De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

10 minuten leestijd

Genesis 6 : 4. In die dagen waren er reuzen op de aarde en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der menschen ingegaan waren en zich kinderen gewonnen hadden. Deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van naam.

3de Serie.
XII.
De oude cultuur-wereld heeft dus hare belagers gehad, waaraan de herinnering in den loop der eeuwen bewaard werd. De volkeren van het Oosten, in welker midden Israël is opgekomen, hadden deze gegevens der traditie mythologisch verdicht. Voor hun bewustzijn waren deze reuzen-stammen, heroïsche grootmachten met wonderbare vermogens toegerust, zoodat zij eenen panischen schrik verwekten door de geweldige werken, die zij verrichtten. Zij werden gemetamorphoseerd in een soort halfgoden, zooals de Giganten, waarvan de Grieksche heldendichter Homerus heeft gezongen als van een geslacht van reuzen, die met de goden verwant waren. En latere zangers brachten dezen in verband met de Titanen, die opstonden tegen de goden en een geweldigen strijd ontketenden tegen de hemelsche machten. Rotsblokken slingerden zij en met boomstammen stormden zij, totdat zij ten laatste door de goden werden overwonnen en verdelgd. Het is van belang, daarop nu de aandacht te vestigen, dat dus ook bij de heidensche volken deze verdichte reuzen in verband werden gebracht met den strijd tegen de goddelijke machten, evenals deze reuzen hier in de Heilige Schrift worden genoemd en aangewezen in samenhang met het diepe zedelijke verval, met de vreeselijke goddeloosheid der oude wereld. De gewijde schrijver maakt deze reuzen niet tot halfgoden, zooals de heidensche mythologie dit doet. Zij zijn gewone menschen, zij het dan van een buitengewoon grooten lichaamsbouw, maar toch menschen, die als een tuchtroede geweest waren in Gods hand om de oude wereld Zijne straffende gerechtigheid te doen ondervinden op dezelfde wijze als Hij in latere tijden het profetisch licht deed opgaan over de geschiedenis der volkeren, welker heerschappij maar al te dikwijls ons wordt aangekondigd als eene voltrekking der oordeelen Gods. Zoo verschijnen dus hier de reuzen-stammen als gezonden om de wereld in hare zonde en godvergetenheid te tuchtigen en als zoodanig kunnen zij ons dus tevens des te beter leeren verstaan, hoe diep het verval der toenmalige menschheid wel geweest is. Immers, deze reuzen, al waren zij instrumenten in Gods hand, zijn toch ook menschen geweest, welker goddeloosheid alle grenzen te buiten ging, menschen, stout op hunne kracht, die zichzelven als goden waanden in de wereld, dus hemelbestormers, die geloofden, dat zij den Heere, den God des hemels en der aarde, straffeloos en gemakkelijk terzijde konden stellen en met Zijne heerschappij hadden afgerekend. En daarom, hoe zij ook voor die goddelooze oude wereld eene voortdurende kwelling waren, zij zijn toch met die oude wereld ondergegaan.
