KERKELIJKE RONDSCHOUW
NOG EENS : DE SYNODALE VOORSTELLEN EN DE CLASSICALE VERGADERINGEN.
Wij willen nog even terugkomen op hetgeen we reeds schreven over de Synodale Voorstellen, die op de a.s. Classicale Vergadering, op Woensdag 27 Juni te houden, zullen worden behandeld. Men heeft het wel gemerkt, dat wij 't liefst tegen al die voorstellen stemmen. Het loopt nu de spuigaten uit, dat men alles, letterlijk alles wil gaan reglementeeren, zelfs wat totaal overbodig is. De Hervormde Kerk loopt zoo langzamerhand heelemaal op krukken !
Gelukkig, dat wij niet alléén staan. En wij hopen van harte, dat de Synode door héél het land zal voelen, dat de plaatselijke gemeenten van deze en dergelijke reglementsvoorschriften niet gediend zijn.
Nu zouden wij er niet meer over geschreven hebben, ware het niet, dat dr. Berkelbach van der Sprenkel, van Amsterdam, in het Algem. Weekblad ongezouten te keer gaat tegen de afwijzende houding, die men ook daar tegen de Voorstellen heeft aangenomen.
En dan vooral wat de Groote-Stads-Voorstellen betreft.
Wij willen er nog eens aan herinneren, dat toen wij zelf door de Synode in een Commissie voor de Groote Steden benoemd werden, wij bedankt hebben voor de eer en daarvan in een breedvoerig schrijven hebben mededeeling gedaan. Wij voelden, dat men, zonder band aan de belijdenis, allerlei rechten en machten wilde gaan uitdeelen aan Groote-Stads-Kerkeraden, waarvoor wij onder de huidige organisatie niet weinig bang zijn. En 't blijkt nu wel, dat onze vrees niet ongegrond is geweest.
Dr. Berkelbach schrijft, dat hij de verantwoordelijkheid van de Kerkeraden — Groote-Stads-Kerkeraden zijn hier bedoeld — „enorm" wil doen groeien. En dat, waar er niet zelden vogels van diverse pluimage in de Groote-Stads-Kerkeraden zitten, waarbij eenige „vrijheid" bij kerkdijken-en geestelijken arbeid (onder de huidige omstandigheden) zéér, zéér gewenscht is voor de predikanten.
Natuurlijk moest — onder presbyteriale Kerkregeering, met band aan de belijdenis — een Kerkeraad véél meer te zeggen hebben dan nu. Wij zijn principieel tegen dominocratie. Niet een dominé moest kunnen uitmaken, hoe de leiding van de godsdienstoefening is, of b.v. alleen Psalmen of alleen Gezangen, of Psalmen én Gezangen zullen worden gezongen, of de Heid. Catechismus wel of niet zal worden gepredikt, of de Formulieren van Doop en Avondmaal zullen worden gelezen, of er Bijbellezingen zullen worden gehouden, of er Vereenigingsgebouwen zullen worden gesticht, hoe de Jeugdorganisatie, hoe het Zendingswerk zal worden ingericht.
Maar onder de huidige omstandigheden (hoezeer we voor een presbyteriale Kerkregeering voelen) denken we er niet aan, om mee te werken, dat de Kerkeraad in de Groote Stad de rechten krijgt, die in een wèlgeordende Kerk aan den Kerkeraad toekomen, zoolang de Synodale Organisatie heerschappij voert en men in een Groote-Stads-Kerkeraad elk oogenblik (door het Kiescollege, maar ook zonder Kiescollege wel) mannen kan krijgen, van de meest uiteenloopende geestelijke-en kerkelijke gevoelens. Indien onder die omstandigheden (waar de Kerkeraad zelf niet anders gebonden is, dan aan persoonlijke sympathieën en antipathieën ) de verantwoordelijkheid „enorm^' groeit, zijn wij o! zoo bevreesd, dat de dingen, die nu nog „in 't huisje" te houden zijn, totaal verkeerd zullen gaan !
