De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

10 minuten leestijd

DE POSITIE VAN NEDERLAND.
Het groeiend oorlogsgevaar, als gevolg van de gespannen verhoudingen tusschen de volken onderling, ten aanzien waarvan wij de vorige week het een en ander opmerkten, i§ ook voor de positie van Nederland niet zonder gevaar.
Dit gevaar schuilt bijzonder voor ons land in de maatregelen, die Frankrijk en België treffen om hun Oostgrens tegen een mogelijken inval van Duitschland te beveiligen.
Het is bekend, dat de beide eerstgenoemde landen bezig zijn om vanaf Bazel in Zwitserland tot aan Maaseyck op de grens van België en Nederland stellingen van beton in te richten, die de Fransch-Belgische grens hermetisch moeten afsluiten.
Deze fortificaties zullen bij het uitbreken van een West-Europeesch conflict Duitschland moeten beletten de grenzen van Frankrijk en België te overschrijden.
In dat geval zullen de Duitsche aanvalstroepen öf over Zwitserland of door Nederland hun weg moeten zoeken. De vraag zal daarbij voor Duitschland als vanzelf aan de orde komen : waar de zwakste weerstandslijn zich bevindt, in Zwitserland of in Nederland, teneinde met kans van slagen te kunnen doorbreken. Is deze situatie voor ons — en men zal dit moeten toegeven — op zichzelf reeds gevaarlijk, zij wordt voor Nederland nog ernstiger, nu Zwitserland, van de gevaren bewust, die het bij het uitbreken van een nieuwen wereldoorlog bedreigt, ten vorigen jare en ook weer dit jaar zijn leger belangrijk heeft versterkt en een groot aantal millioenen beschikbaar heeft gesteld om de uitrusting van zijn strijdkrachten te verbeteren.
Vooral in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland voelt men zich onder deze omstandigheden onveilig. Men ziet het gevaar als 't ware voor oogen, dat deze provincies bij het intreden van internationale verwikkelingen boven het hoofd hangt. Vandaar, dat onze Zuidelijke landgenooten, die, wat de Limburgers en Brabanders betreft, in vroeger jaren weinig enthousiast waren om voor de defensie belangrijke uitgaven te doen, thans met kracht bij de Regeering aandringen om maatregelen te nemen ter versterking van de Weermacht.
Naar de bladen berichten, is naast het reeds bestaande kleine Comité ter nadere bestudeering van het vraagstuk der veiligheid te Maastricht, een Comité van actie van vooraanstaande mannen te Tilburg opgericht voor een zelfde doel in de Zuidelijke provincies.
Met het oog op deze feiten komt het Rapport van de Commissie Idenburg zeer ongelegen. Deze Commissie had, gelijk bekend is, de opdracht van de Regeering ontvangen om voorstellen in te dienen, die er toe zouden kunnen leiden om de uitgaven voor de Weermacht met 25 a 30 millioen te verminderen.
Het Dagblad van Noord-Brabant stelde onlangs de vraag :
»Wat zal in het buitenland wel de indruk geweest zijn, toen men daar hoorde van de instelling van de Commissie Idenburg, die nog weer moest gaan bezuinigen op een leger, dat toch reeds tot niets anders in staat was, dan om zich achter de waterlinie op te bergen ? «
Nu mag voor deze vraag plaats zijn. Men mag er zich ook van verzekerd houden, dat het buitenland terdege kennis neemt van wat hier te lande met de defensie-aangelegenheden plaats heeft, maar de conclusie, die het blad ten aanzien van de beteekenis onzer weermiddelen trekt, is gelukkig ten eenenmale onjuist.
Ons leger behoeft zich niet achter de waterlinie op te bergen; het is volkomen in staat — en wij constateeren dit met groote dankbaarheid -om zoowel wat organisatie als uitrusting betreft, onder Gods zegen de neutraliteit te handhaven en de verdediging onzer zelfstandigheid op zich te nemen. Maar dan ga men ook geen stap verder om, door welken maatregel ook, de Weermacht te verzwakken.
Wij hebben bij een vorige gelegenheid, toen wij het rapport van de Commissie Idenburg bespraken, in den breede uiteengezet, hoe wij over de voorstellen, die in het Rapport gedaan werden, denken.
Eerder mag op elk ander onderdeel der Rijksbegrooting, ook al gaat het daar over vitale belangen, bezuinigd worden, dan op de kosten van de landsverdediging.
Dit laatste kan en mag niet.
De cijfers wijzen dit uit.
Per hoofd van de bevolking geeft Italië jaarlijks aan zijn Weermacht uit ƒ 18.62, Zwitserland ƒ 13.40, Frankrijk ƒ 13.25, Denemarken (het land der eenzijdige ontwapening) ƒ9.70 en Nederland ƒ 8.10. En dan is onder deze ƒ 8.10 per hoofd van de bevolking in Nederland nog een deel der Vlootuitgaven van Nederlandsch-Indië begrepen. De bescherming van één onderdaan van het Nederlandsch Wereldrijk kost den Staat jaarlijks ƒ 2.64.
