening zijns monds. De deur des woords beteekent dan hetzelfde als de deur der lippen en de bede is een vertolking van des apostels afhankelijkheid in alle dingen. Hij heeft het noodig, dat God zijn mond opene, opdat hij een geschikte bazuin zij voor den H. Geest om zijn getuigenis te doen uitgaan.
Aan de eene zijde dreigt er gevaar, dat zijn mond gesloten blijft en aan de andere zijde, dat hij niet spreekt, gelijk hij moet spreken. Daarom kan hij de ondersteunende bekwaammakende genade Gods niet missen.
Vrees voor de menschen is soms een van de hoofdoorzaken, die den mond toesluiten.
Laat ik maar niet uitweiden over de gevolgen, die aan de prediking van het evangelie in Paulus' dagen dikwijls verbonden waren. Dat Paulus soms alleen stond voor zijn rechters, gelijk hij in een van zijn brieven klaagt, doet zien, dat die vrees menigeen deed terugdeinzen voor de hemelsche roeping.
Al zijn de gevolgen in onze dagen onder ons van gansch anderen aard, al zijn er misschien heel geen gevolgen aan verbonden, toch is ook nu vrees dikwijls de oorzaak, dat gezwegen wordt, terwijl een goed getuigenis van den Heere en iZijn dienst moet afgelegd. We kunnen deze vrees ook valsche schaamte noemen. Een enkele maal kleedt hij zich in het kleed van menschelijke toerekening om niet herkend te worden.
Ieder dienaar des evangelies, die van nature niet tot de brutalen gerekend kan worden, heeft met deze vrees te strijden. In het eene gezin moet hij een verborgen afkeer, die zich niet in woorden uit, maar toch voel-en tastbaar is, doorbreken, in het andere moet hij een vloed van woorden, die bedoelen af te leiden, afsnijden om plaats te maken voor zijn boodschap. Dan kan niet alleen vrees, maar ook wel eens een zekere moeheid des geestes oorzaak zijn van zwijgen. 'pit doet den dienaar des evangelies zuchten uit het diepst van zijn hart tot God, dat de Heere zijn lippen opene, opdat hij zich door niets late weerhouden en hij op het gepaste oogenblik en op gepaste wijze de menschen moge prediken de boodschap Gods van de bekeering en de vergeving der zonden.
Menigmaal, ik wil het wel bekennen, heb ik mij voor God geschaamd over mijn vreesachtigheid en de vrijmoedigheid van anderen benijdde ik dan, maar in zulke gevallen was het mij soms een troost, dat ook de apostel tot God om de opening zijns monds zuchtte, opdat hij met vrijmoedigheid mocht spreken en ik dacht: laat ik deze weg van afhankelijkheid maar blijven betreden, misschien opent de Heere niet alleen mijn lippen, maar ook het hart der hoorders, zoodat, al wordt er met tranen en zuchten gezaaid van wege de hardigheid van den bodem, er straks met gejuich mag worden gemaaid.
Er is echter niet alleen gevaar om te zwijgen. er is ook gevaar om anders te spreken dan men moet spreken.
De verkondiging van de verborgenheid des evangelies is een heilige zaak, die niet met onheilige handen mag worden aangevat en niet met onheilige lippen mag worden verricht.
Wie het evangelie brengt als een gramophoon, die slechts behoeft opgedraaid te worden en zij loopt af, is geen rechte diensknecht van God. En zooals volgens de Heiland het ware gebed niet bestaat in een veelheid van woorden, zoo bestaat ook de ware prediking niet in de veelheid van woorden, die gebruikt worden. Zelfs ontbreekt ook hier in de veelheid der woorden de overtreding meestal niet (Spr. 10 : 19), wijl zij meer moeten dienen om de belangrijkheid en begaafdheid van den prediker dan de beteekenis van de boodschap te doen uitkomen.
Och, hoe zal een nietig zondig menschenkind op waardige wijze het eeuwig evangelie vertolken, een boodschap van den God des hemels op ongeschonden wijze aan zijn medemenschen overbrengen ?
Het is geen wonder, dat ook Paulus zich onbekwaam daarvoor gevoelt en daarom om bekwaammakende genade bidt, vraagt, dat God hem leere spreken, gelijk hij moet spreken, opdat het heilige door hem niet bezoedeld worde, maar hij de boodschap Gods ongeschonden doorgeve.
Welk een ootmoedig en nederig hart is er al niet noodig om niet anders dan een boodschapper te zijn en altijd weer terug te treden voor zijn Zender en zijn zending, opdat die het gehoor ontvangen, dat hen toekomt.
En had men voor stoelen en banken te prediken, ja dan kon men zijn les van buiten leeren en immer weer van buiten opzeggen zonder eenige fout maar nu men menschen de boodschap Gods heeft te brengen, mag men deze menschen niet behandelen als waren zij stukken hout. De massafabrikage onzer dagen kan in Gods koninkrijk niet ingevoerd worden. Hoe onderscheiden zijn der menschen karakters en levensomstandigheden en inzichten^ hoe zal men hen recht duidelijk maken, dat zij allen slechts één ding van noode hebben, hoe zal men den weg tot hun hart vinden ?
Wij bidden u van Christus wege, alsof God door ons bade ; welk een christelijke liefde tot het heil der zielen komt in zulk een woord tot openbaring. Wie wordt altijd door zulk een liefde gedreven by zijn arbeid ?
