De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

7 minuten leestijd

Dit is de erve der knechten des Heeren. Jesaja 54 vers 17 m.

God spreekt hier van knechten — zoo noemt Hij ze : knechten en toch — erfgenamen ! Wonderlijke saam voeging van twee schijnbaar niet bij elkaar behoorende zaken. De apostel Paulus spreekt over zonen, die erfgenaam zijn ; de profeet Jesaja heeft het over knechten, die erven zullen.
Knechten des Heeren — 't was de naam, die het oude Bondsvolk was gegeven om het theocratische van de verhouding tusschen Jehova en Israël aan te duiden. Is het niet ook de eerenaam voor het Israël aller eeuwen : de Kerk des levenden Gods, die Hij „in eenigheid des waren geloofs uit alle geslacht en taal en natie en tong saamvergadert", opdat het Hem een gewillig volk zal zijn ten dage Zijner heirkracht ?
De pelgrims naar het oude Jeruzalem noemden zich zoo, wanneer ze in hun optochtsliederen jubelden : Hallelujah ! looft gij knechten des Heeren ! looft den naam des Heeren. Maar ook over de burgers van het nieuwe Jeruzalem, der stad, welker bouwmeester en kunstenaar de Heere zelf is, staat geschreven : „en Zijne dienstknechten zullen Hem dienen."
Dat is de taak van alle geloovigen, waartoe ze in Jezus Christus geroepen zijn : God te dienen, zooals de engelen, die als gedienstige geesten voor den troon zijn om op de minste Zijner wenken Hem te dienen en den Vader te verheerlijken ; zooals Jezus, Wiens spijze het was te doen den wil des Vaders, en die in een weg van volkomen dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid zich de Knecht des Heeren heeft betoond.
Wie nu in gehoorzaamheid des geloofs ernst maakt met Gods gebod, den ouden mensch afstervend naarmate door de vernieuwende werking des Heiligen Geestes Christus gestalte in ons krijgt, die heeft deel aan de erve der knechten des Heeren en mag met David zingen :
O, blij vooruitzicht dat mij streelt. Ik zal, ontwaakt. Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen ; Verzadigd met Uw godd'lijk beeld.
Wat die erve der knechten beteekent, heeft de profeet in het voorafgaande beschreven en als we dat lezen met verlichte oogen, in geloovige toeëigening, dan mogen we wel zeggen : „De snoeren zijn mij in lieflijke plaatsen gevallen, ja, een schoone erfenis is mij geworden."
Die erve toch omvat allereerst verlossing van moeite en smart (vers 11).
Is niet het uitnemendste van dit leven moeite en verdriet vanwege de werking en woeling der zonden, ook na ontvangen genade ? En toch :
Een oogenblik moog' ons doen beven. Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.
Vervolgens al wat schoon is, al wat heerlijk is om te aanschouwen in hemel en aarde, dat zal God geven tot een erve voor Zijn knechten. Jesaja kan het niet kostelijk genoeg maken, als hij in menschelijke taal moet uitdrukken, wat de Heere hem daarvan heeft meegedeeld (vers 11 en 12).
En nog meer : „Al uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijn", zoo roept hij uit. Geen onwetendheid dus meer, noch ongeloovigheid aangaande God en de goddelijke dingen. „Alsdan zullen we kennen, gelijk we gekend zijn geworden, " zegt Paulus, en hij bedoelt hetzelfde als Jesaja — 't zal niet zijn een wijsheid van deze wereld, altijd gebrekkig, onvolkomen, maar de wijsheid Gods, waarin ze door den Heiligen Geest, die in alle waarheid leidt, zullen worden onderwezen, zoodat er op geen vragen onbevredigende antwoorden zullen worden verkregen of in raadselen de mensch langer zal rondwandelen op aard, ten prooi aan inwendigen strijd en onrust, neen : „De vrede uwer kinderen zal groot zijn" (vers 13). Onder de regeering van den Vredevorst zullen ze bevestigd worden in hun staat. De vrede, dien Jezus Christus geeft, is een andere vrede dan dien de wereld geeft, welke onbestendig is, maar het Koninkrijk der hemelen zal zelfs door de poorten der hel niet overweldigd worden.
Wie dus tot de knechten des Heeren mag behooren, die Zijn welbehagen doen, die zullen verre zijn van verdrukking en verre van verschrikking
Geen kwaad zal u genaken. De Heer zal u bewaken.