De sterkte van de Nederlandsche Landmacht staat in verhouding tot die van de Belgische, Fransche en Italiaansche legers als 1 tot 4.15 en 28. Het Belgische leger is dus viermaal zoo sterk als het Nederlandsche leger.
Met deze cijfers voor oogen, kan op de Weermacht niet bespaard worden, wil zij aan haar doelstelling kunnen blijven beantwoorden.
Maar ook mag de Weermacht niet verzwakt en in een ongunstiger conditie gebracht worden, omdat daardoor de veiligheid van den Staat in gevaar zou komen.
Nederland behoeft in verband met zijn centrale ligging in Europa een leger, dat in staat is om den vijand buiten de grenzen te houden, anders wordt het 't operatieterrein voor de vijandelijke legers.
Dat de Weermacht ten onzent, vergeleken met andere rijksdiensten, onevenredig grootere uitgaven van de schatkist zou vragen, is onjuist. Neem b.v. de onderwijsuitgaven, dan blijkt, dat, terwijl de uitgaven voor de landsverdediging, zooals wij hierboven reeds opmerkten, per hoofd van de bevolking ƒ8.10 bedragen, die van het onderwijs eveneens per hoofd van de bevolking niet minder dan ƒ20.— beloopen.
Ieder schoolkind kost Nederland jaarlijks zelfs ƒ 125.—.
Wil men dus bezuinigen, dan doe men dit niet op de Weermacht, maar b.v. op het Onderwijs. Naast het Onderwijs zijn er nog andere diensten, waarop bespaard kan worden.
De Regeering en de Volksvertegenwoordiging telle het gevaar, dat ons land bedreigt, wanneer tot verzwakking der Weermacht zoude worden overgegaan, niet licht.
Ook de defensie van Indië eischt aller aandacht. Reeds werd sedert het jaar 1922 de begrootingen van leger en vloot hier te lande met 35% verminderd, en die van de maritieme defensie en de legeruitgaven van Nederlandsch-Indië respectievelijk met 30 en 20% verlaagd.
Met deze bezuiniging kan niet worden voortgegaan, zonder schade voor de Weermacht.
De positie van Nederland en van de Koloniën vraagt vooral in dezen tijd, waarin het oorlogsgevaar groeit, de volle aandacht van Regeering en Staten-Generaal.

HET MILITAIRE PROBLEEM.
Van hoe groote beteekenis de verdedigingsstellingen zijn die België en Frankrijk op hun Oostgrens inrichten, benevens van de vele millioenen, die deze landen zoowel ter versterking hunner Weermachten als voor de directe verdediging hunner grenzen beschikbaar stellen, geeft het Wetenschappelijk Jaarbericht ter beoefening van de krijgswetenschap voor het jaar 1933 eenigen indruk.
Wat de verdediging van de Belgische grens tegenover Duitschland betreft, worden de volgende maatregelen genomen : voorbereiding van vernielings-, versperrings-en overstroomingsgebieden aan de grens ; organisatie van het versterkte bruggenhoofd van Herve ; beschikking in Limburg over twee weerstandslinies achter de kanalen en meer Zuidwaarts organisatie in Luik en Luxemburg van een sterke dekkingslinie (tot welker verdediging inmiddels een korps Ardensche Jagers werd opgericht). De twee weerstandslinies in Belgisch Limburg, n.l. de linie Zuid-Willemsvaart—Kempen en de linie Albert-Kanaal, waartoe twintig betonwerken behooren, zijn in de afgeloopen jaren grootendeels tot stand gekomen. In den gordel van versterkingen nabij Maubeuge en Condé heeft al reeds de bouw van eenige nieuwe werken plaats gehad.
In gelijke richting als België, gaat ook Frankkrijk te werk. Ook daar is het aan de Oostgrens op militair gebied alles bedrijvigheid. De nieuwe grensversterkingen in het Noord-Oosten van Frankrijk kunnen reeds als vrijwel voltooid worden aangemerkt. De grensgarnizoenen in Frankrijk werden versterkt door de oprichting van 8 nieuwe regimenten infanterie en eenige regimenten veld-en vestingartillerie. Terwijl mede aan het Alpenfront tegen Italië een uitgebreid stelsel van versterkingen is ingericht.
Zoo staat binnenkort de vestingmuur van Frankrijk en België tegenover Italië—Duitschland voltooid te worden, in welke vestingmuur Zwitserland en Nederland de invalspoorten vormen.
