De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

SPURGEON (6).
Niet alleen in theorie, maar in werkelijkheid geloofde Spurgeon aan de kracht van het Woord. Hij was er van overtuigd, ten volle, met zijn gansche hart, dat Gods Woord nooit ledig wederkeert, maar altijd doet wat Hem behaagt en dat het voorspoedig is waartoe Hij het zendt. Niet de prediker kon de menschen bekeeren — met zulke „bekeeringen" loopt het altijd slecht af — maar in de ziele van Spurgeon leefde het, dat God machtig en bereid is zielen te bekeeren en dat Hij het op Zijn tijd ook genadig en wonderlijk doet. Merkwaardige ervaringen had hij hiervan. Menigmaal heeft God hem doen zijn als die man, die den boog spande in zijne eenvoudigheid en den Koning van Israël schoot tusschen de gespen en tusschen het pantsier.
Eens had hij midden in zijn preek — want Spurgeon was altijd vrij van zijn preekschets en werd telkens door het aanschouwen der menschen er toe gebracht heel andere dingen te zeggen, dan hij zich voorgenomen had — gezegd : „Er is wellicht een zoon hier, die uit het ouderlijk huis is weggeloopen, moge de Heere in Zijne genade hem roepen." En inderdaad bevond zich toen zulk een jongmensch, zoon van een predikant, in de kerk, die op zijn vlucht naar Amerika van een verloren oogenblik gebruik had gemaakt om den „Tabernakel" in te gaan (zoo heette de kerk van Spurgeon) en van dat uur af voelde deze „verloren zoon" zich een geroepene des Vaders.
Op een anderen keer was een man, die naar Londen gegaan was, om daar zelfmoord te plegen, zonder het eigenlijk te willen, in den „Tabernakel" gekomen en had daar een plaatsje gekregen op de bovenste galerij. Spurgeon predikte over de woorden uit Ps. 35 : 3 : „Zeg tot mijne ziel: k ben uw Heil." De bezoeker luisterde, kwam onder den indruk en toen de prediker, hem aanziende, zeide : „Hoewel gij daar staat ver weg op de galerij, zoo zegt gij toch : Ach, dat is mijn gemoedstoestand, die hier wordt geschetst" — toen had de man het wel willen uitschreeuwen, dat God ook zijn heil was, en sedert dien tijd heeft hij in den weg des geloofs mogen wandelen ten einde toe.
Weer een ander maal gebeurde het, dat een verloren zoon, die zijn meester had bestolen, met eenige mannen op weg was om te gaan inbreken bij een zilversmid in Londen. Toen zij den „"Tabernakel" voorbij gingen, zeide een zijner kameraden tot hem : „Harry, ga den stoep eens op en zie eens, hoe laat het is." Hij deed het, opende de deur en stond in het gangpad. Juist sprak Spurgeon, die over den moordenaar aan het kruis predikte, deze woorden, terwijl hij naar den pas binnengekomene scheen te wijzen: „Mocht hedenavond hier een dief zijn, Jezus Christus kan hem behouden." Dit woord trof doel en de verloren zoon keerde weder tot zijn aardschen en tot zijn hemelschen Vader.
Deze en dergelijke gevallen vooral brachten Spurgeon er toe om Gode alleen de eere te geven en te erkennen, dat het alleen de goddelijke vrijmacht was, die in hem en door hem tot bekeering van zondaren werkte. Door genade kon en mocht hij zeggen — hoewel hoogmoed door Spurgeon zijn boezemzonde werd genoemd — dat hij zijn eigene eere niet zocht, maar de eere Desgenen, die hem gezonden had.
Wat men gewoonlijk welsprekendheid noemde, schatte Spurgeon gering. „Ik voor mij" zei hij „moet mij alle aanspraak hierop ontzeggen. Ik ben er zeker van, dat ik, als ik dezen kansel betreed, nooit denk : hoe zal ik op grootsche, indrukwekkende wijze tot dit volk spreken ? Als ik hier kom, dan denk ik : ik heb aan deze menschen iets te zeggen, dat zij moeten hooren; maar hoe ik het hun zeggen zal, is voor mij van heel weinig beteekenis, als zielen maar gewaarschuwd worden en geroepen tot bekeering."
