De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

13 minuten leestijd

VERKEERD GESPRONGEN.
Het gevaar van Rome blijft voor sommige politieke partijen nog altijd een dankbaar onderwerp om daarmede de aandacht bezig te houden.
Geen zaak is er die deze partijen meer belang inboezemt dan, wat zij noemen, de verroomsching van ons land.
'Zelfs de bange en ontroerend ernstige tijd, dien wij beleven en waarin de problemen van politieken-, economischen-en financieelen aard zich als 't ware bij den dag opstapelen en wier oplossing de Regeering heel wat hoofdbrekens bezorgen, heeft voor velen, die zich geroepen achten om te pas en te onpas tegen het Roomsche gevaar te waarschuwen, niet die beteekenis als die, welke in den strijd tegen Rome gelegen is.
Er is bij deze lieden maar één onheil, dat ons volk bedreigt, en dat onheil is niet de noodtoestand, waarin de Bevolking tengevolge van de crisis verkeert; het ligt ook niet in de toenemende verarming van stad en land, of in de groeiende macht der revolutionaire elementen, maar dat onheil komt alleen uit Rome.
Tegen Rome moet daarom in de allereerste plaats de strijd worden aangebonden.
Bovendien is uit deze actie, en dat is een welkome bate, ten eigen profijte nog politieke munt te slaan.
De actie wordt gekeerd tegen het Kabinet.
Dr. Colijn — zoo lazen we dezer dagen — is een warm aanhanger en verdediger van de coalitie met Rome. Van Minister De Wilde kan hetzelfde worden gezegd. Ook hij is een trouw bondgenoot van Rome. De Vrijzinnige Ministers zijn niet beter. Minister Marchant bedient Rome op zijn wenken. De Ministers Kalff en Oud, al doen zij dit bedektelijk en niet op een zoo in het oog loopende wijze als de andere ministers, komen Rome in het gevlei.
En dan de Roomsche Ministers ? De Minister van Justitie maakt zich berucht door zijn opzienbarende benoemingen bij de rechterlijke macht. De eene Roomsche benoeming volgt op de andere, met het gevolg, dat in Nederland Roomsch recht gaat boven Nederlandsch recht.
Wat van dit alles waar is, valt niet te controleeren.
Het is niet vast te stellen, welke verhouding er aan de rechtbanken bestaat van Protestantsche en Roomsche rechters.
Niemand, die dit zoo maar zonder nader onderzoek kan uitmaken.
Hoe de klachten over bevoorrechting van Rome en over verroomsching van het land opgeblazen worden, is dezer dagen duidelijk aan het licht getreden.
In de Arbeiderspers kwam eenige dagen geleden een artikel voor, waarboven met groote, vette letters stond afgedrukt: „Ontevredenheid in het leger", „Bevoorrechting van Katholieken",,De hoogere Krijgsschool wordt genoemd : het Seminarium".
En dan vangt het artikel met deze algemeene inleiding aan :
»De ontevredenheid, die in legerkringen reeds geruimen tijd bestaat over de bevoorrechting van Katholieke officieren en onderofficieren, neemt thans zoodanige afmetingen aan, dat meer en meer over deze kwestie naar buiten lekt.
Het is een bekend feit, dat sinds jaren de invloed van het Katholieke deel van het legerkader toeneemt; een verschijnsel, dat echter na het optreden van de beide Roomsch-Katholieke Ministers Lambooy en Deckers, als hoofd van het Departement van Defensie, in beduidend sterker mate is opgetreden*.
Daarop volgen de klachten.
»Het is een niet te loochenen feit — zoo schrijft het blad — dat in Protestantsche legerkringen meer en meer de idee veld wint, dat voor het maken van bijzondere promoties of voor het volgen van opleidingen, die als onderscheiding gelden, het aanhangen van een Katholieke belijdenis vereischt is.
Zoo kon men ons o.a. mededeelen dat in deze Protestantsche kringen de Hoogere Krijgsschool alhier niet meer als zoodanig wordt betiteld, doch het „ Seminarium" wordt genoemd*.
Tot zoover de Arbeiderspers.
Wat is nu van deze klachten waar ?
Wat is van het bekende feit juist ?
Daarnaar is - ditmaal een onderzoek ingesteld geworden, met het resultaat, dat het Correspondentiebureau in de bladen, naar aanleiding van het bericht in de Arbeiderspers over bevoorrechting in het leger van Katholieken meldt :
»Bij het Departement van Defensie wordt geen aanteekening gehouden, wie Katholiek is en wie niet. Een en ander staat slechts vermeld op de controlelijsten, welke bij de corpsen berusten.
