VAN DEN WOORDE GODS
DIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 3. Toen zeide de Heere : Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is ; doch zijne dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.
3de Serie.
X.
De mensch, geschapen naar den beelde Gods, was bestemd om de heerlijkheid van den Schepper te openbaren in eene volkomen harmonische vereeniging met den Heere. Hij was geroepen alzoo in de volle ontplooiïng van zijn wezen de deugden te verkondigen Desgenen, die hem geschapen had. Het goddelijk Wezen zelf moest juist aan den mensch, maar ook in en door den mensch tot volle openbaring komen. Vanwege deze hooge, edele roeping, die hier op aarde aanvangt en in de eeuwige heerlijheid langs den weg der verbondsgehoorzaamheid moest eindigen, wordt nu ook het feit der zonde zoo schrikwekkend, zoo geweldig. De val verkeert den mensch als in zijn tegendeel. In stede van het licht der eeuwige heerlijkheid te betreden, zinkt Hij weg in. het nachtelijk duister, treedt hij voort door een dal van doodsschaduw en wordt zyn voet gericht naar de buitenste duisternis, waar weening zijn zal en knersing der tanden. Hy, die de beeltenis Gods draagt, die Gods deugden moet verkondigen, die den jubel van des Heeren majesteit moet aanheffen als het hoofd der gansche schepping, die haar profeet en haar priesterlijk koning moet zijn, wordt in zijn val een wezen, dat in zijne innerlijke verdorvenheid eene onherstelbare breuk slaat in zijne verhouding tot den Schepper, zoodat de wanklank der zonde het kosmisch leven aan zijne bestemming onttrekken zou, indien de Heere niet zeide: „Ik, Ik ben de Heere, en er is geen Heiland behalve Mij", Ja, indien Hij niet de Onveranderlijke was, in Wien geen schaduw van ommekeer is, dan zou met dien val de Heere zelve onttroond zijn en Zijne gansche schepping, aan Zijne heerschappij onttrokken, gebracht zijn onder Satans macht. Het schepsel zou den Schepper hebben onttroond en Gods souvereiniteit zou verkeerd zijn in slavernij. Daarom, als Hij ziet, dat er geen Voorbidder is, dan ontroert Hij vanwege de zielen, die Hij gemaakt heeft en beschikt Hij een Borg en een Middelaar, die machtig is om te verlossen, dan herschept Hij en roept Zich een volk uit die duisternis tot het wonderbare licht des levens. Doch de gevallen zondaar zelve vermag niet van uit zijn dood weder te keeren tot het leven. Dat er nog een volk is, dat naar Hem vraagt, is de vrucht van de vrijmacht des ontfermens, komt op uit die wondere, wederbarende daad, waardoor de in zichzélven verstorven zondaar tot Hem wederkeert en andermaal, maar nu in den Middelaar, het beeld van God in onbevlekte heerlijkheid draagt. Maar daarvoor is dan ook naast het Wonder der schepping, het wonder der herschepping noodzakelijk. En dat wonder heeft de Heere gedaan door terstond na dèn val in den eersteling van ons geslacht de kiem te leggen der genade des levens en Christus te stellen als den tweeden Adam, als het nieuwe Verbondshoofd, die als de uitverkorene Gods het Hoofd is der gemeente Zijner uitverkorenen.