Nu moet men volstrekt niet denken, dat Spurgeon z'n taal en z'n voordracht ver­waarloosde. Want dit is volstrekt niet het geval. Maar het was voor hem iets bijkomstigs en zijn voordracht moest alleen dienen, om het Evangeliewoord des te meer en des te beter ingang te doen vinden.
Van bijzondere uiterlijkheden hield Spurgeon niet. Toga of ambtskleed droeg hij niet. Een orgel had men in den „Tabernakel" niet. Als Spurgeon voorgegaan was in 't gebed, staande op het platvorm, kwam er een lange, magere man naar voren met de stemvork in zijn hand. Hij gaf de noten aan en leidde het gezang. Als de stem van vele wateren brak het geluid van de duizenden los, die saam zongen de liederen Slons. De „vox humana", de menschelijke stem klonk dan hóóg op door de gewelven van het ruime, hooge kerkgebouw. Een orgel had men daar niet noodig !
Als Spurgeon, die altijd in de achter het platvorm gelegen kamer, vóór den dienst alléén was, alléén met zijn God, stipt op tijd het kleine trapje afdaalde, dat leidde naar het spreekgestoelte (ruim platvorm met leuning er voor) werd het stil in de volgepropte „Tabernakel", pijnlijk stil. Hij kwam dan naar voren op het platvorm (geen enkel herkenningsteeken was aan hem, dat sprak van zijn ambt), hief zijn hand op en zeide met een stem, die klaar was als de stem van een fluit: „laat ons bidden." En dan — alsof er een wonder had plaats gegrepen in de vergadering — was alles stil; men hoorde nauwelijks meer het geluid van een ademhaling, als de forsche man op het platvorm, met het uiterlijk van een plattelander, in teedere woorden, haast kinderlijk, tot zijn Vader in de hemelen sprak.
Het volgende gebed kan ons leeren, hoe Spurgeon gewoon was zijn ziel uit te storten en voor en met de schare des Heeren aangezicht te zoeken.
„Genadige God, wij. Uwe kinderen, zegenen en danken U voor dezen Uwen dag. Wij loven U, dat Gij dezen dag niet hebt geplaatst aan het eind van een week vol zorgen, maar aan het begin; want wij behoeven niet te werken om den dag der rust te verkrijgen, maar Gij hebt ons eerst de rust gegeven en dan noodigt Gij ons uit te gaan en te arbeiden en de kracht van die rust, weke Gij ons hebt geschonken. Uw dag is menigmaal voor ons geweest als het hoofdkussen van den tijd, waarop onze vermoeide geest de rust mocht vinden, en als de bloembedden in den tuin, terwijl de andere dagen van de week slechts waren de wandelingen, die wij er door maakten. Verleen ons Uwe genade, dat wij dezen dag wandelen mogen tusschen de specerij bedden, waar de Roos van Saron haar geuren geeft. Moge alles wat ons omringt doortrokken worden met Zijne liefde."
Toen hij op een Zondagmorgen zijn gebed besloot zeide hij :
„En nu, Heere, zouden wij, vóór wij ons gebed besluiten, toegang willen ontvangen tot Uw hemel ; wij zouden onze voeten willen zetten op de glazen zee, die zich uitstrekt vóór Uw smetteloozen troon. Vleugelen hebben wij niet, om er onze aangezichten mee te bedekken, gelijk de engelen doen, maar wij nemen het kleed der zuivere gerechtigheid, dat Christus voor ons gekocht heeft en slaan dat over onze schouders, en aldus bekleed, versierd, buigen wij ons neer en aanbidden voor Uw troon. Eere zij U, o God, God den Vader, God des Verbonds van Uw volk. Eere zij U, God, den Zoon, die ons door Uw eigen dierbaar bloed verlost hebt van den dood; Eere zij U, God, den Heiligen Geest, die de oorsprong zijt van ons licht, ons leven, onze vreugde. Den eenen en eeuwigen God, oneindig in macht en heerlijkheid, brengen wij ongedeelde eer, nu en in alle eeuwigheid. Amen."
