KERKELIJKE RONDSCHOUW
NOG EENS : DE SYNODALE VOORSTELLEN.
Wij voelen dus 't meest er voor om bij alle Voorstellen op de aanstaande Classicale Vergadering tegen te stemmen.
Voorstel I is totaal overbodig. Men zende de attestatie. Desnoods een registerkaart met zakelijke gegevens ; hoewel dat volmaakt overbodig is. Want met één bezoek kan men weten hoe het gezin is samengesteld, gedoopte of niet-gedoopte kinderen, kerkbezoeker of niet. En wee ! indien een plaatselijke dominé „alle beschikbare gegevens", dat is : alles wat men weet, gaat toezenden aan „de Gemeente, waarheen iemand, voorkomend in het kerkelijk bevolkingsregister, is verhuisd". Heeft men de kaarten met schriftelijke gegevens van sommige wijkbroeders wel eens gezien en gelezen ? 't Lijkt zoo onschuldig. Maar wij zouden ten sterkste willen ontraden om Voor te stemmen.
Voorstel IV : telkens in het jaar waarin de tien-jaarlijksche stemming enz. zal worden gehouden, een afschrift van den ligger van de Diaconiegoederen enz. aan het Classicaal Bestuur in te zenden — vinden wij, voor zoover wij er over oordeelen kunnen, heelemaal niet noodig. Er is een geregelde controle. Moet er althans zijn. En aanvulling van het Reglement is daarvoor niet noodig.
Voorstel V : de dominé moet eerst de premie betalen voor het Pensioenfonds en die van de bijdrage voor de Kas tot aanvulling van het Rijksemeritaatspensioen, zal hij verlof krijgen een beroep aan te nemen, veronderstelt allerlei ten opzichte van het Reglement op de Predikantstractementen en het Pensioenfonds, dat niet voor 100% zeker is. En de dominé wordt dan gedwongen, ook als financieele moeilijkheden groot en vele kunnen zijn.
Wij voelen er niets voor.
Voorstel VI: het Classicaal Bestuur krijgt het recht, als het eenig vermoeden heeft dat de Diaconierekening niet heelemaal in orde is (op welke gronden wordt niet vermeld) een deskundige (een gediplomeerd accountant dus, die behoorlijk betaald moet worden) te benoemen, voor rekening van de Diaconie, om alles te onderzoeken. En als alles straks „in orde" blijkt te zijn, moet de Diaconie betalen en het Classicaal Bestuur gaat vrij uit. We voelen er niets voor, om dit Voorstel zóó maar aan te nemen, bij al de middelen en wegen die er zijn voor het Classicaal Bestuur en de Kerkvisitatoren, om de dingen behoorlijk te onderzoeken.
Voorstel VII is een crisismaatregel, nu alle materialen voor bouw van pastorie of kerk naar beneden gaan. De stukken zijn gewoonlijk een jaar onderweg ter onderzoek bij en door de verschillende colleges. Als nu de aannemingssom naar beneden is gegaan, wat is er dan natuurlijker dan dat er van de subsidie een zeker percentage wordt afgetrokken. Maar als intusschen de materialen enz. weer omhoog zijn gegaan, tijdens het jaar van onderzoek, krijgt men geen verhooging van subsidie. Is dat billijk ?