Och, wat is het gevaar groot, vooral bij de prediking van Gods oordeelen om harde en liefdelooze woorden te spreken om in natuurlijke trotschheid of geestelijke opgeblazenheid zich verre boven de menschen verheven te wanen en dan in opvallende nederigheid zich tot hen neer te buigen, om onder een Schijn van vroomheid de menschen te vleien en naar den mond te praten. Als we oogen hadden om te zien, zouden we bemerken, dat als een dienaar des evangelies uitgaat om het woord te prediken, om huis-of ziekenbezoek te doen, de duivel altijd mede op stap gaat om zijn arbeid tel verijdelen. En de last, die een dienstknecht Gods van dezen makker heeft, doet hem vaak in droefheid opzien naar boven en God bidden om de leiding van Zijn Geest, opdat hij het Woord spreke, gelijk hij moet spreken.
Eenige begaafdheid voor het werk, voor alle werk, ook voor dit werk is een belangrijke en onmisbare zaak, maar een afhankelijk leven, waarin men immer den Heere en Zijn Geest noodig heelt voor het werk, is van nog meer beteekenis. Dan wordt Gods kracht in der menschen zwakheid volbracht.
Doch de apostel weet zich niet alleen van de bekwaammakende genade Gods afhankelijk, hij heeft tevens de voorbede der Gemeente noodig om deze genade Gods in zich werkzaam te zien. In onze dagen dreigt deze behoefte, dreigt dit afhankelijkheidsbesef wel eens te versterven. Allerlei oorzaken werken daartoe mede. Het individualisme, waarbij alle nadruk gelegd wordt op de persoonlijke verhouding tot God en de persoon als een op zich zelf staande enkeling wordt gezien in plaats van een lid dier Gemeente, die tot één lichaam is samengevoegd, oefent hier bovenal een verwoestende kracht. De hoofdzaak is echter, dat de geestelijke wereld te weinig werkelijkheid heeft, de wereld der booze geesten evengoed als de wereld der geestelijke krachten. Zooals in deze wereld eendracht macht beteekent, zoo ook in den geestelijken krijg. Aaneengesloten in geloof en gebed zijn Gods kinderen voor den overste der wereld een te vreezen macht, maar uit elkander geworpen is er van een aanval geen sprake en hebben zij werks genoeg om zich tegen hem te verdedigen en staande te houden.
De dienaar der Gemeente, die het gemeenschappelijk gebed leerde zien als een machtig wapen in den geestelijken strijd, zal behoefte hebben aan de voorbede der Gemeente. Daarin zal gezien worden, dat God met hem is, dat biddende handen worden opgeheven om den arbeid. dien hij niet alleen verricht, waarin hij slechts de. leiding heeft, te dragen en te doen slagen. Want het is geen ijdel woord, dat Jezus eens sprak, toen Hij zeide : dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten.
En de Gemeente, die oog gekregen heeft voor de waarde der geestelijke krachten in den strijd tegen het rijk der duisternis, zal verstaan, dat de zegen op den arbeid niet van den prediker komt, maar van boven, dat daarom de ondersteuning des Geestes den prediker onmisbaar is, maar — en dat is weer een van die wondere wegen Gods — dat hem de Geest des Heeren voor den arbeid niet geschonken wordt dan op de voorbede der Gemeente.
Een geestelooze Gemeente kan en mag niet verwachten, dat de voorganger arbeidt in betooning des geestes en der kracht. Een biddelooze Gemeente kan en mag niet verwachten, dat de armen van den voorganger altijd ten hemel zijn opgeheven.
Maar omgekeerd heeft de evangeliedienaar, die zich zelf zoekt en slechts zijn eigen huis bedoelt te bouwen, wel te bedenken, dat hij het gebed der Gemeente verhindert en in plaats van de opgeheven handen te ondersteunen en mede te strijden in den gebede, slaat hij ze met zijn zelfzucht en geesteloosheid neer.
Gemeente en leeraar hebben elkander noodig. Verstaan zij beide hun afhankelijkheid in alle dingen Van de bron der genade, zoo zullen zij te saamen als in een gemoed strijdende zijn in de gebeden. Zonder dit afhankelijkheidsbesef zullen zij echter elkander in den weg staan en misschien zullen zij tezamen worden verdorven, tenzij God in Zijn goedheid de oprechte en verdrukte te hulp komt en hen van elkander bevrijdt.
Daarom ligt in deze waarheid voor u, broeder Hakkesteegt en voor u Gemeente van Mastenbroek een ernstige waarschuwing en vermaning. Verwacht het niet van elkander en stel geen vleesch tot uw arm; de Geest des Heeren, die den dorren akker bloeiende maakt, komt niet op uit den mensch, uit het hart van den prediker, evenmin als uit het midden der Gemeente; deze Geest is van boven en wordt alleen van God gegeven.
Maar geeft ook niet elkander de schuld als het niet goed gaat en de zegen op den arbeid niet wordt gegeven. Dikwijls meent een deel der Gemeente, dat het slechts toeschouwer heelt te zijn bij den arbeid in 's Heeren wijngaard. Juist dit deel is onmiddellijk gereed, om te oordeelen en te veroordeelen, al ontken ik niet, dat eenzelfde geest ook menig prediker verleidt om op zijn Gemeente al te geven en in schandelijke liefdeloosheid op haar geesteloosheid te schelden.
Prediker en Gemeente belde zijn verantwoordelijk voor den gang van zaken; dat gij dan beide in verootmoediging u moogt buigen voor het aangezichte Gods om de handen te vouwen tot gemeenschappelijk gebed en in dien weg elkander ter hulpe te komen. Toen de discipelen eendrachtig volhardende waren in het gebed, is de Geest uit den Hoogen op hen neergedaald:

Ouderkerk a. d. IJssel

Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's