VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 6 : 4. In die dagen waren er reuzen op de aarde en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der menschen ingegaan waren en zich. kinderen gewonnen hadden. Deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van naam.
3de Serie.
XI.
Ook uit deze door de traditie bewaarde herinnering blijkt, dat wij in de Heliige Schrift met een geheel bijzondere beschrijving der geschiedenis van doen hebben, die zich principieel onderscheidt van de wijze, waarop de volkeren, die buiten Gods bijzondere openbaring leefden, zich het verleden voorstelden, waaraan zij de herinnering bewaard hadden. Alle oude volken worden gekenmerkt door de dichterlijke scheppingen eener mythen-vormende phantasie. Toch moet daarbij niet uit het oog worden verloren, dat er voor deze poëtische uitbeelding een uitgangspunt ie in de werkelijkheid van een innerlijke levenskern, ook al zijn deze dichtende volkeren zich daarvan niet meer klaar bewust geweest. Evenals de droom in zijne beeldenvorming zich van elementen der levende werkelijkheid bedient, zijn ook de mythen en de sagen de omhulsels van iets, dat wezenlijk was. Zij dragen, hoe grillig en vreemd deze dichtvormen zijn, toch steeds fragmenten in zich van hetgeen werkelijk is doorleefd, ervaren, geschouwd in den hemel, op de aarde, in de historie der menschheid. Deze mythen waren de vormen, waarin duizenden jaren geleden de menschen de dingen des hemels en der aarde, ook de menschelijke geschiedenis kenden.
Doch het wordt nu ook in de Heilige Schrift duidelijk, hoezeer de ontdekking van Gods Heiligen Geest tevens het verstandelijk leven Zijner Kerk heeft opgeklaard. Hetgeen de volken kenden in den vorm hunner dichterlijke mythologische scheppingen, wordt door Gods Geest als het ware ontbolsterd, losgemaakt van zijn omhulsel, ontdaan van de onnatuur en terug gebracht tot het peil der historische werkelijkheid. De heugenis bewaart de traditie van een praehistorische periode, waarin reuzengeslachten bestonden. De groote heroïsche figuren uit den voortijd der Grieken, door Homerus bezongen, verschenen hun als menschen van een geslacht uit voorbijgegane eeuwen, dat andere eigenschappen bezat dan de later levende Griek. En merkwaardig is, dat reeds een Philostratus, die bekend is als een groote tegenstander der Christelijke religie uit de derde eeuw, zich heeft ingespannen de stoffelijke bewijzen te leveren voor het werkelijk bestaan van een reuzengeslacht in tijden van voorheen. Ik kan de vraag daarlaten, of hij zich in de vaststelling zijner gegevens heeft vergist, zoodat hij, als vele anderen na hem, resten van skeletten van groote voorwereldlijke dieren zou hebben aangezien voor de overblijfselen van een reuzengeslacht uit praehistorische tijden, maar het komt mij toch voor, dat het ook mogelijk is, dat de moderne onderzoekers zich laten verleiden tot een afwijzend oordeel over de traditie der ouden, door uit te gaan van de voorstelling als ware de mensch, zooals wij dien kennen, de eenige en alleen juiste maatstaf voor de waardeering van het verleden en hetgeen ons daarover werd meegedeeld door de ouden. Althans de moderne anthropologic kent naast dwergstam men ook reuzenstammen. Tacitus beschreef de oude Germanen als menschen groot van gestalte, terwijl ook in onzen tijd menschen van buitengewone grootte voorkomen. Zelfs heeft de sociologie erop gewezen, dat op een miillioen menschen een bepaald getal dwergen, maar ook een bepaald getal reuzen voorkomt. Het is daarom volstrekt niet noodig al wat de ouden over een grooter menschentype wisten te verhalen als mythologie af te wijzen. Integendeel de teekening, die Ezech. (32 : 27) geeft van „de helden der onbesnedenen, die ter helle zijn nedergedaald met hunne krijgswapenen, welker zwaarden men gelegd heeft onder hunne hoofden", wijst uit, dat praehistorlsche graven aan Ezechiël bekend zijn geweest. Deze helden werden ook als reuzen beschouwd, zeker tengevolge van de grootte hunner skeletten. Al is dus zeker waar, dat de volkeren buiten het gebied van Gods bijzondere openbaring, mythologische verdichtingen voortgebracht hebben ook over de reuzen der oudheid, waaraan zij grillige gedaanten hebben toegekend, die zij metamorphoseerden tot halfgoden en heroën, zoo is daarmede nog niet vastgesteld, dat er geene reuzen-stamm, en hebben bestaan. De Titanen, Giganten en Cyclopen, waarvan de Grieksche mythologie heeft gezongen, waarop dr. Böhl wijst (Tekst en Uitleg, I, blz. 77) waren zeker scheppingen der verbeelding, maar daaruit behoeft allerminst de conclusie te worden getrokken, dat er geene groote menschentypen geweest zijn. Dit staat althans vast, dat hetgeen de gewijde schrijver als eene historiebeschouwing voordraagt, niet alleen niet gegrond wordt op mythische voorstellingen, maar omgekeerd, er steeds op is aangelegd het mythisch omhulsel weg te nemen om ons de wezenlijke kern der geschiedenis voor te leggen. En zoo meldt hij ons, dat vóór den ondergang der oude wereld er reuzen-stammen waren en dat deze ook in latere tijden nog bestaan hadden.