Zoo loopt er dan ook door de oude wereld de gulden draad der verkiezing, waarin het verbond der genade onwrikbaar vast ligt, waaruit Gods Kerk als Christus' lichaam opkomt. Deze Kerk is er dus van het begin Mer wereld en zal zijn tot haar einde. Zy is er ook dan, zooals onze Confessie zegt, wanneer „zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menschen". Zoo was zij er ook in de dagen, waarin de oude wereld neigde tot haren ondergang. Deze was overgegeven aan de vrije ontwikkeling harer zonde en al de gevolgen daarvan moest zij dragen. De Heere bond de werking Zijns Geestes in, liet haar alleen met zichzelve, de twisting Zijns Geestes bracht Hij tot zwijgen: „Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten .met den mensch". De menschen begrepen het niet, hadden er geen oog voor, leefden zonder eenig besef van God en goddelijke dingen, enkel en alleen naar het goeddunken van hxui boos hart. En de Heere zag, dat er niets meer te wachten viel van deze in haar verderf opgaande menschenwereld met haar cultuurwedde, met haar perverse sexueele leven, met de gruwelen harer ongerechtigheid. En daarom, er zou een einde komen aan hare valsche verwachting, aan de gruwelen harer goddeloosheid. Zoo blijkt ook hieruit, dat de Heere de wereld regeert, niet naar willekeur, maar naar vaste, onbreekbare wetten, waaraan de menschheid zich niet ontworstelen kan, ook al tracht zij zich te verlossen van het juk der gevolgen harer zonde. Want dit is juist het eigenaardige in het zondeproces: wanneer de mensch gebracht wordt onder den druk van het lijden, dat in de zonde wegschuilt, dan deinst hij daarvoor terug, ook al blijft hij de zonde zelve koesteren in zijn hart. Haar geeft hij niet prys, al worstelt hij om aan haar vloek te ontkomen. En de ervaring leert het telkens opnieuw aan den enkelen zondaar, leert bet ook aan de volken der wereld in den ondergang hunner cultuur, dat die vrijmaking van den vloek niet wordt bereikt. Ja, zoodra de mensch de smartgevolgen der zonde begint te voelen, maakt hij zich op daaraan te ontkomen. Hij grijpt naar de hulpmiddelen, door de practijk hem aan de hand gedaan. De wellusteling vlucht naar den geneesheer, de dief naar den advocaat, de leugenaar grijpt naar nieuwe leugen en de man, die door zijn consciëntie wordt aangeklaagd, naar den sleutel der eigengerechtigheid en naar de valsche verontschuldiging. Alleen de aan zichzelven door Gods Heiligen Geest ontdekte zondaar komt tot den Heere, zijnen God en buigt zich neder in stof en asch en vindt de redding, die hy behoeft. Doch al die anderen komen teleurgesteld uit, worden beschaamd in hunne verwachtingen en vinden nimmer wat zij waarlijk behoeven. Ten laatste blijft hun met al hunne worstelingen om redding, toch nog het gevolg der zonde, dat de Heere er onlosmakelijk aan heeft vastgesnoerd.
En wat van den enkelen zondaar geldt, is ook waarheid van geheele volken. Ook zij zijn onderworpen aan de noodwendigheid der gevolgen, veroorzaakt door hunne zonde. Zie slechts naar onzen eigenen tijd. Wij herinneren het ons, hoe de laatste eeuw een blinkenden opgang vertoonde van steeds rijker wordende cultuur en steeds gruwelijker Godvergetenheid. De zedelijke ontbinding was het noodzakelijk gevolg der steeds toenemende sociale weelde. De verantwoordelijkheid scheen gestorven in de massa, alle ordinantie Gods werd uit het oog verloren. Het eeuwig licht ging onder over dit moderne leven. En hoe meer de druk der nooden toenam, hoe meer de moderne menschheid hulp èn redding zoekt bij zichzelve, bij hare wijsheid en wetenschap, bij hare verlichting en cultuurkracht. Zij zal zichzelve verlossen uit de boeien der crisis-ellenden en zij vlucht tot de afgoden dezes tijds en zij hoopt en blijft hopen zonder te beseffen, dat er ook in het zondeleven der volken wetten heerschen, die zij niet kunnen afschudden. Zoo gaat de moderne menschheid hoopvol naar haren ondergang. De Heere bindt de levendmakende werkingen Zyns Geestes in en zij zinkt weg in diepten van geestelooze verdorring, hen zoekend in vormendienst en heidendom, in superstitie en ongeloof.
En zooals het drama van den ondergang zich schier onmerkbaar afspeelt voor onze oogen, zoo is het nu steeds gegaan. Langs een weg van enkele eeuwen voltrekken zich die historische processen en is ook de oude wereld ondergegaan. Er kwam en er komt een oogenblik, waarin tot de crisis van den ondergang als besloten wordt. Zooals de verharde zondaar ten laatste toch in Gods handen valt, zoo wordt ook het vonnis over de volken voltrokken. Ten slotte is er geen keeren meer mogelijk, zooals de wassende stroom door de dijken ten laatste niet kan worden geboeid. Door alles en over alles breekt de watervloed los. Alzoo komen ook de oordeelen Gods onweerstaanbaar op, alle menschelyke wysheid tot dwaasheid makend, alle waan van de grooten dezer aarde bespottend. Er komt een oogenblik, waarop de mensch, die onbekeerlijk is, wordt overgelaten aan zichzélven, zooals er ook voor de volken en zelfs voor de kerkgemeenschappen, die weigeren zich tot God te bekeeren en een compromis sluiten met de wereld, dus in wereldgelykvormigheid ondergaan, de dag komt, waarop de Heere met de twisting zyns Geestes ophoudt. En de oorzaak daarvan wordt ons nu ook geteekend in deze woorden : „dewijl hy ook vleesch is". Dat is de teekening van den zondestaat der oude wereld, maar niet alleen van haar. Deze woorden geven ons een juist inzicht in den toestand na den val. De mensch is vleesch.