Al deze heerlijke dingen worden door den profeet gezegd de erve te zijn van het volk Israël in later dagen, en in hooger zin geldt dit nog meer van de erve der heiligen in het licht, de onverderfelijke en onverwelkelijke erfenis, 't onbeweeglijke Koninkrijk^ dat in den hemel der hemelen is weggelegd^; totdat het in den dag der dagen met de wederkomst des Heeren zal neerdalen „als een bruid, voor haren man versierd", zegt Johannes, en Paulus herhaalt het profetisch getuigenis : „Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en, in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben."
Want als Paulus den Corinthiërs schrijft, niet anders onder hen te willen weten dan Jezus Christus en dien gekruist, een prediking, niet van menschelijke wijsheid, maar de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was", dan dringt hij daarmee door tot den wortel der zaak, de eigendomsgronden, die de geloovigen op de erve der heiligen in het licht, kunnen doen gelden. En dan is dat geen ander recht, dan dat God het hun bereid heeft. Het vrije welbehagen, dat eeuwig Hem bewoog Zijn Zoon tot een Borg en Middelaar te beschikken.
„Hunne gerechtigheid is uit Mij, " spreekt de Heere ; zoo laat Jesaja in het slot van onzen tekst nog volgen, d.w.z. dat Ik ze als rechtvaardigen aanzie en hen Mijn heil zal doen zien, vindt zijn grond louter in Mijn genade.
't Is niet naar menschelijk recht, dat een zondaar het Koninkrijk der hemelen zal beërven. Zoo God naar 't recht zou handelen, dat Hij zelf onder de menschen heeft bekend gemaakt, dan ware het voor eeuwig een afgesneden zaak. Maar wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij God. „De Heere zal Zijn Zion door recht verlossen." Daartoe heeft Hij Zijn Zoon gezonden, opdat deze, Jezus Christus, de straf zou dragen, welke ons den vrede moest aanbrengen, zoovelen we n.l. door het geloof met Hem vereenigd zijn. 't Geloof toch wordt gerekend tot gerechtigheid en is de weg, waarlangs de erfenis wordt verkregen. Nooit kan dus het geloof te veel verwachten, wanneer het zingt:
De lieflijkheên van 't zalig hemelleven. Zal eeuwiglijk Uw rechterhand mij geven.
't Is immers maar niet liefde alleen, die het belooft, maar heilige liefde. Goddelijke liefde, in Jezus Christus en dien gekruist verwezenlijkt, die tot in de tittels en jota's van 't Hoogste recht heeft genoeg gedaan en alle eischen van beleedigde Majesteit heeft vervuld.
Zelfs de Wet, waarmee Satan in de hand, de kleingeloovigen zoekt wankelmoedig te maken. kan er niets tegen inbrengen, tegen die Goddelijke Gerechtigheid, die in Jezus Christus en dien gekruist ligt besloten en Die door den Heiligen Geest wordt geschonken aan een ieder, die er om smeekt.
De Heilige Geest is de bruidwerver, die voorbereidend zonde ontdekt en verlossingsbehoefte wekt; die de algenoegzaamheid van Christus en de volkomen bereidwilligheid doet verstaan; de vriend van den Bruidegom, die zich verheugt als hij hoort de stem van den Bruidegom, wanneer Hij dezen de bruid heeft toegevoerd.
Op de werkingen des Geestes komt het dus maar aan, en om in dezen niet met ijdele hoop zich te vleien, meenende in te zullen gaan tot de erfenis en niet kunnende, onderzoeke een ieder zich op zijn knechtschap. Wie geen lust heeft zelfs in de kennis Zijner wegen of wie Zijn geboden niet met ijver betracht, in de kracht des geloofs, die heeft nog geen deel aan dezelve; maar wie als de verloren zoon, toen hij tot zichzelven kwam, het nog onverdiende gunst moet noemen een der minste van de knechten des Vaders te mogen zijn, wie dagelijks de bede van David, in besef van steile en diepe afhankelijkheid in alles, nabidt:
Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heeren Om nooddruft te begeeren, die trooste zich met Jesaja's profetie, in Jezus Christus, Die dood geweest is en Die leeft, vervuld, en die wachte maar op den Heere, immers : Die het beloofd heeft, is getrouw. Die het ook doen zal, op Zijn tijd, al Zijne knechten en Zijne dienstmaagden inbrengen in de volle heerlijkheid van het kindschap Gods.

Veenendaal, S.C. v. Wijngaarden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juni 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's