Verbeeld u, dat de Kerkeraad van Dordrecht, van Haarlem, van Utrecht, van Amsterdam enz. enz., alle rechten krijgt, die aan een Kerkeraad moesten gegeven worden, als we een geordend kerkelijk leven hadden, waarbij we samen aan Gods Woord en de belijdenis gebonden waren — nu dat laatste absoluut ontbreekt ! Waar moet het met de prediking, met het godsdienstonderwijs, met het ambtelijk werk heen, als men rechten geeft aan degenen, waarvan men in geestelijke-en kerkelijke dingen de wonderlijkste dingen te wachten heeft ?
Mogen we eens een voorbeeld noemen ?
Onlangs kregen we een no. van „Staat en Kerk" toegezonden, waarin een berichtje voorkwam, dat toch eigenlijk aan ds. Van Dorp, in Den Haag, verboden moest worden, dat hij met busjes e.a. zooveel geld voor den Gereformeerden Zendingsbond enz. ophaalde, dat buiten Den Haag besteed werd en dat de Haagsche gemeente zelve zoo goed zou kunnen gebruiken ! En de vraag werd gedaan : „of de Kerkeraad van Den Haag hier, tegenover een van de Haagsche predikanten, geen roeping had, om dat voortaan te verhinderen".
Wij zouden zoo'n onzinnig bericht niet „doorgeven", als men nu niet speculeerde op de ouderlingen, dat zij toch vooral vóór de Synodale Voorstellen zullen stemmen, het valsch getuigenis gebruikend, dat de predikanten aan de ouderlingen niet gunnen de rechten, die toch aan de opzieners der gemeente toekomen !
Wij hopen, dat vooral de ouderlingen hier niet zullen „invliegen". Want laat men er zich van bewust zijn, dat het voornaamste, wat voor een gezond kerkelijk leven noodig is, helaas ! ontbreekt in onze Ned. Hervormde Kerk. En dan houden we niet zelden ons hart vast, als men „enorm" z'n waardigheid gaat voelen als ouderling en „enorm" wil opkomen voor „ons kerkelijk leven".
„Ons kerkelijk leven" heeft in de Groote Stad, op die manier, al heel wat gezegend kerkelijk leven in den weg gestaan en bedorven !
Als dr. Berkelbach dan nu zoo warm loopt in het Algemeen Weekblad en beweert, dat alles „kerkelijk" moet gemaakt worden (dat is in den laatsten tijd bij sommige Ethischen een „bevlieging", dat alles „kerkelijk" moet gemaakt worden, terwijl men over de kerkelijke belijdenis liever maar niet spreekt, of er liefst maar over heen glijdt) en zegt „dat de Kerkeraden in allen geval contact moeten hebben" (let op dat i n allen geval), dan zegt hij dat in verband met den w ij kar beid, wat eigendommen, gebouwen, bezittingen, bijbellezingen, godsdienstoefeningen, stichtingen enz. enz., betreft ; en dat de Kerkeraad van allen „vrijen arbeid een overzicht moet hebben" enz. Ook dat de Kerkeraad het recht moet hebben alles te visiteeren en om de vijf jaar 't recht moet hebben een predikant van wijk te doen verwisselen. En dat, waar bijna altijd alle stichtingen, gebouwen, eigendommen, vereenigingen, enz. enz. zonder medewerking van Kerkeraad en Kerkvoogden door den wijkpredikant met zijn wijkcollege en menschen in en buiten de wijk in het leven zijn geroepen en in het leven zijn gehouden. Dat alles moet nu in contact gebracht worden met het kerkelijk organisme; en „in allen geval" moet er visitatie enz. komen.
