De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE SCHAT IN DEN AKKER.

11 minuten leestijd

Mattheüs 13 : 44. Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat in den akker verborgen, welken een mensch gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven, gaat hij henen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dienzelven akker.

Mattheüs 13 is het hoofdstuk der gelijkenissen. Hier inzonderheid heeft de Heere zich daarvan bediend om Zijn gedachten op een voor de hoorders bevattelijke wijze voor oogen te stellen. Hoe treffend zijn de beelden die hier gebruikt worden, voorbeelden aan de natuur of het dagelijksch leven ontleend.
In die gelijkenissen spreekt de Heere over de verborgenheden van het Koninkrijk Gods. En wie dergenen, die den Heere in der waarheid vreezen, zou daarvan niet gaarne meer willen weten en niet gaarne luisteren als Hij spreekt over Zijn Rijk, over de eigenschappen en voorrechten der onderdanen, die tot dat Rijk behooren. Van verschillende oogpunten wordt de Koning zelf, de oorsprong, de aard, de geschiedenis, de bestemming van dat Rijk geteekend. Doch één grondtoon verbindt al die uitspraken tezamen n.l. het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat In den akker. Met dit wederom toont de Heere Zijn groote liefde en ontferming. Van alle kanten immers laat de Heere de heerlijkheden van Zijn Koninkrijk zien, opdat de mensch er begeerig naar zou worden en zou vragen : kan ik ook deelgenoot worden van dat Koninkrijk, en hoe word ik deelgenoot ?
De Heere zegt het met dit wederom : Ik zal het u nog van een anderen kant laten zien ; ook is het gelijk aan een schat in den akker.
Evenals op maatschappelijk gebied een koopman zijn waar aanprijst en alle goede hoedanigheden opnoemt, opdat men maar zou vragen : hoeveel kost het, hoe krijg ik het in mijn bezit, zoo ook op het gebied des geestes roept de Heere Jezus het ons toe : Och, wendt u toch tot Mij en wordt behouden ; het bezit van Mijn Koninkrijk is zulk een groote schat, vraagt toch naar de voorwaarden, om dien schat te mogen bezitten, ja, komt en koopt zonder prijs en zonder geld, Beschouwen wij den inhoud van deze gelijkenis nader naar aanleiding van een viertal gedachten :
ten 1ste : de schat in den akker was een verborgen schat;
ten 2de : een geopenbaarde schat;
ten 3de : een begeerde schat;
ten 4de : een verkregen schat.
Allereerst een verborgen schat. Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat, in den akker verborgen.
Men was in oude tijden gewoon om goud, zilver en andere kostbaarheden, als er gevaar dreigde, in veiligheid te brengen door ze te begraven.
Zoo was ook in dezen akker, waarvan hier de gelijkenis spreekt, zulk een schat terecht gekomen. Waarschijnlijk is de eigenaar gestorven, zonder dat iemand van dien schat afwist en niemand vermoedde dus, welk een groote waarde daar in dien grond verborgen was. Wie weet hoevele jaren die man, die dezen akker bearbeidde, het ploegijzer door de kluiten gedreven heeft, langs den schat en misschien wel over den schat, zonder er zich van bewust te zijn dat daar een schat te vinden was, want het was een verborgen schat, verborgen voor het oog, begraven als het was in de aarde.
Maar, lezers, is dit niet een treffend beeld van de hemelsche goederen van het Godsrijk, verborgen en onbekend voor den mensch van nature, omdat men geen oogen heeft om te zien en geen hart om op te merken ? De uitwendige waarheden moge men kennen, de inwendige schat, daarin verborgen, kent men niet. Die schat is bovenal de Heere Jezus Christus, de Zaligmaker en Redder van arme en in zichzelven verloren zondaren.
Verborgen is de grootheid van dien schat voor het natuurlijk verstand, want er is in Hem geen gedaante of heerlijkheid dat wij Hem zouden begeeren.
Verborgen het verheven doel van Zijn komst hier op aarde, n.l. om zondaren gelukkig te maken, om verlossing aan te brengen, weder den weg te ontsluiten naar het Vaderhart Gods. Verborgen de vruchten van Zijn verzoenend en borgtochtelijk lijden.
Verborgen de beteekenis van Zijn opstanding, het doel van Zijn hemelvaart.
Verborgen de werking des Heiligen Geestes, het eeuwig oordeel, dat aanstaande is.
Het is nu maar de vraag, lezers, of die schat, Jezus Christus, voor u nog een onbekende, verborgen schat is, of dat gij de heerlijkheid en de onmisbaarheid van dien schat bij aanvang of voortgang door het ontdekkend licht des Heiligen Geestes hebt mogen zien.
