De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIËN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIËN

8 minuten leestijd

Zes maanden, de helft van het jaar alzoo, liggen al weer achter ons. Zou het niet den naam mogen dragen van het mooiste stuk van 't jaar ? Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat elk deel van het jaar niet zijn eigen schoon zou hebben. Eerlijk gezegd, ontloopt het elkander niet zoo veel.
Alles wat God schept, is schoon. Maar toch heeft dat deel, dat we voorjaar noemen en de voorzomer, een bizondere tooi. Het jonge siersel doet denken aan een bruid. Wat kan die Meimaand luisterrijk naar voren treden. En is de maand van Juni wel iets minder, als zij thans haar vruchten op onzen disch laat pronken ?
Of zegt bij uzelven: dat is een waarheid, waarop niemand captie zal maken ; maar wat wordt over dit alles een donker floers gelegd door de tijdsomstandigheden. Door de narigheden, die schijnen niet te kunnen ophouden — want het eene is er niet geweest of het volgende komt — gaat al het heerlijke van wat God geeft aan onzen blik sprakeloos vaak voorbij. We zien het wel, doch dat andere springt ons tegen de borst omhoog, zoodat we dit het duidelijkste merken.
't Is dan ook wel iets merkwaardigs, wat onze dagen ons voor den voet werpen.
Zoo in den gewonen regel, als Juni achter den rug is en Juli met Augustus komen in 't zicht, zoo wordt gedacht aan en gesproken over eenige onderbreking van den gewonen levensgang. Dan krijgen de kinderen vrijaf, de verschillende overgangen op de scholen hebben plaats, de man van zaken zegt: „nu kan ik er wel een poosje tusschen uit". In alles treedt een zekere rust in. Wat de pers u voorlegt, laat het ook duidelijk zien, dat men omtrent overvloed van kopij niet zucht. Daar gebeurt dan in den regel ook niet al te veel.
Doch leg daar nu onze tijd eens naast, 't Is een opeenstapeling van gebeurtenissen, met de meest ingrijpende veranderingen. Alles schokt en beeft. Zoo is het niet in landen heel ver weg, neen, vlakbij, 't Is dus zoo'n wonder niet, dat voor de schoonheid van wat God deed iets anders tusschen schuift dat de aandacht weet te spannen. Toen ik vanmorgen een zieke bezocht en een van die posten passeerde, waar de laatste berichten worden aangeplakt, verdrong zich daar de massa. Van aller aangezicht liet zich eenigermate de spanning aflezen. Ongetwijfeld gebeuren er geweldige dingen. Al zal iedereen toegeven, dat de verschillende bladen alle hun best doen om het wereldnieuws zoo interessant mogelijk hun lezers voor te leggen — dus zij ontkomen moeilijk aan den lust van sensatie te wekken — toch zijn de feiten schrikkelijk genoeg. De oordeelen zijn niet van de lucht.
Waarheen, in welke richting zich de volken bewegen, is niet twijfelachtig. De geesten uit den afgrond laten duidelijk hun sporen zien.
Wie hun het gebiedend halt zal toeroepen, zal kunnen toeroepen, niemand anders dan de hoogste Gebieder, dan die God, Die hemel en aarde regeert.
Dat de wereld dit niet ziet, is zoo duidelijk èn in het Woord èn In den historiegang ons aangegeven, dat hierop nauwelijks behoeft te worden gewezen. Doch wie nu tot een taak zich zien geroepen, is gansch niet twijfelachtig. Dat zijn zij, die bidden hebben geleerd ; dat zijn zij, die zich den toegang zien ontsloten tot de stilte van de binnenkamer en dien van het huis des Heeren.
't Zijn bange tijden. Zou er ook nog een ander woord voor zijn aan te wijzen ? De onderwijzing Godes van allen, die Hem vreezen, is hierin niet minder. Wie ooren heeft om te hooren, hoore wat de Geest tot de Gemeenten te zeggen heeft. De sprake des Allerhoogsten doortrilt de gansche wereld onzer dagen.
Toen ik dezen morgen ook even mijn voet inhield om weer te lezen wat het laatste bericht den volke meldde, werd me deze vraag gedaan : „Waar blijft nu de beschaving ? "
Het antwoord luidde : wie daarvan heil heeft ingewacht en nog is wachtende, komt zeker bedrogen uit.
Geen beschaving kan redding bieden. Alleen, wat de Dichter zegt, geldt:
Hij, Die helpt in nood. Is in Sion groot.