Dat het insinuëerend artikel volkomen bezijden de waarheid is, moge uit het volgende blijken : Gedurende de ambtsperiode van Minister Deckers zijn de secretaris-generaal en tien afdeelingshoofden (waarvan twee Katholiek waren) alle vervangen door niet-Katholieken. Van de vijftien afdeelingshoofden is er thans slechts één Katholiek. Onder de vlagofficieren bij de marine is thans geen enkele officier Katholiek. De onlangs afgetreden Commandant der Zeemacht is Katholiek.
Van de vijftien Generaals, waarover het Nederlandsche leger beschikt, zijn er vier Katholiek. De Commandant van het Veldleger, de Chef van den Generalen Staf en de Gouverneur der Koninklijke Militaire Academie zijn allen niet Katholiek. Van de 33 officieren van den Generalen Staf zijn er, voor zoover kan worden nagegaan, ten hoogste 6 Katholiek. Bij de Hoogere Krijgsschool is de directeur Katholiek. Van de 13 officieren-leeraren zijn er 3 Katholiek (Indië en Holland), van de 43 leerlingen zijn er 7 Katholiek.
Hieruit blijkt wel ten volle wat voor waarde aan het bericht moet worden gehecht.
Het bericht uit de Arbeiderspers is dus onwaar.
Het zou zeker niet ondienstig zijn, wanneer er eens meermalen een overzicht, zooals hierboven gegeven werd, ook van de andere Departementen en Rijksinstellingen in de pers verscheen. Dan zou men kunnen zien, welke waarde te hechten is aan de klacht van verroomsching van ons land. Opmerkelijk is het, wat de benoemingen betreft, dat onder de burgemeesters van de hoofdsteden der provincies zich slechts twee Katholieken bevinden, n.l. te 's Hertogenbosch en te Maastricht.
Natuurlijk maakt de Arbeiderspers van het communiqué, dat blijkbaar afkomstig is van het Departement van Defensie, in zijne bladen geen melding.
Men kan dan rustig voortgaan met het in opspraak brengen van het Kabinet.
De bom sprong ditmaal in verkeerde richting.
Zij deed echter geen schade.
Het kan intusschen ook anders uitloopen. Ook daarvan zijn voorbeelden aan te wijzen.
Het wetsontwerp betreffende de doodehandsgoederen is er één van.
Een paar weken geleden vestigden wij de aandacht op de rede, die mr. A. de Jong van Dordrecht te Goes in de vergadering van de Vereeniging van Kerkvoogdijen in Zeeland over de belasting op de doode-hands-goederen hield.
Blijkens het verslag, dat van deze vergadering in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 3 Mei verscheen, maakte de spreker ook deze opmerking : „De voorgestelde belasting is niet anders dan een gevolg van de actie van Staatkundig Gereformeerde en Hervormd Gereformeerde zijde, maar het is nu wel gebleken, dat de praatjes over de rijke R.K. en Hervormde kerken legendes zijn".
Zoo aanstonds zal het wel blijken, dat niet de Roomsch-Katholieke kerken, maar de Hervormde kerken als het op het betalen van belasting aankomt, het kind van
de rekening worden. De bom is hier verkeerd gesprongen.
Aan hen, die ons volk oproepen om te pas en te onpas den strijd tegen Rome aan te binden, zal de Hervormde Kerk het te danken hebben als de fiscus om betaling komt aankloppen.
Zoo speelt al te overdreven ijver tegenover het Roomsche gevaar, de ijveraars tegen Rome parten.
In een land als Nederland behoeft men niet bevreesd te zijn voor Roomsche overheersching of voor verroomsching van het land.
Daarvoor is de grondtoon van ons volkskarakter, dank zij de reformatie, te veel in Calvinistischen geest gegroeid.

EEN ADRES.
Het Hoofdbestuur der Vereeniging van Kerkvoogdijen in de Ned. Hervormde Kerk heeft met betrekking tot het gewijzigde ontwerp van wet tot heffing van een belasting naar het vermogen van instellingen van de doode hand, zich met een adres tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal gericht.
Dit adres luidt:
Ter zake van het gewijzigde ontwerp van wet lot heffing van een belasting naar het vermogen van instellingen van de doode hand — hierna te noemen „doodehandsbelasting" — heeft het Hoofdbestuur van de Vereeniging van Kerkvoogdijen in de Nederlandsche Hervormde Kerk de eer het volgende onder Uw aandacht te brengen. Ook bij het gewijzigd ontwerp is gehandhaafd de doodehandsbelasting van zaken, welker opbrengst dienen moet tot bekostiging van den openbaren eeredienst en de bezoldiging van de predikanten.