Toen Spurgeon wat ouder werd leed hij vreeselijk aan ischias. Zijn lichaam verstijfde en hij moest loopen en preeken met behulp van een stok, die hij niet kon missen, om er telkens met al de zwaarte van zijn lichaam op te leunen.
Een ooggetuige beschrijft een dienst in den „Tabernakel" op de volgende wijze.
„Spurgeon greep met de eene hand de leuning van de lessenaar vast, terwijl hij met de andere hand leunde op zijn stok; men kon het hem aanzien, dat hij moeilijk kon loopen : „De oude vijand zat in zijn knieën."
De prediker zat in zijn stoel, beweeglijk en onrustig, zooals iemand, die zenuwachtig is of pijn heeft, terwijl een aantal afkondigingen van allerlei aard werden voorgelezen. Daarna stond hij met moeite op en verscheen in zijn volle lengte. De stem, die den tekst aankondigde, was zacht en aangenaam om te hooren; zij werd door het geheel gebouw gehoord en, naarmate de prediker verder kwam, werd zijn pijn vergeten. Zijn uiterlijk, dat zwaar was, en niets bijzonders had, veranderde en de doffe, slaperige oogen gingen vér open totdat zij gloeiden en brandden. Het onderwerp had den spreker in beslag genomen ; hij dacht niet meer aan zich zelf ; hij was een en al stem geworden.
Spurgeon kon spreken alsof hij muziek liet hooren. Nooit had God een van Zijn dienaren meer begiftigd dan hem ! Zijn verbeelding was gelijk die van een dichter. Over al zijn woorden lag de doodelijke ernst van den vlammenden Evangelist. Soms preekte hij niet meer, maar praatte. Elke gelegenheid beteekende voor hem een crisis. Hij geloofde, dat het eeuwig lot van den mensch op één oogenblik kon worden beslist en dit aangrijpend geloof gaf kleur en diepen ernst aan zijn prediking.
Een uur lang deed hij zijn vijf-of zesduizend hoorders alles vergeten. Zij glimlachten hartelijk over een humoristische opmerking en voelden hun oogen vochtig worden bij een aangrijpende passage.
De preek liep ten einde. Het laatste gezang werd opgegeven. Dan kwam men weer tot de werkelijkheid terug en ontdekte men in welke omgeving men zich had bevonden. De hoorders waren eenigen tijd als aan zich zelf ontvoerd geweest en meegesleept geworden door. de welsprekendheid van den prediker „bij de gratie Gods".
Spurgeon predikte Christus met een kracht, zooals het in geen jaren was geschied. Christus voor en Christus na ! In Zijn vernedering en in Zijn verhooging ! Den vollen Christus der Schriften.
Dat zijn prediking ingang vond kan ook hieruit blijken. Als 's Zondags zijn preek uitgesproken was, ging deze naar de pers. Woensdags verschijnt hij in druk. Van 50.000 tot 200.000 stuks werden er van verkocht. In Amerika zoo goed als in Engeland. (Wordt voortgezet).

DE KERKELIJKE KWESTIE IN DUITSCHLAND,
Dat het spaak loopen zal in Duitschland wordt door velen verwacht. Allerlei oorzaken zijn daarvoor, 't Meest, dat men verblind is ten opzichte van de geestelijke dingen, ten opzichte van beginselen die onder het volk leven ; niet 't minst, omdat radicale elementen met geweld de Kerk willen dwingen om dingen te doen, die de Christelijke Kerk — noch de Evangelische, noch de Roomsche — niet kunnen en niet zullen doen, juist om des beginsels wille.
Dat men van regeeringswege toch niet verstandiger is !
Onlangs gaf prof. dr. Adolf Keller z'n oordeel over de belijdenis-beweging in Duitschland. We laten het hier volgen :
„In een beschouwing over den strijd in de Duitsche Evangelische Kerk en de verklaringen der belijdenissynode, onlangs te Barmen gehouden, zegt prof. Adolf Keller van Geneve, dat de Barmer synode (29-31 Mei) buitengewone beteekenis heeft. Daar werd de theologische grondslag voor de kerk gefixeerd, daar werd het schisma in de Duitsche Evangelische kerk geproclameerd en daar werd de band met de kerkregeering te Berlijn (den rijksbisschop en de zijnen) definitief doorgesneden.