Het is merkwaardig, dat het woord, waarmede zij in den grondtekst genoemd worden, er aan herinnert, hoe zij als anti-goddelijke machten zijn opgetreden niet alleen, maar ook het lot ondergingen, dat komt over al wie zich tégen den Heere verheft. De kantteekeningen in onze Statenvertaling vestigen er de aandacht op, als zij van deze reuzen zeggen : „zij waren menschen van grooter statuur en meerder sterkte dan anderen. Het woord komt van vallen, omdat zij van God afvallig zijn en de menschen met allen wrevel en tirannie overvielen, noch God, noch de menschen vreezende, waardoor een ieder, die het zag, het harte als ontviel. Het is opvallend, dat de helden, de reuzen der oude wereld, „nephilim" worden genoemd, hetgeen letterlijk beteekenen kan „gevallenen". Zoo wordt in hun naam reeds aangewezen, dat zij de vijanden der Godheid waren, die na eenen tijd van opstand en verzet werden vernietigd, ten val gebracht. Zij hadden gestaan naar eene wereldheerschappij, waren een schrik geworden voor de weeldevolle oude wereld, een schrik ook voor hetgeen er nog was overgebleven uit de linie van Adams geslacht, dat onder de verkiezende genade Gods behoorde tot de gemeente, die des Heeren Naam aanriep. Zoo konden deze. reuzen tevens als de gevallenen voortleven in de traditie, als de geweldenaars, die toch ten laatste in Gods hand als niets waren en onder Zyn rechtvaardig oordeel vielen. Deze gevallenen zijn dus tevens de reuzen, de „nephilim", de helden, menschen van ongewone kracht, die schrik aanjoegen te midden der volken, waaronder zij verschenen. Denk slechts aan wat nog vele eeuwen later door de verspieders werd verhaald. Num. 13 : 33, waar ons de indruk wordt geteekend door de destijds bestaande reuzen-stammen op de Israëlieten gemaakt. „Wy hebben", zoo rapporteerden zij, „ook daar de reuzen gezien en de kinderen van Enak, van de reuzen ; en wij waren als sprinkhanen in onze oogen, alzoo waren wij ook in hunne oogen". Daar geven ons dus de verspieders den indruk weer, dien de kinderen Enaks op hen maakte. En zoo is het uit den aard der zaak ook geweest in de oude wereld. Deze geweldigen deden de wulpsche, goddelooze, oude cultuur-wereld met hare zelfgenoegzaamheid beven en sidderen. Daarom beschrijft de Heilige Geest ze ons in hunne natuurlijke gewelddadige kracht, maar tevens in hunne nietigheid voor God. Voor den Heere waren het „gevallenen", en daarom werden zij met diezelfde oude wereld in den ondergang besloten. Ook van deze machtigen gold : „Gij doet hen vallen in verwoestingen".
En zoo werd nu de herinnering aan dezen cultuurstrijd bewaard en heeft de Heere reeds aan Zijne oudste en eerste gemeente daarmede een blik gegund in de wetmatigheid, waarmede zich in de historie het proces der zonde, maar ook Gods oordeel over de zonde voltrekt. Te midden van het diepste zedelijke verval, van de steeds voortwoekerende goddeloosheid, van de godvergetenheid en weelde, verschenen er op het wereldtooneel reuzen-stammen, die groote vreeze verwekten door daden, waartegenover de door weelde ontzenuwde menschheid dier oude wereld zich machteloos wist. De herinnering daaraan bleef levendig, omdat de indruk dezer gebeurtenissen zoo diep was geweest. En nu is dit juist zoo treffend, dat terwijl bij alle andere volken der oudheid de herinnering niet slechts bewaard, maar ook mythologisch verwerkt was geworden, zoodat zich bij alle volken, in welker midden Israël opkwam, de dichterlijke phantasie van deze geschiedenis meester gemaakt heeft, hier nu juist deze mythologie welbewust wordt afgewezen. Als eene verklaring wordt er dan ook aan toegevoegd : „deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van naam". Het is duidelijk, dat hier de gewijde schrijver er op wijst, dat wij niet moeten denken, dat al deze dichterlijke, mythologische beschouwingen meer zijn dan vruchten eener verbeelding, want hij besluit zijne verklaring met ons te zeggen : weet wel, dit is de juiste verklaring van hetgeen de traditie ons meldt over de oude wereld, over de reuzen, die er in opgetreden zijn.