Zóó kan het Voorstel niet worden aangenomen. En dan krijgen we de Groote-Stads-Voorstellen (II, III en VIII). We leven in een tijd, dat ieder graag spreekt over den nood der Kerk. De cijfers van de laatste tien-jaarlijksche volkstelling worden dan genoemd. Natuurlijk ! Maar men spreekt er dan gewoonlijk niet van, dat een van de grootste oorzaken van achteruitgang der Ned. Hervormde Kerk is : dat allen die een Christusbelijdenis en een Christusprediking begeeren, maar slecht te spreken zijn over de Hervormde Kerk. Waarbij honderden en duizenden niet zelden een onderdak zoeken bij de Evangelische Gemeente, bij de Gereformeerde Kerken, bij de Christelijke Gereformeerde Kerk, enz. enz. Daarover spreekt „men" dikwijls geen woord, als men het zoo druk heeft over den nood der Kerk. Wat de Kerk als Kerk moet zijn, roert men zelfs niet aan. En meer dan 100 jaar schippert en plooit men nu al, de principieele kwestie altijd weer op een zijspoor zettend. Liever gaat men alles nu als een „zaak" beschouwen en met cijfers en berekeningen wil men alles „zakelijk" aanpakken. De Doop lijkt wel een „zaak", die in cijfers weer te geven is, zooals een koopman z'n koopwaar rubriceert en schat en berekent. En als nu alles maar „zakelijk" wordt aangepakt, krijgt men de kinderen weer bij den Doop, dan komen de jonge menschen weer op catechisatie, doen weer belijdenis, betalen weer hoofdelijken omslag, enz. enz. Dan krijgt men weer een gezond, bloeiend kerkelijk leven. Dan kan 't kerkelijk leven weer „gesaneerd" of gezond gemaakt worden, dan krijgt men straks weer andere cijfers, andere staten, andere boeken. Een kerkvoogd is volgens die redeneering een kerkvoogd, een ouderling een ouderling, een dominé een dominé. En als de Groote Stad dan in hokjes verdeeld wordt en er komt een zeker aantal menschen, die de dingen „zakelijk" weten aan te pakken, volgens systeem, dan komt alles voor elkaar.
Dat wil men nu alles zakelijk regelen en daarvoor wil men nu „de Kerkeraad" inschakelen (Voorstel II). De Kerkeraad (wat is dat in de Groote Stad) zal de Gemeente met meer dan één predikantsplaats indeelen (Baarn, Zeist, Dordt, Leeuwarden, Rotterdam enz. enz.) en de Kerkeraad zal aanwijzen welke predikant en welke ouderlingen in een bepaalde Wijk zullen arbeiden en de indeeling wordt (let op dit woord, want er staat niet „k a n worden ingedeeld, maar wordt) elke 5 jaar herzien. Een wet van Meden en Perzen.
Een dominé die inzake het kerkelijk leven en het kerkelijk vraagstuk b.v. tegen de modernen is (om maar één ding te noemen) kan best huisbezoek doen met een broeder ouderling, die geheel „in den geest van den Heiland", de verdraagzaamheid zelve is en aan de modernen een plaats in de Hervormde Kerk geven wil. Een kerkvoogd is een kerkvoogd, een ouderling is een ouderling, en daarmee uit. Over de kerkelijkheid van de Kerk zelve wordt niet gesproken. Als overigens alles maar „kerkelijk" gemaakt wordt!
Een dominé, die vóór Christelijk Onderwijs is, en de ouders vermaant hun kinderen te zenden naar een School met den Bijbel, kan heel goed, volgens regeling van den Kerkeraad, huisbezoek doen met een ouderling, die volbloed voorstander is van de Openbare School, welke toch de beste Christelijke Volksschool is, die maar denkbaar is, waar de edelste christelijke deugden geleerd worden van liefde en verdraagzaamheid. Die school moet voor volk en Kerk als de beste geacht worden. (Meer dan één strooibiljet, dat aan de huizen van Hervormde ouders uitgereikt wordt, ligt voor ons, op onze schrijftafel).
Wij zullen verder over allerlei andere dingen, rakende het geestelijk, godsdienstig en kerkelijk leven, maar niet spreken. Men voelt nu wel hoe ondoordacht en schijnbaar onschuldig deze dingen zijn, waar men alles nu ineens zoo hoogkerkelijk wil maken in een Kerk, die zelf weigert kerkelijk te leven.