Over den theologischen grondslag der belijdeniskerk zegt prof. Keiler. Deze grondslag is duidelijk aan de theologie van Karl Barth en zijn kring ontleend. De eenige grondslag der kerk is het Woord Gods naar de interpretatie van de belijdenisgeschriften der reformatie. Dat beteekent: het einde van de Staats-en Volkskerk. Nu rijst dadelijk de vraag „Waar moeten nu de anderen blijven ? De Duitsche Christenen hebben geen plaats in deze kerk. En waar blijven de liberalen ? Waar blijft de tolerante middenstof ? Waar de religieuse-socialisten ? Waar de modernen ? Waar de ervaringstheologie ? Waar blijft de arbeidersmassa ? De vorming van een belijdeniskerk dwingt tot de vorming van andere kerken. Voorts beduidt Barmen, dat de Lutherschen en Gereformeerden, die hier samengaan, het in 1525 tusschen Luther en Zwingli afgebroken religiegesprek, weer opnemen. Duidelijk is echter, dat de Gereformeerde positiekeuze in deze belijdenisbeweging een overwegenden invloed oefent. De nadruk op de theologie des Woords,
op de beteekenis der gemeente, op de verhouding van Staat en Kerk, op de behandeling van kerkenordevragen als geloofsvragen spreken duidelijk van Gereformeerde gedachten, in het bijzonder naar het dialectische inzicht." „Hier gaat dus de dialectische theologie voor het eerst tot kerkpolitiek over. Hier wordt het voor het eerst sinds de reformatie gewaagd om een kerk des geloofs naar haar eigen wezen op te bouwen." Hier treedt de kerk tegenover den staat op met duidelijke formuleering van de grenzen van de totaliteitseischen van den staat.
Het buitenland, aldus prof. Keiler dan verder, staat voor een moeilijke zaak. De vertoogen bij de rijkskerkregeering hebben zoo weinig ontspanning gebracht, dat als de buitenlandsche kerken een kerk in Duitschland als de rechtmatige erkennen zullen, haar sympathie naar deze belijdeniskerk zal uitgaan. Toch is dat niet makkelijk. De buitenlandsche kerken zijn menigmaal meer staats-en volkskerken dan belijdeniskerken. De belijdenisbeweging beduidt een aanval op „het geseculariseerde wereld-protestantisme waar ook in de wereld, op het volkskerkwezen, het pelagianisme, hiërarchie zoowel als op pragmatisme, humanisme, sociaal idealisme. Karl Barth treedt in deze beweging niet slechts tegenover den rijksbisschop en de geloofsbeweging der Duitsche Christenen, maar tegenover het wereldprotestantisme en dwingt tot keuze tusschen de zuivere geloofskerk en het cultuurprotestantisme der gansche wereld. Engelands kerk en Amerika's Protestantisme staan in wezen dichter bij den rijksbisschop dan bij de belijdenisbeweging. Daarom, alzoo besluit de bekende Geneefsche hoogleeraar, plaatst de belijdenissynode te Barmen de kerkelijke wereld in alle landen voor haar eigen groote problemen en maakt de moeite van den strijd in Duitschland openbaar. Men heeft elders dezelfde vragen, n.l. de vragen aangaande het wezen der kerk als belijdeniskerk of volkskerk."

EEN ENGELSCHE LEERBESLISSING.