De beteekenis van wat God Zijn Kerk opdraagt, blijkt hoe langer hoe duidelijker. Dat deze tijden voor de wereld onzer dagen als onverwacht en ongedacht — want de beschaving zou immers wonderen verrichten — zich melden, voor de gemeente des Heeren zijn ze zoo vreemd niet. Als God en Zijn dienst worden prijsgegeven, kan niet anders worden tegemoetgezien. De mensch is in wezen — zijn natuurstaat geeft dit duidelijk aan — tot deze botsingen in staat. Alles wordt er aan gewaagd om de eerste te zijn en te blijven. Hij moet in toom worden gehouden. Wordt hem dezen toom aangelegd door menschenvingeren, zoo ontmoet hij een harden meester, worden hem de breidels aangedaan - door de zachte hand, door den reddenden greep des Allerhoogsten, door middel van Zijn Woord en Geest, zoo herademt alles.
De Apostel Paulus zegt dan ook in een van zijn brieven, als hij gesproken heeft over de stem des archangels : „vertroost elkander met deze woorden."
Dat het Woord zijn loop hebbe en de Geest Zijn arbeid rijkelijk doe in onze dagen, blijve onze gedurige bede. Laat ons daarom onze schuldbrieven den Heere voorleggen. Hem aanloopen als een waterstroom, opdat Hij instee van het bloedende vaandel van de geweldhebbers, dezer wereld. Zelf de banier opwerpe. Dat ook onze arbeid niet anders beooge dan dit, dat Zijn Koninkrijk kome en Zijn Kerk worde gebouwd.
'k Vermeen, dat ieder die meeleeft in onze dagen, het als vanzelfsprekend aanvoelt, dat ons overzicht van deze week deze woorden laat voorafgaan.
Laat me nu het volgende staatje u voorleggen.
1. Het eerste wat inkwam verleden week, werd me toegezonden uit Rijssen. Ds. Van Willigen zond me voor het Studiefonds van N. N ƒ 5.—
2. De tweede, die onbekend wenschte te blijven, was N.N., uit Delft. Deze had dankensstof van den Heere ontvangen. Hiervan gaf de gift van f 12.50 blijk, te verdeelen tusschen het Studiefonds en de Evangelisatie-Commissie ƒ 12.50
3. Van den heer K. te Breukelen werd mij een rijksdaalder ter hand gesteld ƒ 2.50
4. Vanuit Feijenoord kreeg ik door den heer J. Bot, aldaar, een nagift op de Paaschinzameling van 1 gld ƒ 1.—
5. Van den heer B. te Tuil en 't Waal werd me een gift van 2 gld. in de hand gestopt ƒ 2.—
Gaarne zou ik aan elk dezer giften een persoonlijk woord van dank willen toevoegen, doch mij dunkt, dat dit als overbodig zal worden aangemerkt. Des Heeren hand mocht ik er telkens in opmerken.
6. Evenzoo stemde een gift van den heer A. K. te 's-Hage me dankbaar, toen hij als nagift me toezond ƒ 2.—
7. Door ds. Bout te Genemuiden kreeg ik uit dankbaarheid dat hij vrijmoedigheid had gevonden om te bedanken voor het beroep naar Ermelo, "t 2.50, plus ƒ 1.—, plus fl.—; samen  ƒ 4.50
Dezen dank versta ik.
Zegene de Heere zijn arbeid daar nog rijkelijk.
|8 .Door J. Sparreboom kreeg ik van de Jongel. Vereen. „David" te Slikkerveer ƒ 2.50
9. Uit den collectezak te Veenendaal bekwam ik een gift van ƒ 5.—
10. Evenzoo zond me de Kerkeraad van Oud-Alblas een gift van ƒ 10.—
11. Ook onze onbekende vriend uit eigen gemeente bleef ook dezen keer niet achterwege. In den collectezak van de Jacobikerk liet hij het bekende blauwe briefje inglijden, 'k Blijf hem telkens opnieuw mijn oprechten dank verschuldigd, 't Is me lederen keer weer een verrassing ƒ 10.—
12. Van een vriendin, die haar naam niet beter weet weer te geven dan door een dubbele N, uit Velp, kreeg ik ƒ 1.— Uit dit deel van ons Vaderland ontvang ik in den regel niet veel.
Vandaar m'n dubbele dank.
13. De Afdeeling van Genemuiden gaf me als contributie voor dit jaar na aftrek van wat zij volgens de statuten mag behouden, ƒ 36.75|
Voor dezen bekwamen spoed ben ik hoogst erkentelijk.
14. Van mej. V. te D. ontving ik aan postzegels een gulden ƒ 1.— Voor het begeleidend schrijven zeg ik vriendelijk dank. Ik heb er goede nota van genomen.
15. Van ds. Van den Berg te Amersfoort ontving ik voor de fondsen uit de preekenserie „Genade voor Genade", evenals een vorig jaar, ƒ 50.—
We spreken bij dezen onzen hartelijken dank uit voor dit blijk van meeleven. God zegene onzen gezamenlijken arbeid rijkelijk.
16. Van ds. Fokkema te Amstelveen kreeg ik aan diverse giften, bij hem ingekomen na de Paaschcollecte, de niet onaanzienlijke som van ƒ 55.50
Wij danken hem en de gevers voor deze bijdrage.
17. Te Bergambacht mocht ik bij de bediening des Woords een collecte houden voor onze fondsen. Deze bracht op ƒ56.775
Ook hiervoor mijn erkentelijke dank.
18. Het sluitstuk komt uit eigen ge­meente, 't Is de maandelijksche rijksdaalder. Wij zijn er altijd evenzeer mee verblijd ƒ 2.50
Opgeteld, is het niet minder dan
ƒ 260.52
Gods zegen ruste op gevers en giften tezamen.
Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

FINANCIËN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's