Er staat ook niet geschreven, dat deze reuzen verschenen zijn als de zonen, geboren uit het huwelijk van Gods zonen met de dochteren der menschen. Er wordt slechts nadruk gelegd op de gelijktijdigheid van de zedelijke verwording der oude wereld en het bestaan der reuzen-stammen. En dit bericht nu wijst er op, dat deze oude cultuur-wereld, evenals alle latere beschavingsvormen, bedreigd werd door jong opkomende volkeren, die als dragers van dikwijls groote en brute krachten, deze oude, door cultuurweelde verslapte, wereld in strijdlust en levenskrachten overtroffen. De geschiedenis geeft daarvan vele voorbeelden. Zoo heeft oud Babylon met zijn rijke cultuur een wereldhistorische beteekenis gehad, maar werd het ten slotte door de Assyriërs overweldigd, die, opgekomen uit armer berglanden, den strijd om te toestaan hadden leeren voeren met eene inspanning van woeste kracht, de weelderige Babyloniërs overwonnen, om tenslotte ook zelven weer, door cultuur-weelde der overwonnenen aangetast, hunne strijdkracht in te boeten. En levert ook onze tijd niet het voorbeeld van verzwakking door cultuur-weelde, nu wij zien, hoe de volkeren van Europa dreigen hunne supprematie te verliezen door eigen weeldezucht niet alleen, maar ook doordat jonge heidensche volken, als b.v. Japan, verschijnen op het wereldtooneel. Men spreekt niet te vergeefs van het gele gevaar, ook al kan en mag niet ontkend, dat de Godvergetenheid der Christenvolken de oorsprong is van een historisch proces, dat tot ondergang voert.
En zoo staat er van de oude wereld het be richt: In die dagen waren er reuzen op de aarde". Wijst dit niet duidelijk uit, dat naast het diepe zedelijke verval, dat ons eerst geteekend werd in het terugwijken van des Heeren Geest, in de inzinking van Gods Kerk, in de volkomen verwording der geesten, er ook nieuwe jonge volken waren opgekomen, die dreigden de toenmalige menschheid onder den voet te loopen ? En uit den aard der zaak waren deze krachtige, groote menschenrassen, die zich ontwikkeld hadden in den loop der tijden, geen dragers van de vreeze Gods. Veeleer waren zij als de tuchtroeden, waarvan de Heere Zich bediende om Zijne oordeelen te voltrekken. Zoo heeft ook immers Jeremia onderscheidene malen geprofeteerd van vreemde volken, die ten oordeel komen. „Ziet", zoo zeide hij, „er komt een volk uit het land van het Noorden en eene groote natie zal opgewekt worden van de zijden der aarde. Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed volk en zij zullen niet barmhartig zijn ; hunne stem zal bruisen als de zee en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Zion" (Jerem. 5 : 22, 23). En alzoo was er nu ook in de eerste wereld een volk van reuzen, dat zich keerde tegen de toenmalige ondergaande cultuurwereld, die hare weelde bedreigden en waarmede zij dus te worstelen had. Die reuzen waren er en zij deden zich des te meer gelden, naarmate het zedelijk verderf toenam. Het proces van verwording werkte door. De Kerk Gods verliep, van haar invloed was hoe langer hoe minder te speuren. Zij hield op een liüchtend spoor te teekenen voor de oogen dezer menschheid, want Gods zonen gingen in tot de kinderen der menschen en zij gewonnen zich kinderen. Er werd een geslacht geboren, dat al verder afweek, waarin steeds minder gezien werd van het nimmer falend compas, dat Gods weg wijst voor de oogen der volken. Dus deze oude cultuur-wereld werd te midden van haren afval bedreigd door de vijandschap van machtige volksstammen, die de toenmalige menschheid met vreeze en angst vervulden. 