Het Hoofdbestuur betreurt zeer, dat de Minister dit standpunt niet heeft kunnen loslaten. Iets, wat sinds 1795 geen enkele regeering van ons land wenschelijk heeft geacht — terwijl het sindsdien thans toch niet de eerste keer is, dat het land geldzorgen heeft, — n.l. de greep naar de kerkelijke goederen, - dreigt thans een feit te worden. Geen enkel landsbelang zal daarmee worden gediend. Integendeel, in de verhouding tusschen Kerk en Staat, die in de laatste tientallen jaren in ons land zich rustig heeft kunnen ontwikkelen, dreigt een scherp en (bitter element te worden ingevoerd, welke verstorend daarop zal inwerken, indien dit wetsontwerp op dat punt niet gewijzigd wordt.
Het feit, dat deze wet op 1 Januari 1939 zal vervallen, zal daarop geen invloed hebben. Dat feit beteekent slechts, dat vanaf de dag van zijn invoering gestreden zal moeten worden om de greep naar de goederen der Kerk na genoemden datum niet verlengd te zien. Want niemand kan thans een wissel trekken op de politieke en financieele toestanden, die er zullen zijn in 1938, dus zekerheid, dat de wet niet verlengd zal worden, bestaat er niet.
Want de voorgestelde doodehandsbelasting is, wat de Nederlandsche Hervormde Kerk aangaat, niet zulk een „luttel bedrag", als de Minister dat belieft te noemen in de Memorie van Toelichting bij het oorspronkelijke wetsontwerp. Verreweg de meeste goederen van de gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk zijn belegd in landerijen. Gezien de lage opbrengst der landerijen, zelfs in zoogenaamd normale tijden, beteekent de voorgestelde doodehandsbelasting voor de gemeenten der Nederlandsche Hervormde Kerk een inkomstenbelasting van ten minste 10%, en in de meeste gevallen nog meer.
Hierbij moge tevens opgemerkt worden, dat in het algemeen gesproken, de geheele openbare eeredienst niet uit de goederen der gemeente kan worden bekostigd, behalve dan misschien ten hoogste eenige tientallen gemeenten in Friesland, Groningen, N.-Holland en een enkele in Zeeland. Tegenwoordig echter is te betwijfelen, of deze tientallen niet tot enkele gevallen zijn ingeschrompeld. En waar de Nederlandsche Hervormde Kerk 1500 gemeenten telt, is het duidelijk, dat
deze enkele gevallen wel buiten beschouwing kunnen blijven.
In 't groote geheel beschouwd, kunnen deze 1500 gemeenten op geen stukken of breedten na van hun goederen bestaan.
Waar moet dus straks de voorgestelde doodehandsbelasting vandaan komen ?
Die kan niet anders komen dan uit de zakken der nu levende leden der Kerk.
Deze doodehandsbelasting is dus geen doodehandsbelasting, maar een levendehandstoelasting, en dus een belasting: op het lidmaatschap der Kerk.
Aan dit feit wordt niets veranderd door de omstandigheid, dat de eene gemeente meer goederen heeft dan de andere. Hieromtrent zegt de Minister het volgende op bladz. 12 van het verslag : „gingen de bedoelde goederen „(bedoeld zijn de kerkegoederen en pastorie-goederen) voor hun bezitsters verloren, dan zouden de leden der desbetreffende kerkelijke gemeenten of parochiën zich geplaatst zien in de positie, waarin leden van andere gemeenten of parochies verkeeren, die zelf de kosten van den eeredienst hebben te dragen, Dit betoog is evenwel volkomen onjuist.
De Minister vergeet n.l., dat die gemeenten één zijn met hun goederen. Zonder die goederen zouden honderden van die gemeenten in het geheel niet bestaan. En in ieder geval zou het beeld van de Hervormde Kerk totaal anders worden „wanneer de bedoelde goederen voor hun bezitsters verloren gingen." Of zulks al of niet de Hervormde Kerk innerlijk ten goede zou komen, is een tweede vraag, die echter uiteraard buiten dit geding is.
Het stellen van „als de goederen er eens niet waren" is daarom maar theorie. Ze zijn er en zij bepalen in iedere gemeente afzonderlijk de kosten van het lidmaatschap der Kerk.