In Engeland is een belangrijke leer-en kerkquaestie in de kerkvergadering te York tot een beslissing gekomen. Het geval heeft zich n.l. voorgedaan, dat in de cathedraal van Liverpool op uitnoodiging van den bisschop van Liverpool een predikant der vrije kerken in een speciale dienst optrad, welke predikant unitarisch (vrijzinnig) van richting was. De Engelsche staatsman lord Hugh Cecil diende hiertegen een publiek en formeel protest in. De kerkvergadering te York heeft thans lord Cecil gelijk gegeven. Na langdurige discussies besloot de Yorker synode, dat het wel geoorloofd zal zijn om dissenters in speciale diensten der Engelsche kerk te doen optreden, doch dan uitsluitend dissenters, die de godheid van Christus erkennen (erkennen dat Christus als God uit God, neergedaald van den hemel en mensch geworden). Voor dissenters van vrijzinnige richting zal het optreden in de Engelsche staatskerk verboden zijn.

DE DIACONALE CONFERENTIE.
Thans ontvangen wij het programma van de reeds vroeger aangekondigde groote conferentie van de Ned. Hervormde diakenen op 16, 17 en 18 Juli a.s. te Lunteren. De voorzitter van de Federatie, prof. dr. J. R. Slotemaker de Bruine, zal het onderwerp inleiden : „De diaconie en haar verhouding tot andere steunverleenende organen met name tegenover beginsel en practijk van de steunverleening der overheid", aan welk onderwerp verder den geheelen dag besprekingen zullen worden gewijd. Hierbij hoopt ook tegenwoordig te zijn de directeur-generaal van het departement van Sociale Zaken, de heer A. van Geelen. Het programma bevat verder een inleiding van den heer J. van 't Land, accountant en administreerend diaken te Groningen, over : „Bezit, beheer en boekhouding van onze diaconieën in stad en dorp" en van ds. G. Bos te Dedemsvaart over „De diaken en de zielszorg". Voorts wordt Dinsdags een excursie naar de Weesinrichting te Neerbosch gemaakt.
Er bestaat gelegenheid tot introductie, ook voor diaconieën en diakenen, welke niet bij de Federatie zijn aangesloten. Mocht men alleen de inleiding van prof. Slotemaker de Bruine en de besprekingen daarover willen meemaken op Maandag 16 Juli, dan kan men zich ook daarvoor opgeven, al verdient natuurlijk het deelnemen aan de geheele conferentie de voorkeur. Inlichtingen en programma's zijn te bekomen aan het bureau van de Federatie, Kromme Nieuw Gracht 6 te Utrecht.

WAAROM CHRISTELIJK ONDERWIJS OP ONZE SCHOLEN MET DEN BIJBEL?
1. Het is niet mogelijk te ontkennen, dat het zijn op de eene of op de andere school, gedurende zes of zeven jaren, grooten invloed heeft op het leven der kinderen.
2. Dat begint reeds op de Bewaarschool, dat geldt voor de School voor Lager Onderwijs en dat heeft zeer zeker groote beteekenis op de Muloschool.
3. De ervaring bewijst, dat van het onderwijs veel afhangt of onze kinderen voor den Christus of voor de wereld zullen zijn.
4. Onze Christen-ouders hebben zich vooral in deze tijden van velerlei verwarring rekenschap te geven van hun roeping om hunne kinderen, die zij in den Doop den Heere hebben opgedragen, alleen toe te vertrouwen aan een School met den Bijbel.
5. God wil den band leggen tusschen den Bijbel en het kind, tusschen het hemelleven en het kind, gelijk de Heiland Zelf de kinderen wilde zegenen en waarschuwde ze niet te verhinderen, dat zij tot Hem zouden komen. Daarom de School met den Bijbel, de Christelijke School.
6. De kinderen behooren aan de ouders. Daarom is het de plicht der ouders, te zorgen voor het onderwijs hunner kinderen, in samenwerking met de Kerk waartoe zij behooren. En die school van de ouders en van de Kerk mag niet anders zijn dan de School met den Bijbel.
7. De ouders mogen het onderwijs en voor een groot gedeelte ook de opvoeding en vorming van hunne kinderen niet overlaten aan hen, die den Bijbel niet eeren als Gods Woord en nalaten hun taak op school te vervullen met gebed en dankzegging, luisterend naar het Woord des Heeren : „Ken Mij in al uwe wegen." Ook op school met de kinderen moet dat in toepassing worden gebracht.
