STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE FINANCIEELE MOEILIJKHEDEN.
De wereld verkeert op dit oogenblik in groote spanning.
Naar de Britsche minister Thomas onlangs tot vertegenwoordigers der Dominions zeide, leven wij op den rand van een vulkaan.
En inderdaad is dit zoo.
Men behoeft slechts de bladen te lezen om op de hoogte te komen van de gevaren die allerwegen, doch in het bijzonder op internationaal gebied, dreigen.
De spanning, waarvan wij hierboven gewag maakten, vindt haar oorzaak in twee dingen.
Eerstens in de financieele moeilijkheden, waarin de Rijken tengevolge van het lang aanhouden der crisis geraken, en verder in de minder gunstige verstandhouding bij de volken onderling.
Wat de financieele moeilijkheden aangaat, deze doen zich zoowel in de landen buiten, als in Europa voor.
In de Vereenigde Staten zijn vooral in den laatsten tijd groote kapitalen verloren. Ook zijn de inkomsten daar te lande niet meer toereikend om in het noodzakelijk levensonderhoud der bevolking te voorzien. Daarbij komt, wat den toestand nog verwarder maakt, dat de prijzen der levensmiddelen steeds omhoog gaan, de arbeidsverhoudingen slechter worden en de koopkracht vermindert. Ondertusschen neemt de overproductie bij gemis van afzet in zulken omvang toe, dat men in de Vereenigde Staten meer en meer met de voorraden verlegen komt te zitten. Voegt men aan dit alles nu toe, dat de dollar nog altijd zijn stabiliteit mist, wat bijzonder den handel met het buitenland bemoeilijkt, dan is het duidelijk, dat, waar de Vereenigde Staten een alles overheerschende plaats in de rij der volken inneemt, er zich van de Regeeringen een onrustig en onbehagelijk gevoel meester maakt.
En zooals het in Amerika staat met de Vereenigde Staten, zoo gaat het in Europa, b.v. met Duitschland, welk land steeds dichter den financieelen afgrond nadert.
Bij de laatste conferenties, die te Berlijn met de buitenlandsche schuldeischers van Duitschland plaats hadden, werd door de Duitsche Regeering onomwonden verklaard, dat zij niet bij machte is om aan hare financieele verplichtingen tegenover het buitenland te voldoen. Niet alleen kan Duitschland — zoo werd vastgesteld — de schulden, waarvan de betalingstermijnen sedert lang vervallen zijn, niet aflossen, maar het ziet zelfs ook geen kans de renten van die schulden te betalen, hoogstens verklaarde de Regeering zich bereid de rente van de renten te vereffenen.
Volgens officieele mededeelingen en blijkens den toestand van de Duitsche Rijksbank, moeten de geldmiddelen uitgeput zijn.
Reeds is de financieele positie van onzen oostelijken nabuur zoó slecht geworden, dat van dekking van het papieren geld door goud haast geen sprake meer is. Daarbij komt, dat de Duitsche Rijksbank in de eerstvolgende weken van haar kleinen goudvoorraad naar schatting nog veertig millioen aan goud heeft af te staan, waarvan het gevolg zal zijn, dat dan de geheele gouddekking niet meer bedragen zal dan 2%.
Zoo de zaken staande, zal het niet behoeven te verwonderen als Duitschland binnenkort gedwongen wordt om tot de afkondiging van een moratorium (opschorting van betaling) over te gaan. *)
Of de gouden standaard in dat geval zal kunnen behouden blijven, zal nader moeten blijken. Mocht Duitschland den gouden standaard verlaten, dan zal inflatie niet kunnen uitblijven. En daarmede zal zich dan de financieele situatie van de jaren kort na den wereldoorlog herhalen.
Zooals vanzelf spreekt, slaat de uitputting van de geldmiddelen van Duitschland in haar gevolgen terug op het economisch leven van dat land. Is er toch geen geld meer om de buitenlandsche goederen te betalen, dan moet de invoer worden stopgezet. En daarvan zullen op hun beurt de uitvoerlanden naar Duitschland, dus ook ons land, groote schade ondervinden.
Wil Duitschlands financieele positie gunstiger worden, dan is ruimere uitvoer noodzakelijk. Doch welk land zal er aan denken, om Duitschland nieuwe credieten te verleenen ? Zoo wordt de toestand steeds verwarder.
Hoe Duitschland zich uit de financieele inzinking redden zal, is dan ook het raadsel, waarvoor de wereld zich geplaatst ziet.
De chaos staat daar voor de deur.
Ook Italië gaat denzelfden weg op.
Reeds wezen we er bij een vorige gelegenheid op, dat de schuldenlast van Italië op schrikbarende wijze toeneemt. Als bewijs, hoe in dat land de financiën nijpen, moge dienen het ministerieel besluit van 26 Mei 1.1., waarbij een strenge deviezen (geldswaardige papieren) controle is afgekondigd geworden.
Transacties in wissels op het buitenland of in vreemde deviezen mogen niet anders dan onder zeer scherpe voorwaarden plaats hebben. Uitvoer, onverschillig om welke reden of om welken vorm ook, zoo meldt Handelsberichten van 7 Juni, van bankbiljetten en van elke categorie van effecten, luidende in lire, is verboden.
Zoo worden de financieele moeilijkheden, waar in de volken ten gevolge van het lang aanhouden van den oorlog geraakt zijn, bij den dag grooter.
Is het wonder, dat de wereld in groote spanning verkeert en zich afvraagt, hoe het in de naaste toekomst gaan zal ?
En daarbij komt, wat misschien nog erger is dan de financieele inzinking, de minder gunstige verstandhouding bij de volken onderling.