Zoo wordt dus Gods oudste Kerk reeds door den Heiligen Geest in de geschiedenis onderwezen, opdat zij haar zal kennen als het tooneel, waarop de menschheid in haren zondeval verschijnt met haar ij delen waan, met de inbeelding harer kracht, als zich verheffend tegen den hemel, dien zij meent te kunnen bestormen, terwijl toch wezenlijk de Heere God is, bij Wien de volken geacht zijn als een druppel aan eenen emmer en als een stofje van de weegschaal. Alle te zamen zijn zij als niets voor Hem, worden zij bij Hem geacht minder dan niet en ijdelheid. De vorsten maakt Hij te niet, de rechters der aarde maakt Hij tot ijdelheid. Maar de volken hebben van oude tijden af de neiging gehad om te zien op wat voor oogen is, op de grooten en machtigen, die de kleinen verdrukken konden en het ook deden. En het scheen wel, dat zij, naarmate zij dit meer deden, zij ook meer roem zich verwerven konden. En zoo worden ons hier deze reuzen voorgesteld als de geweldigen. Er staat daarvoor in het Hebreeuwsch een woord, dat wijst op groote kracht, op bruut uitgeoefende kracht, zoodat het doet denken aan den tiran. Maar het wordt ook gebezigd voor de groote grondbezitters, voor de heerschers, voor de, om het in oud Nederlandsch te zeggen, „de grootmogenden". Daarom wordt het ook wel gebruikt om de engelen te noemen. En hier zijn deze geweldigen dus wat de volken noemen „de helden" van ons geslacht, de groote figuren, die een heerschende plaats innemen in de wereld. Daaraan herinnert hier de Schrift, om ons te leeren, dat er in de oude wereld grootmachtigen geweest zijn, zooals dit ook later het geval was. Het was van ouds dus zoó in de geschiedenis, dat de volkeren zich kromden onder het juk der overweldigers, en deze waren „mannen van name", beroemde persoonlijkheden, wier namen waren op aller lippen en waarover, lang nadat zij gestorven waren, nog werd gesproken. Ook in dat verre verleden waren de menschen dus zooals zij thans zijn, was in wezen het leven der menschen niet anders dan nu. Er waren onderdrukkers en onderdrukten, menschen, die macht hadden over de anderen en er waren er, die in onderworpenheid leefden. Er waren er ook toen, wier hoogste levensideaal was in de eere der menschen, zooals aan de andere zijde de groote massa als met open mond hen stond aan te staren, ook al ontging haar de ware beteekenis van de personen, die zij verheerlijkte. De macht gaat gepaard met het aanzien. Daarom streven er zoovelen naar macht, omdat daarin de eere weggelegd is. En in geen menschelijk ideaal treedt meer de ijdelheid aan den dag, dan juist daarin. Dat wordt ons ook hier zelfs duidelijk, want de traditie, die ons in de Heilige Schrift is overgeleverd, heeft geen der namen dezer helden ons bewaard. In de mythen der volken werden er genoemd, waarvan men onmiddellijk beseft, dat zij verdichtingen zijn, maar de Heere heeft niet gewild, dat de naam van één dezer grootmachtigen zou worden bewaard. Zij waren gedoemd tot eeuwige vergetelheid, opdat eeuwen na den zondvloed de Kerk des Heeren de ijdelheld dezer aardsche glorie zou beseffen. Het waren mannen van naam. geweest, beroemde grootheden, groote en machtige heeren, waarvoor de massa had gebogen, die zij misschien ook als goden had vereerd, en toch, in Gods Kerk mocht hun naam niet meer worden genoemd. Zij mocht wel weten, dat er zulke helden of tirannen geweest waren. Zij mocht ook weten, dat de heele wereld had geroepen over hunne grootheid en roem, maar door het verdwijnen hunner namen moest zij ook begrijpen, dat deze voor den Heere als niets waren geacht.
Alzoo gaat er nu van deze oude traditie een ernstige vermaning uit voor het volk Gods, eene vermaning, die ook vooral in dezen tijd van zoo groote beteekenis is, omdat het cultuurbeeld dezer moderne wereld zooveel overeenkomst vertoont met dat der oudste wereld. Wij leven ook nu in een tijd, dat er reuzen opstaan, reuzen niet naar het lichaam, dikwijls ook zelfs niet naar den geest, maar alleen naar de macht. Een hoogst enkele maal komt het voor, dat groote macht wordt gelegd in de hand van een grooten geest. Meestal is dit echter niet het geval, daar de macht in dezen democratischen tijd veeleer door een complex van oorzaken gespeeld wordt in de handen van hem, die zich op den voorgrond drong. En dan verschijnt de geweldige, die dikwijls hetgeen hem aan genialiteit ontbreekt, door ijdelen glans tracht te bedekken. Onze dagen kunnen ons de ijdelheid leeren kennen van de grootdoenerij, die het omgekeerde van de ware grootheid is. Maar als die der reuzen uit de oude wereld, zijn hunne namen en hunne werken tevens voorbestemd voor den ondergang in de vergetelheid. De stroom des tijds vloeit sneller en sneller, alles meezuigend naar den afgrond der oordeelen Gods. En de Heere heeft het aan Zijne Kerk verkondigd, opdat wij slechts deze ééne begeerte zullen kennen, die de Psalmdichter heeft neergelegd in de bede : „Gedenk mijner, o Heere ! naar het welbehagen tot Uw volk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's