Door deze uitdrukking wordt ons het karakter des menschen geteekend. Het woord „vleesch" teekent ons den mensch in zyn anti goddelyk wezen. Tegenover den „Geest" des Heeren verschynt hier de mensch als „vleesch", dus in zyne diepe verdorvenheid, als bewogen door zyn hartstocht en dierlyke lust, door zyne lage begeerten en valsche driften. Het beestelyke in den mensch wordt met het woord „vleesch" genoemd. De beelddrager Gods was door zyn val in misdaad en zonde vleesch geworden. Zooals de dieren niet anders kennen dan onderworpenheid aan natuurlyken drang, dan een voortgedreven worden door den trek hunner natuur, zoo is ook de mensch door zyn val gebracht onder het juk van gevoelsneiging en passie, dewyl de teugel van hoogere geestelyke beginselen, de leiding van hooger licht, hem ontzonk. In de oude wereld as dit zondeleven tot zulk eene ontplooiïng genomen, dat haar samenleving niet meer mogelijk was. Een wereld, die alleen maar geleid wordt door een bruut materialistisch streven, is gedoemd tot ondergang. En voor andere, voor hooger idealen was de oude wereld niet meer ontvankelyk. Het zondeproces was in haar tot een hoogtepunt opgeklommen. Zy was vleesch, haar bedenken was de dood, was vyandschap tegen God. zy leefde naar het vleesch en dus moest hy sterven. De gemeente Gods was weggeslonken, zoodat van haar nauwelyks meer iets was te speuren. Haar invloed was niet meer merkbaar, zoodat het getuigenis des Geestes zweeg. Alle hoogere levensideaal ontzonk haar, zoodat het besef van goed en kwaad haar ontviel, daar zij als verkocht was onder de macht der zonde. Het geweten schroeide dicht, de sprake van Gods recht werd niet meer beluisterd, zoodat de verzondigdheid van haar bestaan eene natuurlijke zaak voor haar geworden was. En daarom de toestand, waarin deze wereld verkeerde, was hopeloos, zooals het hopeloos is voor den mensch, met wien de Heere niet meer twist. Zoolang er nog eene twisting is, zoolang kan er nog verwachting zijn, dat er bekeering komen zal. De Heilige Geest toch openbaart Zijne werkzaamheid in de overtuiging van zonde, gerechtigheid en oordeel. En als dit getuigenis zwijgt, dan bleef slechts over de heerschappij des vleesches en wordt het vonnis voltrokken, dat in de onbekeerlijkheid ligt opgesloten.
De oude wereld kon Gode niet meer behagen. Zoo was dus het oordeel besloten en werd zij aan het natuurproces harer zonde overgelaten, waaraan zich weldra de groote wereld-catastrophe aansluiten zou. Nog een tijdlang zou zij haar leven voortslepen, totdat de dag kwam, waarop het recht Gods zou doortrekken. Maar voordat zulks geschiedt, wordt ons nu nog meegedeeld, dat er ook in het leven dier menschheid eene verandering ingetreden was. Naar de wijze, waarop het ons wordt meegedeeld, hing deze saam met de onbekeerlijkheid van haren staat. Tot nu toe werden de menschen, naar onzen maatstaf gemeten, zoo oud, dat de moderne mensch bij die getallen weigert aan historische mededeeling te gelooven. Een leeftijd van bijkans tien eeuwen als Methusalag te beurt viel, krijgt voor den modernen mensch een legendarisch karakter. Dat de traditie van Gods Kerk ook uit die oude tijden zich bewust is van diepgaande wijzigingen ook in den levensduur der menschen, blijkt hier weder duidelijk, als ons van de menschen dezer tot ondergang bestemde wereld wordt gezegd, dat zijne levensdagen werden ingekrompen tot honderd en twintig jaren. De jaren werden ingekort, omdat een langer levensduur geene beteekenis meer hebben kon voor zijne eeuwige bestemming. Het zou nu snellijk worden afgesneden, want de oude wereld ging door Gods verbolgenheid heen. Zoo werd zij eene blijvende waarschuwing voor alle volgende geslachten en staat de oude wereld tot aan het einde der dagen als een teeken, waarop de Heere ook nu nog den zondaar en de wereld der zonde wijst, opdat zij zich tot Hem bekeeren zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's