'Zoo ondervond zij te midden van haar wereldsche vreugde toch nog de straffende hand des Heeren, werd haar goddeloos leven toch nog met angstig vreezen vergald. De Schrift leert ons duidelijk, dat dus de plagen haar niet werden bespaard. Te midden van het voortwoekerend zonde-bederf werd zij toch nog geplaagd door de oordeelen Gods. Naarmate Gods stem tot zwijgen werd gebracht, werd zij toch gestriemd en gekastijd, want ook de Godvergeten wereld ontkomt aan de tuchtroede niet. Zoo was het eeuwen vóór den zondvloed, en zoo is het nog. De Heere heeft aan deze oudste gemeente reeds licht gegeven over het wezenlijke in de mythologische tradities. Zij brengt ons het recht verstand van de groote historische gebeurtenissen, die de dichterlijke verbeelding mythisch had vervormd, en laat ons zien, hoe er voor den zondvloed eene wereld was, die voor alle volgende eeuwen een exempel kan zijn van wat naar goddelijke ordinantie het lot zal wezen van alle cultuur en van alle volken, die zich van den Heere afwenden. Van binnen verrot en van bulten bestookt, zijn zij gedoemd tot een roemloozen ondergang.
Uit dat oogpunt gezien, is de geschiedenis der oude wereld een spiegel, waarin ook onze eeuw haar eigen beeltenis kan aanschouwen. Indien zij slechts oogen had om te zien en een hart om op te merken, dan zou zij ineenkrimpen van vreeze voor haar eigen toekomst. Immers, ook van de Westersche volken geldt het, dat zij innerlijk zijn verkankerd door het materialisme, dat zij hebben nagejaagd, door het Mammonisme, dat zij hebben gediend, door hun gouddorst en weeldezucht. De grondslagen hunner cultuur: hebben zij verworpen, van den Christus, die hun de bron was van streefkracht naar hooger goed, gezegd: „wij willen niet, dat Hij Koning over ons zal zijn". En onder deze verwording zijn zij innerlijk verzwakt. Heel het Westen is een machteloos wemelend volkeren-complex, dat ondanks zijn Volkenhond, wordt verteerd door revolutie, door gebrek aan levenskracht, door moedelooze zwakheid, die naast verslapping en ontzenuwing, gedreven door een valsch en voos idealisme, ongeschikt is geworden om den strijd om eigen bestaan zelfs te voeren. Zelf bereidt het zich voor om de gemakkelijke prooi te worden van volkerenmassa's, die nu nog veracht, eenmaal, misschien vroeger dan men vermoedt, de hiel hunner brute kracht zullen zetten op de borst van Europa. Zoo leven wij in een wereld, die de trekken vertoont van de oude wereld vóór haren ondergang en waarvan de Heere ons de traditie bewaarde, opdat wij zullen zien en verstaan, dat er ook in de historie der volken, als in die van elk menschenleven, wetten zijn, die niet straffeloos kunnen worden overtreden, waarvan de volken en de menschheid zelve zich nimmer zullen kunnen vrij maken. Want de Heere is God, die Zijne eer aan geen ander geven zal, die de teekenen der leugendichters vernietigt, de waarzeggers dol maakt, de wijzen doet achterwaarts keeren, hunne wetenschap verdwaast, maar het Woord van Zijn Knecht bevestigt en den Raad Zijner boden volbrengt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's