In dat verband wordt nader over de Wijkverdeeling door de predikanten gesproken, alsof dat zonder den minsten ernst en zonder het minste overleg in het Ministerie van predikanten geschiedt, wat een valsch getuigenis is. Alle klein gedoe wordt er bijgehaald (zonder namen en feiten te noemen) om de ouderlingen op te zetten tegen de predikanten, wat sommige menschen, ook sommige ouderlingen misschien, waarschijnlijk heel mooi en flink noemen. Zoo wordt er b.v. gezinspeeld op allerlei „schandalen" inzake de vacantie van predikanten in de stad. Natuurlijk zonder namen te noemen. En nu moeten alle predikanten in de stad onder curateele worden gesteld en de Kerkeraad moet voortaan de vacantie van de dominees regelen !
Elke bewaarschoolonderwijzeres heeft 's zomers vier weken vacantie, benevens met Kerstfeest, Paschen, Pinksteren, en dan nog in October met de herfstvacantie. Ze kunnen dan zonder eenige zorg vacantie nemen, terwijl de stadspredikant z'n zomer vacantie neemt (als regel heusch niet te lang) onder zorg van (financieel) zelf voor de predikbeurten te moeten zorgen ; althans in Rotterdam.
En nu moet voor de balie uitgegalmd worden door een dominee, dat de stadspredikanten zoo schandelijk omspringen met hun vacantie, dat ze noodig onder curateele gezet moeten worden en dat de Kerkeraad de vacantie moet regelen ! Dat zal de verantwoordelijkheid van den Kerkeraad „enorm" doen groeien !
Maar 't ergste vinden we dat voorstel van den Opperkerkeraad der Groote Steden.
Doch daarover de volgende week nog iets.
SPURGEON (4)
1834—1934.
De vijandschap tegen Spurgeon nam toe naarmate zijn werk zich uitbreidde en hij als prediker door duizenden en duizenden werd gevolgd en vereerd. Maar ook die vijandschap heeft God nog tot een zegen weten te stellen. Spurgeon heeft er ten slotte nog voordeel van ontvangen voor zijn werk, ook bij zijn plannen voor kerkbouw.
Eens preekte hij 's avonds in de muziekzaal van het Kristallen Paleis. Het groote gebouw, dat van 10 tot 12 duizend personen bevatten kon, was in alle hoeken en tot aan den nok gevuld. Beneden zat het vol; op de galerijen zat het vol; geen staanplaats zelfs was meer te krijgen. De dienst was begonnen en de prediker juist bezig in een vurig gebed het samenzijn aan den Heere op te dragen, toen plotseling een booswicht — waarschijnlijk waren het er zelfs méér dan één, die met elkaar een afspraak hadden — hard door de zaal riep : „Brand ! Brand !" Natuurlijk dachten allen dat er werkelijk brand was uitgebroken. En toen het geroep aanhield en andere stemmen schreeuwden : „de galerij stort in" en weer anderen riepen : „het geheele gebouw stort in", ontstond er een algemeene en aller vreeselijkste paniek. Van alle kanten drong men naar den uitgang, velen sprongen bij de trappen neer of wierpen zich van de galerij naar beneden en vielen op de anderen. Een oogenblik gelukte het Spurgeon met zijn helderklinkende stem. de opgewonden menigte tot bedaren te brengen, maar weldra barstte het geweld opnieuw los en de dienst kon niet doorgaan. Spurgeon eindigde dan ook zoo spoedig mogelijk, de opdringende schare zooveel mogelijk kalmeerend met de verzekering, dat er geen brand was. Het gedrang op de trappen was echter zóó vreeselijk geweest, dat zeven personen gedood waren en vele anderen gewond werden weggedragen. Spurgeon zelf, die tot het laatste toe gebleven was en al zijn krachten had ingespannen om te kalmeeren en érger te voorkomen, zakte ten slotte in elkaar, moest eindelijk half bewusteloos worden weggedragen en werd meer dood dan levend thuisgebracht.