Hoeveel Gemeenten zijn er bovendien niet waar de constellatie, ook bij het beroepen van predikanten zóó is, dat men moeilijk alles binden kan aan een bepaalde Wijk, waarbij de Kerkeraad, zonder meer, indeelt en om de 5 jaar alles moet worden herzien. We noemen nog maar weer even Gemeenten als Leeuwarden met een Evangelisch predikant en een Confessioneel predikant tusschen de andere predikanten en ouderlingen in; Gemeenten als Baarn, Zeist, Dordt, Alkmaar; maar ook Gemeenten als Utrecht, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam. Daar wil men nu ineens allen arbeid hoog-kerkeiijk regelen, terwijl alles er op wijst, dat het kerkelijke van de Kerk niet is, zooals het in de Kerk behoort te zijn.
Wanneer men ons dan ook vraagt: Wat bedoelt het Synodale Voorstel (no. Il) om het godsdienstonderwijs van den predikant nader door den Kerkeraad te laten regelen ? dan begrijpen wij ter wereld niet, wat men bedoelt. Elke predikant heeft z'n catechisaties, zet dat elke week precies in de Kerkbode, zoodat ieder het weten kan. Wat wil de Kerkeraad nu regelen ? Wil de Kerkeraad misschien het recht in handen nemen om te beslissen welke catechisanten men wèl en welke men niet mag nemen ? welke catechisatieboekjes gebruikt zullen worden, welke stof er zal worden behandeld, wat er met de catechisatiebus zal worden gedaan wie de eenvoudige leerlingen, wie de „intellectueelen" zal hebben? Zal de Kerkeraad voor Wijkgebouw, leermiddelen enz. zorg dragen ? Of mag de dominé eerst alles zelf doen, geld bijeen brengen enz. enz., en het dan aan den Kerkeraad (wat is dat soms in de Groote Stad ? ) overdragen ? Zal de Kerkeraad zeggen of men bijbellezingen zal houden en waar dat zal geschieden ? En wat is de bedoeling, dat men aan den Kerkeraad (wat is dat dikwijls in de Groote Stad ? ) het recht wil geven om elke 5 jaar een nieuwe indeeling en regeling te maken ? Moeten de dominees dan verplaatst worden (moeten of kunnen — wat is de bedoeling ? ) van het Oosten naar het Westen van de stad, van het Zuiden naar het Noorden ? [Er staat: „wordt herzien !].
Wij begrijpen er niets van.
En nu de Groote-Stads raad (Voorstel VIII). We hebben blijkbaar nog geen Besturen genoeg. Er kan nog wel méér bij. In 't veen ziet men op geen turfje !
Tot nu toe behartigt Utrecht, Groningen, Haarlem, Amsterdam, Den Haag Rotterdam, z'n eigen zaken. Den Haag en Scheveningen zijn heel anders dan Rotterdam, Kralingen enz. En Amsterdam is wéér heel anders. En Utrecht verschilt weer in vele opzichten.
Nu wil men een Groote-Stads raad in 't leven roepen. (Voorstel Vin, art. 1, 2, 3, 4, 5, 6).
Dat zou dus voor Rotterdam zijn : Hoek van Holland, Pernis, Poortugaal, . Hoogvliet, Feijenoord Charlois, Kralingen, Delfshaven, Rotterdam-Centrum benoemen elk drie leden (1 pred., 1 ouderl. en 1 diaken, aan te wijzen door den Algemeenen Kerkeraad), wat bij sommige van bovengenoemde Gemeenten al niet uitkomt!) en zóó zou men negen (of acht) maal drie leden krijgen, die (27 of 24 of 21 leden, zullen we nu maar zeggen) den Opper-Kerkeraad voor de Gemeenten binnen burgerlijk Rotterdam zullen uitmaken.
Alleen dit voorbeeld te noemen, is o.i. voldoende om te zeggen : Spaar ons toch zulke dingen, bewaar ons toch voor zulke rampen ! |
De onkosten moeten gedragen worden door de verschillende Gemeenten „naar rato van het aantal predikantsplaatsen in elke Gemeente". Dat is dus voor Rotterdam-Centrum 18 porties !
Verder staat in Voorstel VII (want we zijn niet zoo gauw klaar als de heeren beginnen om alles „kerkelijk" te maken) nog een nieuw instituut. Zie artt. 7—13. Dat is een Groote-Stedenraad. Heel iets anders dus dan de Groote-Stads raad in artt. 1—6].
