FINANCIËN
Vóór eenigen tijd beluisterde ik een gesprek van een vrouw, die nog wel niet tot de ouden zich rekende, maar toch reeds meer dan een halve eeuw achter zich had. Een gelukkige jeugd wist zij zich te herinneren. Welke heerlijke jaren had zij gesleten in dat eenvoudige dorpje. Het verlangen, daar nog eens opnieuw een bezoek te mogen brengen, werd tenslotte zoó sterk, dat zij besloot daaraan gevolg te geven. Zij kwam er, maar wat was alles veranderd. De omgeving, niet alleen de huizen en straten, de pleintjes en grachten, schenen haar een miniatuurvorm te hebben aangenomen, doch het meest de menschen. Die met haar jong waren geweest, waren lang niet alle meer in 't leven. Miste zij er niet juist, aan wie zij zich indertijd 't sterkste voelde verbonden ? Och, wat keerde zij teleurgesteld weder. De verzuchting rees : „was ik er maar niet geweest; had ik mijn gedachtenbeeld maar ongecorrigeerd gelaten".
Wij verstaan daar allen iets van, wanneer wij een zekere leeftijdsgrens hebben overschreden. Toch is dit lang niet altijd zoo in uitkomst. Het hangt er maar van af, als wij een zekeren nuchterheidszin hebben mogen bewaren. Het Woord des Heeren dient ook in dezen ons geduriglijk voor te lichten. Dit zegt ons toch : „de wereld gaat voorbij met al hare begeerlijkheden". Niets, ook wij zelf niet, heeft bestand. Ook wij boeten ieder jaar iets in.
Toch kan een terugtreden op den weg, een omzien op het pad dat achter ons ligt, ons nog zoo goed doen. Een enkelen ouden vriend of vriendin te ontmoeten, met wie wij aangename oogenblikken hebben mogen beleven, kan zoo verfrisschend werken. Een enkel woord ontsluit nog een kostelijk stuk van uw eigen leven. Zoo ging het tenminste mij, toen ik dezer dagen nog eens toefde in den kring van oude vrienden, thans aangevuld met niet weinigen van een opkomend geslacht, van wier aangezicht ik duidelijk de herkomst kon aflezen. Wat 'n warmte kwam me hier toch tegen. Hoe aangenaam stemt dit voornamelijk in onze vaak koud-aandoende wereld onzer dagen. Wat een behoefte heeft een mensch aan deze warmte. Met een enkel woord leeft alles weer, wat ge voor tal van jaren hebt doorgemaakt. „Weet ge nog wat we toen hebben besproken en wat we toen op onzen weg zagen geplaatst ? Hoe heerlijk de uitreddingen waren welke zoo klaar en duidelijk van Gods ontfermingen getuigden", zoo kon telkens worden opgemerkt.
Wat ouder iemand wordt, wat meer hij hecht aan het verleden. Het gevaar is zelfs niet denkbeeldig, dat hij, wat voorbijging omlijst met lichtenden rand, terwijl het heden met enkel donkerheid wordt omgeven. Natuurlijk dient voor dit gevaar gewaakt.
Gods zorgende hand dient èn in het een èn in het andere te worden opgemerkt.
Wanneer dit bij ons maar vaststaat: wat van ons is, waar onze naam op prijkt, gaat voorbij, doch, waar God Zijn ademtocht over liet henengaan, wat van Hem is, blijft.
Zou ook hierin niet het geheim zijn gelegen van die echte vriendenbanden ? Deze blijven altijd trekken. Deze zijn de meest hechte van heel de wereld. Hierin vindt ge ook de verklaring van de meest vruchtbare samenwerking. Gods Koninkrijk moet worden uitgebreid. Zijn grootheid vermeld, Zijn Naam worden lofgezongen. Ziet hier wat wordt aangevoeld als het meest noodzakelijke. Welke plaats wij daarbij innemen doet weinig ter zake. De laagste plaats is ons goed. Men is zelfs bang hierbij een indruk te vestigen, dat het om eigen eere is begonnen. God alleen is groot, en de boodschap des heils door te geven de grootste eere voor het schepsel.
Wij hebben hiervan weer opnieuw iets mogen gevoelen. Dit laatste bleek ons zoo duidelijk in woord en daad. Toen we hier waren, mochten we niet alleen voorgaan bij de bediening des Woords, doch tevens een collecte houden voor de beide fondsen, waarvan de bestemming hetzelfde doel beoogt, n.l. de waarheid Gods in steeds breederen kring verbreiden.