Het scheen een tijdlang, alsof er, gelijk zijne tegenstanders reeds met blijdschap uitriepen, een einde gekomen was aan het werk van Spurgeon. Zijn gestel was op ontzettende wijze geschokt. De ramp had hem zóó aangegrepen, dat hij zelf het later een wonder oordeelde, dat hij haar had overleefd. Temeer, waar de laster ook hier op de meest venijnige manier publiekelijk werd voortgezet. Want welke waren de commentaren der couranten ? Inplaats van het complot der vijanden en booswichten aan te vallen, daar zij zonder oorzaak op zoo laaghartige wijze de paniekstemming verwekt hadden (er kon geconstateerd worden, dat er zelfs geen begin van brand geweest was !) werd Spurgeon aansprakelijk gesteld voor alles wat er geschied was. Vooral werd hem kwalijk genomen, dat hij eerst nog getracht had, met preeken door te gaan.
Een van de bladen schreef : , J3eze man is in zijn eigen oogen een waar Christen, maar in mijn oogen is hij niet anders dan een zwetser en een harlekijn. Wij zijn niet klein of bekrompen in onze gevoelens (!!), maar wij zouden toch hemelsbreed gescheiden willen houden de schouwburg en de kerk" (Spurgeon preekte dien avond in het Crystal Palace, in de muziekzaal van de Surrey-Gardens, dus een publiek gebouw voor kunsten en wetenschappen, vandaar het zeggen van „schouwburg" en „kerk"). „Bovenal" zoo gaat de Londensche courant verder, „zouden wij in de hand van elk weldenkend mensch een zweep willen leggen, om daarmee uit de maatschappij wèg te ranselen de sprekers van zulke godslasterlijke woorden als Zondagavond, boven de 'kreten der stervenden uit en luider dan het gekerm van de gemartelde schare, werden uitgesproken door den mond van den heer Spurgeon in de Music Hall van de Surrey-Garden".
Toch was men niet klein of bekrompen in z'n gevoelens!!
Spurgeon leed onder dit alles veel. Zware hoofdpijnen kwelden hem aanhoudend en telkens kon hij, op 't onverwachts, in huilen uitbarsten, waarbij zijn vrienden langen tijd in angst verkeerden, dat hij krankzinnig zou worden.
„Ach !" schreef hij een jaar later, „wie zou in staat zijn de "benauwdheid mijner ziel te beschrijven ? Ik weigerde getroost te worden; mijne tranen waren mij tot spijze bij dag en droomen mijne verschrikking des nachte. Ik gevoelde, zooals ik nooit te voren gevoeld had. Mijne gedachten waren als dolken, die mijn hart doorboorden, totdat er een soort van verstomping over mij kwam, die mij tot droeve medicijn diende". Terwijl zoo de leeraar in groote zielsbenauwdheid verkeerde, hield zijne gemeente niet op gedurig voor hem te bidden, en de Heere verhoorde op ongedachte wijze en geheel onverwacht dit gebed. „Het was" — zoo verhaalt zijn vrouw — „in den tuin van een huis, behoorende aan een der diakenen, in de voorsteden van Croydon, waar mijn man heengebracht was in de hoop, dat verandering van omgeving en rust hem goed zouden doen, dat het den Heere behaagde zijn geestelijk evenwicht te herstellen en de grendelen, die zijne ziel in duisternis hadden gehouden, te ontsluiten. Als naar gewoonte hadden wij te zamen gewandeld ; hij, onrustig en in zielsbenauwdheid ; ik, bedroefd en verslagen, mij afvragende wat wel het einde zou wezen, toen hij, aan de trap gekomen, die toegang gaf tot het huis, plotseling staan bleef, en, zich tot mij wendende met het oude liefelijke licht in zijn oogen too, hoe treurig was de afwezigheid van dat licht! tot mij zeide : „lieve vrouw, hoe dwaas ben ik geweest! Wat doet het er tenslotte toe wat er van mij wordt, indien de Heere onze God maar verheerlijkt wordt ? " En met groote kracht en nadruk zei hij den tekst van Filipp. 2 : 9—11 : „Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een naam gegeven, welke boven allen naam is, opdat in den naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders". En terwijl zijn gelaat straalde sprak hij : „Indien Christus verhoogd wordt, zoo laat Hij met mij doen wat Hem behaagt ; mijn eenig gebed zal wezen, dat ik mijzelven afsterf om geheel en al voor Hem en tot Zijn eer en verheerlijking te leven. O, lieve vrouw, ik zie het nu alles zoo helder en klaar ! Loof den Heere met mij !"