2de.: Een geopenbaarde schat.
Plotseling stoot die man, die aan het ploegen of graven is, op iets ongewoon hards ; voorzichtig verwijdert hij de aarde, die zich er omheen bevindt, en de verborgen schat komt te voorschijn. Eensklaps is hij van arm, schatrijk geworden, indien hij tenminste rechtmatig eigenaar van dien schat wordt, en daarvoor is het noodig dat hij den akker, waarin zich deze schat bevindt, in zijn bezit krijgt, anders is de gevonden schat geen rechtmatig verkregen schat en kan er van rechte blijdschap over het vinden er van geen sprake zijn.
Had hij den schat meegenomen naar huis en als den zijne beschouwd, dan was het een gestolen schat geweest.
Wij lezen dan ook : hij verborg dien schat.
Het was nog niet zijn persoonlijk bezit. Eerst moet hij alles verkoopen wat hij bezit, om dien akker te koopen, en dan, ja dan is die schat zijn eigendom.
Zoo gaat het ook op geestelijk gebied.
Er ligt dikwijls een groote afstand tusschen het eerste vinden en de verzekerdheid des geloofs. Zooals ook bij dezen mensch uit de gelijkenis : eerst het vinden, dan het verbergen, vervolgens alles verkoopen wat hij heeft, en tenslotte het koopen van den akker om zeker te zijn van zijn schat. Zoo moet het werk van Gods genade in het hart van den zondaar zich gaandeweg verdiepen en verbreeden, en het moet dikwijls gaan door vele verdrukkingen,door kruis en dood naar 't morgenrood.
3de : De begeerde schat.
Wij lezen verder : Hij gaat heen en verkoopt al wat hij heeft.
De mensch in onze gelijkenis laat het dus niet bij het verbergen van dien schat. Neen, met blijdschap gaat hij heen om alles te verkoopen wat hij heeft en dien akker te koopen. Want dan behoorde de schat aan den kooper van dien akker. Met opoffering van alles wat hij bezit, kan hij slechts eigenaar worden van dien schat. En ook op geestelijk gebied geldt deze wet.
Zegt de Heere het niet in Zijn Woord : Alzoo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn. Ziet het bij Paulus. Hetgeen hem gewin was, heeft hij om Christus' wil schade geacht. Ja, hij achtte ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus.
Zoo ging het ook met de discipelen. Zij verlieten alles en volgden hun Heiland, omdat zij in Hem den schat huns levens ontdekt hadden. En ook ons roept de Heere het toe : Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig. Wie zijn kruis niet dagelijks opneemt en Mij volgt, is Mijns niet waardig. Die zijn ziel verloren zal hebben om Mijnentwil, die zal haar vinden.
Dus het verkoopen van al wat men heeft is een noodzakelijke voorwaarde om dien schat te verkrijgen. Want die nog andere schatten zoekt, hoe kan het ééne noodige alles voor hem zijn ? Alles moet verkocht worden, dat wil zeggen : alle eigen wijsheid, alle eigen eer en roem, alle eigen deugd, alle eigen vroomheid, alle steunen op menschelijke rietstaven, zoodat er slechts blijft Jezus en Jezus alléén.
4de: De verkregen schat.
Hij verkoopt alles wat hij heeft en koopt dien akker en krijgt daarmede den schat in zijn bezit. Dit beteekent niet, dat wij den hemelschen schat moeten koopen door eigen verdiensten. De Heere wijst ons op het in het bezit krijgen van dien schat. Hij wordt de rechtmatige eigenaar, zoodat hij niet meer bevreesd behoeft te zijn dat die schat hem afgenomen zal worden.
En zoo is het ook met den zondaar, die dien hemelschen schat deelachtig is geworden. De vorst der duisternis zal de ziel influisteren : het is een gestolen schat, gij hebt er geen recht op, en zal alles in het werk stellen om, ware het mogelijk, dien schat weer te ontnemen. Maar de Heere zal Zijn eigen werk niet verbreken; wat Hij begonnen is, dat zal Hij ook voleindigen. Ook de medemenschen kunnen dien schat niet wegnemen. Wel moet 't kind des Heeren menigmaal veel spot, smaad en laster verdragen, doch te midden van dat alles blijft die schat bewaard door de trouw des Heeren.
En tenslotte kan de Heere Zelf dien schat niet weder wegnemen, want Hij is een waarmaker van Zijn Woord. Het berouwt Hem niet, als Hij eenmaal een ziel gegrepen heeft ten eeuwigen leven.