Bovendien schijnt de Minister over het hoofd te zien dat het wetsontwerp niet alleen „goederen" (landerijen enz.) belast, maar „alle zaken welke geldswaarde hebben", waarvan slechts uit te zonderen de vrijwillige bijdragen, doch slechts „voor de helft" (!), en niet uit te zonderen : huur van zitplaatsen en hoofdelijke omslag, daar dit geen „inkomsten om niet" zijn.
De theorie van „als de goederen er eens niet waren" argumenteert dus niets, want dan zouden alle gemeenten toch andere bronnen van inkomsten moeten hebben, en die worden volgens het wetsontwerp even goed belast als de „goederen" in engeren zin.
Tevens blijkt uit deze uitgebreide omschrijving van „doodehandsgoed", dat het wetsontwerp niet alleen indirect, maar ook wel degelijk direct belasting legt op het lidmaatschap der Kerk.
Hiermee is dus in het Nederland van 1934 de Kerk, zoowel direct als indirect, een belasting-object geworden even als publieke vermakelijkheden en dergelijke. In verband met het onderstaande kan moeilijk worden aangenomen, dat de Minister het zóó heeft bedoeld, maar niettemin is het zoo.
Tenslotte mogen wij Uw aandacht vestigen op de vrijstelling der kerkgebouwen, waarin het wetsontwerp voorziet. Deze vrijstelling is niet met dat woord geformuleerd, doch daarvoor wordt aan kerkgebouwen geen „verkoop of geldswaarde" toegekend. Intusschen, die kerkgebouwen hebben wel degelijk „verkoop of geldswaarde", sommige zelfs wel tot een enorm bedrag. Het is dan ook geheel onjuist, wanneer sommige leden der commissie de kerkgebouwen „in technisch-juridische zin als zaken buiten de handel" beschouwen. (Blz. 10 van het verslag). Die kerkgebouwen zijn volstrekt niet „buiten de handel" noch in „technische" noch in „juridische" zin.
Maar waardoor is dan die heele „technisch juridische" verwarring kunnen ontstaan ? Deze is kunnen ontstaan omdat de ware en eenvoudige reden van de vrijstelling der kerkgebouwen niet wordt genoemd. Deze ware en eenvoudige reden kan geen andere zijn dan : het respect voor de godsdienst.
Het zou het geheele wetsontwerp, ja zelfs de geheele huidige regeering, in hooge mate tot een sieraad hebben gestrekt, wanneer die eenvoudige en ware reden, die iedereen begrijpen kan, in het wetsontwerp ware genoemd. Wanneer dit verlossende woord gesproken ware geworden, zou de lijst der vrijstellingen in art. 4 geen enkele moeilijkheid hebben opgeleverd.
Want wanneer de kerkgebouwen met inventaris worden vrijgesteld „uit respect voor de godsdienst", dan is het logisch, dat óók die „zaken" moeten worden vrijgesteld, die óf zelve (b.v. de hoofdelijke omslag) of welker opbrengst (b.v. de landerijen) dienen moeten om die gebouwen aan hun bestemming, d.i. de beoefening van de godsdienst, te doen beantwoorden.
Zulks zou dan ook volkomen in overeenstemming zijn met den gedachtengang, die reeds aan de lijst der vrijstellingen ten grondslag ligt, n.l. niet alleen de ziekenhuizen en musea zijn vrijgesteld, doch óók de goederen, die dienen moeten om die ziekenhuizen te kunnen gebruiken en de salarissen der daarin werkzame geneesheeren, verpleegsters en portiers te betalen.
Precies zoo met de kerkgebouwen : niet alleen de kerkgebouwen vrijstellen, maar óók de goederen, die dienen moeten om die kerkgebouwen te gebruiken en de salarissen der daarbij werkzame predikanten, organisten, kosters en verder personeel te betalen.
In dit wetsontwerp staat het helaas anders, en met recht kan de Kerk protesteeren, dat zij wordt achtergesteld bij musea van opgegraven beenderen en andere oudheden, stichtingen van ouden van dagen, vacantiekolonies, natuurmonumenten en dergelijke, en dat zij wordt gelijkgesteld met boerenbonden, vakcentrales, reisvereenigingen, voetbalbonden en dergelijke.
Om bovenstaande redenen verzoekt het Hoofdbestuur van de Vereeniging van Kerkvoogdijen in de Nederlandsche Hervormde Kerk aan Uw Kamer een zoodanige wijziging in het wetsontwerp aan te brengen, waardoor de vrijstelling van de doodehandsbelasting niet enkel de kerkgebouwen met hun inventaris, maar óók de goederen, die bestemd zijn om het gebruik van die gebouwen mogelijk te maken en de daarbij werkzame personen te bezoldigen, zal betreffen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's