In dien oogenblik waren zijn boeien verbroken, de gevangene trad uit zijn kerker en verheugde zich in het licht des Heeren. De Zon der gerechtigheid bestraalde hem weder en er was genezing onder zijn vleugelen. Maar de litteekenen van dien strijd is hij zijn leven lang blijven dragen, en nooit heeft hij de lichaamskracht herkregen, die zijn deel was, eer hij door die ontzettende beproeving was getroffen. Voorwaar, het was een doornig pad, waarlangs de Heere hem geleid heeft".
Spurgeons tegenstanders waren dus beschaamd. Weldra trad hij weer op voor zijne gemeente en voor de menigte, die altijd weer saam stroomde, predikte hij het Evangelie met kracht. En mettertijd, naarmate men de vruchten van zijn arbeid zag op allerlei terrein, nam ook het getal af dergenen, die hem hoonden. Met de genade zijns Heeren, die hij ruimschoots ervoer, werd ook de eer e van menschen zijn deel! Aan hem werd het woord van den Spreukendichter bewaarheid : „Als iemands wegen den Heere behagen, zoo zal hij ook zijne vijanden met hem bevredigen". Mannen van naam als de eerste minister Gladstone, de filantroop Shaftesbury, de kunstcriticus John Ruskin e.a. achtten zich vereerd met zijn vriendschap. Leeraren van allerlei denominaties, zelfs hooggeplaatste geestelijken der Engelsche Staatskerk (o.a. dr. Benson, aartsbisschop van Canterbury en Thorold, bisschop van Rochester) zochten en onderhielden verkeer en correspondentie met dezen dissenter. Geleerden van het vasteland lieten niet na Spurgeon te bezoeken, als zij te Londen vertoefden. Zijne gemeente hing hem aan met innige liefde, zijn velerlei arbeid werd rijk gezegend, zijn kerkgebouw bleef steeds gevuld als hij predikte en — dat achtte Spurgeon het voornaamste — zielen werden door zijn dienst gewonnen voor den Heere.
In die tijden, na zijn ziekte, rijpten de plannen tot stichting van een geheel nieuw kerkgebouw, dat, zooals we reeds hebben gemeld, plaats moest bieden aan 5 a 6000 menschen en dat in 1861 kon in gebruik genomen worden. Uit vrijwillige bijdragen was de bouwsom, groot ƒ 372.000 gulden, bijeengebracht en op den dag der in gebruik neming was er geen cent schuld ! Wel een bewijs van de buitengewoon groote belangstelling in het werk van Spurgeon. Hij doorleefde toen een zomer met enkel wonderen ; omdat God Zich betoonde een hoorder van het gebed te zijn ! Op een dag b.v. dat de architect betaald moest worden, terwijl er geen cent in kas was, ontving Spurgeon een telegram, dat hem een gift van duizend pond toezegde.
In Maart 1861 was de Metropolitan Tabernacle af. Het was een indrukwekkend gebouw met 5500 zitplaatsen. Bovendien bood een speciale zaal voor lezingen of gemeente-avonden plaats aan 900 menschen. Voorts waren er lokalen voor godsdienstonderwijs, dameskransen, samenkomsten van jonge menschen, enz.
In die Tabernakelkerk heeft Spurgeon onnoemelijk veel malen gepredikt.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's