De geestelijke belangen van de groote steden moeten behartigd worden. Natuurlijk. Daarvoor heeft Utrecht een Kerkeraad, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag enz. Maar neen ! dat is niet genoeg. Er moet een Opper-opper-Kerkeraad komen, die aldus wordt gevormd en samengesteld : ieder der Groote-Stadsraden (opgelet!) benoemt uit zijn midden (denk aan de Groote-Stadsraad van Rotterdam—Hoek van Holland—Delfshaven enz. enz.) één lid uit zijn midden. En dan benoemt de Algemeene Synodale Commissie minstens drie leden uit de lidmaten der Kerk (dus uit Breukelen, Almelo, Workum, IJmuiden, enz. enz. enz.). Die Groote-Steden raad vervult zijn taak (art. 9) in voortdurende samenwerking met de Groote-Stadsraden (opgelet!) en met de Kerkeraden der randgemeenten (welke verhoudingen dit schept, zegt het verhaal niet).
De Groote-Steden raad geeft aan de Algem. Synode adviezen, maar niet zonder voorafgaand overleg met den bij een bepaalde zaak betrokken Groote-Stads raad. De Kerkeraad van Rotterdam, Delfshaven enz. enz. is dus uitgeschakeld, om bij de Synode met geestelijke belangen aan te komen.
De kosten zullen langs een zéér ingewikkelden weg moeten gevonden worden. (Art. 11).
Het Huishoudelijk Reglement ressorteert onder de Algemeene Synodale Commissie !
Wij kunnen begrijpen, dat de Synode in haar laatste zitting zonder vorm van proces gezegd heeft : laat deze dingen nu maar glippen en laten de Classicale Vergaderingen deze puzzle maar eens onder handen nemen, dan kan 't het volgende jaar zonder vorm van proces in 't archief worden opgeborgen.
En wij hopen, zeer hartelijk, dat dit de weg mag zijn voor dit Voorstel. Wij zullen er geen traan om laten.
SPURGEON (5).
Wij zijn onwillekeurig gewoon, als wij over Spurgeon spreken, alleen te denken aan den beroemden prediker. Dat ligt ook voor de hand, omdat over heel de wereld, en ook in ons land, de preeken van Spurgeon overbekend zijn. Toch mag niet vergeten worden, wat hij als philanthroop heeft tot stand gebracht, al is dat soort werk uit den aard der zaak beperkt tot zijn Vaderland, wat met zijn preeken en theologische geschriften niet het geval is.
Wij willen eerst nu nog Spurgeon als prediker beschouwen, daarna over hem spreken in zijn velerlei arbeid als philanthroop.
Dat Spurgeon 5 a 6000 menschen onder z'n gehoor had, was „heel gewoon". Als hij in de Koninklijke „Surrey Music Hall", een gebouw met glazen koepels en geweldige gaanderijen, sprak, waren er wel 12000 hoorders. En in bijzondere tijden, wanneer nationale rampen of moeilijkheden het volk in beweging brachten, was schier ieder nieuwsgierig te hooren wat op den Zondag Spurgeon van deze dingen zeggen zou, en dan sprak hij wel voor een ongelooflijk groote schare van 20 a 30000 menschen. Wanneer men bedenkt, dat onze groote stadskerken 1400 a 2000 menschen kunnen bergen, kan men zich voorstellen hoe enorm de toeloop was bij Spurgeon.
Behalve een vaste kern — de eigenlijke Gemeente, dat inderdaad een Pinkstergemeente, een Gemeente des Geestes en des gebeds was — bestond het gehoor uit allerlei soort van menschen, mannen, vrouwen en kinderen, waarvan niet weinigen uit nieuwsgierigheid kwamen, zooals men wel naar een publieke vermakelijkheid gaat, of zooals men tegenwoordig bij duizenden en tienduizenden naar een sportterrein gaat, om van een voetbalwedstrijd getuige te zijn. Alleen is het onderscheid, dat tusschen de tienduizenden die luisterden naar de prediking van Spurgeon, telkens zielen werden getroffen en zondaren werden bekeerd, niet één, maar tien en honderd en meer. Want God deed groote dingen door de prediking van Spurgeon.