8. Kinderen van Christen-ouders hebben recht op Christelijk onderwijs. Zij moeten „bezig zijn in de dingen des Vaders."
9. Velen zeggen dankbaar : wij zijn blij, dat we als kind zooveel uit den Bijbel hebben hooren vertellen, zooveel teksten, psalmen en Christelijke liederen hebben geleerd ; waarvan later, vooral in droeve dagen, maar ook bij voorspoed en vreugd, de herinnering zoo heerlijk was, vol leering en vertroosting, tot heiliging van smart. Hoe dikwijls is het geweest als levend water, opborrelend uit de bron, tot lafenis.
10. In de Christelijke School hebben de ouders een kostelijke aanvulling, hulp en steun, bij hun taak ten opzichte van de opvoeding van hun kinderen, waarbij alles zich zoo nauw aansluit aan 't gezinsleven van den christen, waarvoor vader en moeder nooit genoeg dankbaar kunnen zijn.
11. Het kind als beelddrager Gods, geschapen naar Gods gelijkenis, heeft recht op een school, waar Gods Woord het hoogste gezag heeft en een licht op 't pad, een lamp voor den voet van onderwijzers en leerlingen wil zijn.
12. Nooit kan de onderwijzer beter het kind verstaan en in de nooden en behoeften van het kind inkomen, dan op een School met den Bijbel, waar Gods Woord ons zegt: wie en wat het kind is, in zonde en in wedergeboorte.
13. De School met den Bijbel wil naast het gezin een eigen kring van menschelijk leven zijn, met eigen zelfstandig bestaansrecht, maar erkent met het gezin denzelfden Heiland en hetzelfde Woord van God, met dezelfde waardeering van het aardsche leven en van het toekomende leven.
14. Op onze Scholen met den Bijbel leert men: vreest God, eert den Koning.
15. Het Christelijk onderwijs heeft bewezen in dagen van grooten druk en in dagen van bevrijding, naar den eisch van het leven, geheel op de hoogte van den tijd te willen zijn. Het Schooltoezicht van Rijk en Gemeente getuigen dan ook telkens gaarne, dat het onderwijs op onze Scholen met den Bijbel, noch theoretisch, noch practisch, noch wat de leervakken, noch wat de aesthetische en siervakken betreft — als handenarbeid, zingen, teekenen, voordragen, gymnastiek, vrouwelijke handwerken enz. — in geen enkel opzicht behoeft onder te doen voor andere Scholen, waar Gods Woord buiten het onderwijs staat.
16. De Christelijke School is niet een openbare, neutrale school plus een oogenblikje voor Bijbelsche geschiedenis of godsdienstonderwijs. Neen, het onderwijs op onze Scholen met den Bijbel is in alle vakken — vaderlandsche geschiedenis, aardijkskunde, lezen, zingen, van 's morgens tot 's middags — Christelijk onderwijs, omdat God de Schepper aller dingen is en Jezus Christus aller Koning.
17. Ook van het kinderhart geldt het Schriftwoord : „duisternis was op den afgrond, maar de Geest Gods zweefde op de wateren" (P. Oosterlee)
18. „Wij weten, dat op alle scholen, waarop Christus niet aan de kinderen voorgesteld wordt, gelijk God en Zijn Woord van Hem getuigt, de kinderen niet alleen verstoken blijven, maar ook verwijderd en meer en meer vervreemd worden van Hem, die ook voor de kinderen de éénige Naam is, die hun gegeven is en waardoor zij zalig moeten worden" (Van der Brugghen).
19. Het Christelijk onderwijs en onze scholen met den Bijbel moeten het voorwerp van aanhoudende zorg zijn en blijven van heel de Christenheid, die eerbied heeft voor Gods Woord en niet 't minst van de Christelijke Kerk, die bidt: „Uw Koninkrijk kome, door Uw Geest en Woord; ook onder onze kinderen".
20. Aan onze scholen met den Bijbel hebben we dan noodig onderwijzeressen en onderwijzers, die iets kennen van de liefde van Christus, die hen bij hun onderwijs dringt, om vast te houden het kruis van Christus, om vast te houden het kind, geholpen en gesteund door Bestuur en Ouders.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juni 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's