Wat een medeleven was er in beide. Een luisterend oor en een gevende hand, konden duidelijk worden opgemerkt. Heerlijk dit te mogen ervaren : Ik, de Heere, wordt niet veranderd, daarom zijt gij, o kinderen Jakobs, niet verteerd".
Dit is zoo moedgevend. Niet wij, maar Hij moet vooropgaan. Niet wij bepalen de richting, maar Hij, waarlangs onze voet mag gaan. In deze dagen merk ik dit zoo telkens. Hij waakt over het Zijne. Onze meest gebrekkige arbeid blijft daarom niet ongezegend.
Toen een der vrienden me dan ook de opmerking maakte: „wat zijt ge toch een mensch, wiens wegen van voorspoed getuigen", kon ik daarop niet anders antwoorden dan met: „wie volgen mag, loopt gemakkelijk". Gods daden beschamen ons altijd. Hij beschaamt ons klein-en ongeloof geduriglijk weer.
'k Geloof niet, dat dit zich laat weerspreken. Was verleden week de uitkomst verrassend, en maakte het ons stil voor den Heere, ook nu mag hetzelfde worden vermeld. Toen de vorige verantwoording werd besloten met de enkele woorden : er staan nog schooven op het veld, waartusschen ik mag oplezen, en daar gaan nog ploegers rond, die enkele vruchten bloot leggen voor zoekende handen, kon ik niet gelooven, zooveel te mogen vergaderen en na te lezen. Al zijn de posten ditmaal niet zoo veel in aantal, de opbrengst is des te grooter.
Mag ik ze u eens voorleggen ?
1. Uit Kralingen kreeg ik nog een nagift van 1 gulden ƒ 1.— Dit was het begin.
2. Uit Den Haag gewerd me de Paaschinzameling, welke bedroeg „ 62.25 Verschillende oorzaken schijnen meegewerkt te hebben, dat de collecte ditmaal minder heeft opgebracht dan gewoon. Wij hopen alzoo op later.
3. Van N. N. alhier kreeg ik naast een gift voor de Wijk nog vijf gulden voor de beide fondsen „ 5.—
4. Door den eerw. heer K. Asmus, voorganger bij de Evangelisatie te Moordrecht, kreeg ik uit den collectezak aldaar „ 2.50
5. Van N. N. te Dinteloord voor 't Studiefonds „ 5.—
6. De Paaschinzameling te Delfshaven was voor mij een verrassing. Zij bedroeg niet minder dan „ 147.50 Heerlijk, zooveel Rotterdam en naastliggende gemeenten bijdragen voor onzen arbeid. Wij zijn daarvoor uiterst erkentelijk en betuigen onzen warmen dank.
7. Het bekende busje van onzen vriend C. Bardelmeijer leverde over de afgeloopen maand op „ 4.05
8. En nu het sluitstuk.
Het was in de jaren 1907—1909, dat ik in de gemeente van Hazerswoude nog al eens mocht voorgaan, 't Was toen wijlen onze vriend ds. J. J. van Ingen daar werkte. Wat een warmte kwam je toen tegen. Welk een genot was het daar te mogen verkeeren. De banden, toen gelegd, zijn gebleven. Ook later heb ik menig keer daarvan de bewijzen ondervonden. Zoo kunt ge begrijpen, dat toen voor eenigen tijd mij de vraag werd gedaan in de maand Juni nog eens te willen voorgaan, ik hem dadelijk antwoordde : graag. Temeer, waar mij gezegd werd dan tevens een collecte te mogen houden voor onze fondsen, en wel in beide beurten.
't Was voor mij gerust een feest, 'k Ben er met heel veel genoegen geweest èn wat de prediking aangaat èn wat de collecte voor mij beteekende.
De ronde som is mij nog niet bekend, maar dit werd. me gezegd : Ge moogt in uwe verantwoording vermelden, dat er inkwam de kolossale som van „ 230.—
Dit is tweemaal zooveel als ik had gedacht en gehoopt, 'k Heb Gods hand duidelijk gevoeld en Hem er voor gedankt en geprezen. Ruste Gods zegen er op en leere Hij ons in alles Zijn wijze wegen op te merken. Hij zij u en ons allen, inzonderheid in onze dagen, gunstrijk nabij. De leiding van Gods Geest zij ons gezamenlijk deel.
Wat binnenkwam in deze week bedraagt niet minder dan
f 457.30
Aan allen onzen hartelijken dank.
Utrecht.
Ds. J. GOSLINGA.
P.S-Bij de vorige verantwoording stond een post, n.l. no. 20, uit den collectezak van Hilte, dit moest zijn „uit Hattem".
Ds. J. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's