Zij zijn in Zijn handpalmen gegraveerd en niemand zal ze uit Zijn hand kunnen rukken. Hij weet, hoe zwak van moed en klein ze zijn van krachten, en dat ze stof van jongsaf zijn geweest. Zij vallen den Heere nooit tegen, daar Hij ze reeds kende van voor de grondlegging der wereld.
Zijn Verbond zal niet wankelen.
De gekochten door het bloed des kruises zullen zeker eenmaal aanzitten aan de bruiloft des Lams hierboven.
Gods volk heeft een schat, en dat is allereerst een schat van rijke vertroosting. Rust der ziel en vrede des harten is hier reeds bij aanvang hun deel. In het bloed des kruises is hen vrijspraak en vergeving der zonden geschonken. En hoewel het register hunner zonden onafzienbaar groot is, mogen zij het weten : de zonden zijn uitgedelgd.
Die schat is vervolgens ook een schat van eeuwige zaligheid. Want hij gaat mee over dood en graf. Zelfs de laatste vijand, de koning der verschrikking, vermag hier niets. Het zijn onvergankelijke goederen van eeuwig heil en heerlijkheid. Aan de overzijde van het graf zal de waarde van dien schat eerst recht gekend en recht gewaardeerd worden.
Maar hoevelen worden er vooral ook in onzen tijd niet gevonden, die niet vragen naar dien schat en geen begeerte hebben om dien schat te mogen verkrijgen. De mensch van nature is uit de aarde aardsch, en de Heere zegt het in Zijn Woord : waar uw schat is, zal ook uw hart zijn. Vindt iemand zijn schat in aardsche dingen, Is zijn gemoed daarmede steeds vervuld, zoekt hij daar slechts zijn heil, voorzeker, dan zal daar geen vraag gevonden worden naar dien hemelschen schat. Men bekommert zich niet over de eeuwige dingen. Men gaat naar zijn akker of werkplaats en aan het ééne noodige wordt niet gedacht. Hoe zou men ook belang stellen in de onzienlijke schatten van troost en zaligheid, waar men zichzelf niet kent als een verloren zondaar voor God ? En zoo onverschillig voortlevend, gaat de voorbereidingstijd voorbij en komt de dood en is het voor eeuwig te laat.
Waarom, o mensch, zoudt gij u met een schijngeluk tevreden stellen, waar de Heere toch. Zijne genade aanbiedt aan zondaren ? Stel u niet tevreden met de uitwendige vervulling van uw godsdienstplichten. Het uitwendige is niet genoeg. De eigenlijke schat ligt dieper, verborgen voor het natuurlijk oog.
Smeekt den Heere, dat Hij u geve verlichte oogen des verstands, opdat gij de heerlijkheid van dien schat moogt leeren zien.
Zijt gij begeerig naar dien schat, dan moet gij u in den weg der middelen stellen om dien te verkrijgen. De man in de gelijkenis was aan het ploegen of graven, toen hij op den schat stootte. Er moet naar gezocht worden, er moet om gebeden en gesmeekt worden.
Het is waar, al ons zoeken zal te vergeefs zijn, als de Heere zich door Zijn Geest niet openbaart en ook is het waar, dat het Hem meermalen behaagt zonder zoeken dien grooten schat onverwacht te doen vinden. Maar dit moeten wij niet uit het oog verliezen, dat de Heere aan deze gelijkenis opzettelijk nog een andere toevoegt, n.l. hoe een koopman schoone paarlen zoekt en tenslotte één vindt van groote waarde, opdat wij niet zouden scheiden wat bij elkaar behoort, n.l. aan de ééne zijde is het vrije genade Gods, maar aan de andere zijde is het onze dure verplichting om ons in den weg der middelen te stellen.
Schat en akker mogen niet gescheiden worden. Wij behooren den schat te zoeken op de rechte plaats en op de rechte wijze. De man van onze gelijkenis had wellicht reeds lang gegraven of geploegd ; de koopman in paarlen langen tijd vruchteloos rondgereisd ; komen ze echter op de rechte plaats, de schat, de parel wordt hun deel.
De Heere leidt de Zijnen langs verschillende wegen. Maar dit is zeker, als eenmaal de schat is ontdekt, dan zal er ook begeerte zijn om steeds grooter rijkdom en schoonheid in dien schat te mogen opmerken en klimt de bede tot den troon der genade : Heere, geef dat ik steeds meer oog moge krijgen voor de onmisbaarheid en dierbaarheid van dien schat, Jezus Christus, die door Zijn dierbaar bloed verzoening heeft aangebracht voor een doemwaardig en doemschuldig volk.
Vreeswijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's