Doch daarover D.V. de volgende week.
NIET AANVAARDBAAR.
De Schoolraad voor de Scholen met den Bijbel heeft een adres bij de Tweede Kamer ingediend, waarin hij verklaart de voorgestelde wijziging tot verbetering van de bestaande opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen hoogelijk te waardeeren en voorts, dat hij elke poging toejuicht, die tot een dergelijke verbetering zou leiden.
Een drietal voorstellen heeft de Schoolraad in de voorgestelde regeling aangetroffen, die hem bijzonder sympathiek zijn :
de practische vorming der kweekelingen; de zoo mogelijke verlenging van den duur der opleiding ; en de uitwerking der financieele gelijkstelling voor de bijzondere kweekscholen.
Toch acht de Schoolraad, ondanks de verbeteringen die het wetsontwerp voor het lager onderwijs inhoudt, de voorgestelde regeling niet aanvaardbaar.
Allereerst wijst de Schoolraad er op, dat volgens artikel 43 van het ontwerp, de Kroon met ingang van 1 September 1935 zal overgaan tot vermindering van het aantal kweekscholen.
In de toelichting op dit artikel wordt een „sterke" vermindering noodzakelijk geacht, in verband met de geconstateerde wanverhouding tusschen vraag en aanbod op de onderwijsarbeidsmarkt.
Deze positieve verklaring, die verschillende passages in de Memorie van Toelichting scherp accentueert (b.v. het slot der algemeene beschouwingen), wettigt de gevolgtrekking, dat de aangekondigde opheffing van kweekscholen een conditio sine qua non is voor de in het uitzicht gestelde verbetering der opleiding.
Reeds om deze reden alleen zou de Schoolraad zich scherp kanten tegen het ontwerp. Vermindering van het aantal Protestantsch-Christelijke kweekscholen acht hij niet verantwoord. Nog voor enkele jaren deed zich zelfs de behoefte aan uitbreiding van dit aantal gevoelen en was het noodig, dat parallelklassen aan de kweekscholen van Rijkswege werden gesubsidieerd. Het is dan ook stellig niet het verleden, hetwelk — aangenomen dat dit in verband met de vele wijzigingen op onderwijsgebied in de jaren na 1920 (b.v. de variatie der leerlingenschalen; de invoering van het zevende leerjaar, enz.) mogelijk ware — met klem van redenen wijst in de richting van vermindering der Christelijke kweekscholen.
Door de bijzondere tijdsomstandigheden is er thans inderdaad een te veel aan bevoegden. De Schoolraad acht dit verschijnsel, hoe betreurenswaard ook voor de betrokkenen, evenwel niet een voldoenden grond om deswege over te gaan tot opheffing van kweekscholen, welke opheffing (evenals trouwens de oprichting van nieuwe kweekscholen) eerst na een bepaald aantal jaren effect sorteert op den aanwas van het aantal bevoegden. De geschiedenis heeft wel geleerd, dat de vraag naar en het aanbod van onderwijzers door velerlei factoren — dikwijls op vrij korten termijn werkend — sterk worden beïnvloed.
Te meer eischt de mogelijkheid van een opnieuw intredend tekort overweging, wijl artikel 32, lid 1, van het ontwerp de vrije opleiding brengt in zoodanige bestaansonzekerheid, dat op recruteering langs dien weg allerminst met voldoende zekerheid kan worden gerekend.
Vermindering van het aantal Christelijke kweekscholen acht de Schoolraad derhalve onmogelijk. Het in het uitzicht gestelde, voorafgaande overleg met de betrokken organisaties, biedt z.i. hiertegen niet voldoende waarborg.
In de tweede plaats acht de Schoolraad zich verplicht te wijzen op de belangen der ouders, die door dit voorstel niet onbeteekenend worden geraakt. Verlenging van den duur der opleiding, waartegenover het ontwerp geen vaste tegemoetkoming uit de publieke kas gedurende de laatste twee jaren voor het eindexamen stelt, brengt een verzwaring van de lasten der ouders mede, waarover niet te licht mag worden geoordeeld. Daartegen kan niet worden ingebracht, dat de pas afgestudeerden ook thans weinig kans hebben op plaatsing in een betrekking met voldoende inkomsten. Dit laatste is een crisisverschijnsel, terwijl het wetsontwerp een blijvende regeling bedoelt te geven.
Na het bovenstaande acht de Schoolraad het onnoodig breedvoerig stil te staan bij andere bezwaren tegen het wetsvoorstel in zijn onderdeden ; bezwaren tegen de regeling der bevoegdheden ; bezwaren, verband houdende met de consequenties dezer regeling ten opzicht van de salariëering der onderwijzers ; bezwaren tegen het opleggen van een normaal leerplan, verband houdende met de gelegenheid voor het onderwijs in de richtingsvakken, e.d.
Naar aanleiding van deze ernstige bedenkingen is het, dat de Schoolraad de voorgestelde wijziging tot verbetering van de bestaande opleiding van het onderwijzend personeel niet aanvaardbaar acht.
De Schoolraad formuleert zijn wenschen in deze conclusies, waarmede wij het van harte eens zijn :
Met de reguleering van de opleiding bij de wet worde gewacht, totdat de door den Minister aangekondigde algeheele reorganisatie van het onderwijs in zoodanig stadium zal zijn gekomen, dat de nieuwe regeling der opleiding beoordeeld kan worden in onderling verband en samenhang met het genoemde reorganisatieplan in zijn geheel.
*) Intusschen is het moratorium, nadat het bovenstaande geschreven was, de vorige weeK afgekondigd geworden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's