Hoe de vijanden minachtend neerzagen op het publiek, dat Spurgeon rond zijn kansel veranderde — de heer met hoogen, zijden hoed, staande schouder aan schouder met den man in den werkmanskiel —, kan blijken uit een spotprent, die Spurgeon voorstelt op den kansel met een net in zijn hand, bezig lichtgekleurde vlinders en gevleugelde insecten te vangen !
Al spottend had men niet begrepen dat Spurgeon slechts één wensch koesterde : zielen te innen en binnen te brengen in het Koninkrijk van Jezus Christus. Waarbij hij in zijn prediking dan eens uitriep : „indien hier een verloren zoon is, die het huis zijns vaders zondig verlaten heeft, die hoore des Heeren Woord : Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven" ; dan weer : „indien hier iemand is die van plan is zelfmoord te begaan, die hoored es Heeren Woord : Waarom zoudt gij sterven, ik ben de opstanding en het leven", welke woorden niet zelden werden gesproken op dezelfde manier, als die soldaat in eenvoudigheid zijn pijl afschoot, waarmee hij den koning trof tusschen de gespen van zijn pantsier.
Het ééne groote doel der prediking was voor Spurgeon: „bekeering". Dat er in de preiking een onderwijzend element is, is goed. Ook is het goed, de liefde van Christus te prediken en de verzoening door Golgotha's bloed, maar volgens Spurgeon moet de prediking altijd als haar laatste doel nastreven, zondaren in het hart te grijpen en van de paden der wereld en der zonde af te brengen. Tot zijn studenten — over die opleidingsschool van Spurgeon spreken we later nog — zeide hij altijd : Mannen broeders, wij moeten biddend pleiten en ons onderwijs in de prediking altijd laten gepaard gaan met smeekingen : laat u met God verzoenen. Altijd en overal moeten wij er op uit zijn de menschen de toevlucht tot Jezus te doen nemen, opdat zij toch maar behouden mochten worden ! „Diep overtuigd, dat de goddeloozen in groot gevaar verkeeren" — zei hij — „moet gij hen geen oogenblik rust laten ; klop altijd op de deur van hun hart; klop, als op leven en dood. Als gij u zóó inspant, en tracht hen „opnieuw te baren", zal God u zegenen en gij zult getuige mogen zijn van hun geestelijke opstanding."
Nu moet niemand denken, dat Spurgeon iemand was, die meende, dat hij menschen kon bekeeren. In dit opzicht oordeelde hij zéér ootmoedig, ook over de uitwerking, die zijn eigen prediking op de menschen had. Hij was voor niets zoo benauwd, als voor bekeeringen, die het werk van menschen waren. Bekeering is een werking des Geestes en een gave Gods en niet een succes, dat de mensch behaalt — schreef hij. Toen een jong, met zichzelf ingenomen predikant, hem eens vroeg, hoeveel menschen hij wel bekeerd had, antwoordde Spurgeon : „Slechts twee — en met die twee is het nog slecht afgeloopen, de anderen heeft God bekeerd."
Als visscher der menschen zielen te mogen winnen voor Zijn hemelschen Zender, voor Jezus Christus zijnen Heere, was zijn levensdoel en zijn levenslust. Daarop en daarop alléén was steeds zijn oog gericht. Daartoe moest alles dienstbaar worden gemaakt. Daaraan waren al zijne gaven en krachten gewijd. Dat was het geheim zijner kracht.