Ten aanzien van de beschikbaar gestelde oorlogscredieten door België meldt het „Weten-schappelijk Jaarbericht" het volgende :
In België was op 1 Januari 1933 van het in 1931 toegestane crediet van 210 millioen frs. verwerkt :
van de 80 millioen, bestemd voor de werken der grenslinie — 22 millioen; van de 120 millioen, bestemd voor de verbetering van Luik en Namen — 97 millioen. Behalve het resteerende bedrag van 91 millioen zouden 50 millioen van het fonds tot bestrijding der werkloosheid aan den bouw van deze versterkingen worden dienstbaar gemaakt. Van de resteerende 58 millioen voor de werken aan de Oostgrens zou 42 millioen worden verwerkt in de provinciën Limburg en Luik en 16 millioen in de provincie Luxemburg.
De berichten, waarop in het Wetenschappelijk Jaarbericht van 1932 werd gezinspeeld, n.l. dat het niet zou blijven bij den bouw van de versterkingen, waartoe in 1931 werd besloten, vonden inmiddels in het berichtjaar hunne bevestiging. De Minister van landsverdediging vroeg en kreeg n.l. een over de dienstjaren 1934 en 1935 te verdeelen buitengewoon crediet van 750 millioen, waarvan 234 millioen voor fortenbouw.
Tot zoover 't relaas uit het Wetenschappelijk Jaarbericht. Uit de feiten en cijfers, die daarin gegeven worden en die hierboven werden afgedrukt, blijkt duidelijk, dat België en Frankrijk geen herhaling wenschen van het gebeurde, nu 20 jaar geleden.
Zal Nederland het slagveld worden in den nieuwen wereldoorlog ?
God beware daarvoor ons land.
Doch dan hebben wij niet te talmen om de kracht van onze Weermacht zoo hoog mogelijk op te voeren.België spaart de millioenen niet.
Naast het economische en financieele probleem heeft onze Regeering ook rekening te houden met het militaire vraagstuk.
Wij vertrouwen dat het Kabinet zich van zijn roeping en taak ten deze ten volle bewust zal zijn

KRACHTIG OPTREDEN GEVRAAGD.
Geheel in overeenstemming met hetgeen wij hierboven schreven, is het adres van de burgemeesters van Maastricht, Tilburg en Weert, dat een paar dagen geleden aan den Ministerraad werd gezonden.
Dit adres luidt:
Geven eerbiedig te kennen de ondergeteekenden, burgemeesters van Maastricht, Tilburg en Weert;
dat in een bijeenkomst van burgemeesters uit verschillende deelen van Noord-Brabant en Limburg, gehouden te Eindhoven op 20 Juni j.l., waaraan werd deelgenomen door de burgemeesters van Bergen op Zoom, Breda, Eindhoven, Geleen, Helmond, 's Hertogenbosch, Kerkrade, Maastricht, Roermond, Roosendaal, Sittard, Tilburg, Venlo, Venray, Waalwijk en Weert of hunne vertegenwoordigers (de burgemeester van Heerlen verhinderd de bijeenkomst bij te wonen, verklaarde zich nader met het genomen besluit te vereenigen) aan ondergeteekenden is opgedragen het navolgende te Uwer kennis te brengen : dat bij hen en velen onder hunne gemeentenaren ernstige bezorgdheid is ontstaan over de vraag, of van de Nederlandsche weermacht bij de thans reeds doorgevoerde en nog te vreezen bezuinigingen, bij een onverhoopt eventueel conflict wel eene zoo groote — en in het bijzonder preventieve — kracht zal uitgaan, dat de neutraliteit van ons Vaderland zal worden ontzien en geen enkel deel van het Nederlandsch territoir zal worden geschonden ;
dat een bevredigende beantwoording van deze vraag wel in de eerste plaats is een belang voor het geheele land, maar toch voor de Zuidelijke provinciën van meer direct belang, omdat het lang niet denkbeeldige gevaar bestaat, dat bij een treffen van tegen elkaar staande machten, het terrein van den strijd zal liggen op Noord-Brabantschen en Limburgschen bodem ;
dat dit gevaar alleen kan worden afgewend, wanneer onze weermacht zoodanig sterk is, dat van haar een krachtige preventieve werking uitgaat, zoodat de voorzorgsmaatregelen, die in deze naar hun oordeel dienen te worden genomen, in de eerste plaats moeten bestaan uit de verhooging van de weerbaarheid, de sterkte en de kracht van de Nederlandsche weermacht, zoomede uit het op hoog peil brengen en houden van haar uitrusting en bewapening en uit het nalaten van die bezuinigingen, welke de waarde van de weermacht zouden kunnen schaden ;
dat, aangezien toch voor een groot deel aan de preventieve kracht van ons leger te danken is geweest, dat wij in 1914 buiten den oorlog zijn gebleven, het der Regeeirng moge behagen alle maatregelen te nemen, die de weermacht van ons tegenwoordig leger zoodanig zullen opvoeren, dat het door zijn preventieve werking in staat zij eventueele gevaren van een buitenlandschen inval te voorkomen en de onafhankelijkheid van Land en Volk te handhaven.
De Regeering neme ook van deze stem uit het Zuiden des lands goede nota.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's