Men behoeft slechts enkele zijner vele leerredenen te lezen, om dat terstond te voelen. Spurgeon, die geen bestudeerd en academisch gevormd predikant was, was een man van veel studie. Zonder boeken kon hij niet. Dan voelde hij zich „als een zwaan in een vijver, waarin geen water was." [Zijn vrouw heeft later een „Boekenfonds" gesticht, om aan armere predikanten, meestal ééns per jaar, boeken te verschaffen. Dit werk heeft mevr. Spurgeon jaren lang met groote trouw en toewijding, ook onder groote dankbaarheid der ontvangers, behartigd].
Spurgeon maakte veel werk van zijn preeken. Hij had geen vrijmoedigheid den kansel te betreden, indien hij zich niet ernstig had voorbereid. Hij wilde God niet verzoeken. Toen hij eens van een predikant hoorde, die soms in de kerkekamer nog niet goed wist waarover hij zou spreken en die weinig werk maakte van zijn voorbereiding, zei Spurgeon : „de dominé maakt niet veel werk van zijn preek, de gemeente beloont dezen prediker door er ook weinig werk van te maken."
Hoewel Spurgeon zijne preeken niet geheel en al schreef — zij zijn gedrukt naar eene stenografische reproductie — maar naar korte aanteekeningen improviseerde, kenmerken zij zich door een gelijkmatigen stijl, die blijk geeft van studie der beste voorbeelden op homiletisch gebied. De zinsbouw is duidelijk en krachtig, de taal eenvoudig en zuiver, de voorstelling altijd helder. Dat zijn stijl ietwat gezwollen is, zonder bombastisch genoemd te kunnen worden, is mee te verklaren uit de tijdsomstandigheden, zooals wij dat b.v. in ons land ook zien bij kanselredenaars als Beets en Van Oosterzee. Ook daar is het stempel van den tijd, waarin zij leefden, duidelijk merkbaar.
Nevens eene bijzondere gemakkelijkheid van uitdrukking, treft ons steeds de keuze van het juiste woord. Frissche, forsche gedachten worden uitgesproken in pakkenden vorm en een rijkdom van beelden, aan het dagelijksche leven ontleend — naar 't voorbeeld van de spreekmethode van den Heiland, die in gelijkenis en beeld de schare leert aangaande de dingen van Gods Koninkrijk — wordt ter rechter tijd en plaats toegepast. De grondtoon dezer leerredenen — die gewoonlijk in den loop der zelfde week in druk verschenen en in Engeland en Amerika, gelijk in andere landen, bij duizend-en tienduizendtallen werden verkocht en verspreid — is overal heilige ernst als vrucht van een onwrikbaar geloof, en ook waar hier en daar een schertsend woord voorkomt of een pakkende geschiedenis wordt verteld, doet dit aan den ernst geen afbreuk. Practisch is de strekking in de hoogste mate en het blijkt in deze leerredenen duidelijk, dat Spurgeon gelijk had, toen hij van zichzelven zeide : „ik heb niet het minste greintje van speculatie in mijne natuur." Veeleer was hij een man des gebeds !
Er is in zekeren zin niets vreemds in, dat zulk een prediker boeide, als wij daarbij weten, dat hij een welluidende stem had, rijk aan zilverklank, liefelijk om te hooren, krachtig en omvangrijk als weinige, zoodat hij in staat was zich (zonder luidsprekers, die er toen nog niet waren !) in de grootste ruimten verstaanbaar te maken tot aan de uiterste hoeken van de grootste gebouwen. Eens heeft hij zelfs in de „Agriculture Hal" in Islington een gehoor van 30.000 personen van het begin tot het einde kunnen boeien. Met de grootste kalmte, zonder eenige zenuwachtigheid (in zijn goeie dagen) wist hij die wondervolle stem, die hij door oefening volkomen meester geworden was, te gebruiken. Alle buigingen er van was hij machtig ; vol en meesleepend klonk zij, rollend als de stem van den donder over de ademloos luisterende menigte, met de kracht van een bazuin, om een oogenblik daarna met een indrukwekkend fluisteren zelfs de verst-afzittenden te ontroeren. Met deze stem zoowel als met het woord, dat zij bracht, sprak hij tot de gewetens, zooals maar zelden iemand vermocht. (Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's