De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

DE DOOD VAN PRINS HENDRIK.
met diepe ontroering vernamen we Dinsdagmiddag de tijding, dat, nog heel onverwacht, Z.K.H. Prins Hendrik, op 58-jarigen leeftijd, is overleden.
Pas nog stond hij aan het graf van Baron van Hardenbroek, wiens begrafenis hij 26 Juni j.l. bijwoonde, en 3 Juli is hij zelf niet meer in het land der levenden.
Ook voor de Vorsten der aarde geldt: „Gelijk het gras is ons kortstondig leven en : „De dood wenkt ieder uur."
Weer is de dood de deur van het Koninklijk Paleis binnengegaan. 20 Maart werd de algemeen zoo geliefde en teerbeminde Koningin-Moeder weggenomen in den gezegenden ouderdom van ruim 75 jaren. Nu, 3 Juli, is Z.K.H. Prins Hertog Hendrik, de Man van onze geliefde Koningin, de Vader van onze beminde Prinses, gestorven.
De Kalender van 1934 noemt vier verjaardagen van leden van ons Vorstenhuis, en in een tijdsverloop van nog geen vier maanden ontvielen er ons twee door den onverbiddelijken dood. 't Is om stil te worden !
Wel wordt ons Oranjehuis zwaar beproefd. 't Is stil geworden in ons Vorstelijk Paleis.
Slechts twee Vrouwen zijn ons overgebleven. Gelijk 't was van 1890—1901, zoo is 't weer geworden.
Toen waren het Emma, de Moeder, en Wilhelmina, de dochter.
Nu zijn het Wilhelmina, de Moeder, en Juliana, de dochter.
Wone de Heere met Zijn gunst en zegen in de Koninklijke woning, om te troosten en te sterken die nu zoo bedroefd zijn, in eenzaamheid achtergelaten zijnde.
En 't volk, dat bidden heeft geleerd, verheffe de ziele tot den Heere, den Koning der koningen, om te bidden voor Koningin en Prinses, voor Vorstenhuis en Vaderland : „Verhef Gij over Moeder en Dochter Uw aangezicht in vriendelijkheid ; zegene Gij Vorstenhuis en Volk !"
Alleen de Heere kan ons het goede doen zien. Dat Hij niet verre van ons zij, maar in gunste, om Christus' wil, Koningin en Vaderland genadig zij.

PRINS WILLEM VAN ORANJE.
24 APRIL 1533 — 10 JULI 1584.

Den 10den Juli is het 350 jaar geleden, dat Prins Willem I te Delft werd vermoord. Met dankbaarheid gedenken we hem, die als voorvechter der geestelijke vrijheid zich een onverwelkbare kroon verwierf ten koste van zijn bezittingen, zijn ambten, zijn eer en zijn leven. Ware 's Prinsen streven eerzucht geweest, er zou voor hem gewis een open weg gelegen hebben buiten Nederland, maar Prins Willem zocht, uit liefde tot God en Zijn Woord, het goede voor zijn arme volk.
We gedenken hem ook als grondlegger van onze nationale vrijheden.
„Saevis tranquillis in undls" : „Rustig te midden der woedende baren !" In zijn veelbewogen leven zijn deze woorden hem tot leiding en richtsnoer geweest.
Wij zullen de oude geschiedenis niet geheel ophalen, willen alleen nog even stilstaan bij dien donkeren dag in onze geschiedenis, 10 Juli 1584.
De Prins heeft met zijn gezin en den Burgemeester van Leeuwarden den maaltijd gebruikt. Dan verlaat hij de eetzaal om naar zijn werkkamer te gaan, en als hij op de onderste trede gekomen is, treedt Balthasar Gerards, die in een nis zijn kans stond af te wachten, en zoogenaamd een paspoort kwam halen, vooruit, en op slechts twee pas van hem af, schoot hij den Prins drie kogels in het lichaam. De Prins zonk achterover in de armen van zijn huismeester en riep uit: „Mon Dieu, ayez pitié de mon ame, mon Dieu, ayez pitié de ce pauvre peuple".
(„Mijn God, gedenkt mijner ziele ; mijn God, gedenkt dit arme volk"). Zijn hoed was afgevallen en op zijn gelaat teekende de doodstrijd zijn ormiskenbare lijnen.
De maaltijd stond nog op tafel; niemand kon gelooven, wat er zoo juist was gebeurd. „Beveel gij uw ziel aan de genade van Christus", vroeg zijn zuster hem, en na een toestemmend „ja", ontvlood de laatste adem zijn mond. De Prins was niet meer !
De Nederlandsche natie is dezen grooten Vorst veel verplicht. Door hem is Neêrlands zelfstandigheid geworden. Zijn schitterende staatsmanstalenten, zijn krachtig geloof, zijn vaste wil, zijn nooit gebroken moed en zijn onwrikbaar vertrouwen op de rechtvaardigheid van de zaak, welke hij voorstond, geven hem recht op de bewonderende hulde van gansch ons volk. Zijn ruime denkbeelden omtrent de toen nog zoo weinig begrepen vrijheid van godsdienst en geweten en zijn levendig gevoel voor volksvrijheid en zelfregeering, dwingen de bewondering af van heel onze natie. En Nederland noemt hem zoo gaarne „de Vader des Vaderlands", die steeds met zorgen gekweld, zich geen tijd gunde om rust te nemen, steeds bezig zijnde het goede te zoeken voor Staat en Kerk. Waarbij hij zijn sterkte mocht vinden in den Potentaat der potentaten, met Wien hij een vast verbond gemaakt had.
Groot was de smart over zijn dood. Het volk weende op de straten als kinderen, die beweenen hun vader. Door moordenaarshand was hij gevallen, de groote en bekwame aanvoerder in den opstand, die immer met vaste hand zijn volgelingen den weg gewezen had en te midden van de ernstigste omstandigheden nooit den moed had verloren. Gevallen was hij, die door zijn onvergelijkelijke kennis van menschen en zaken geboren was om te leiden en die door overtuiging, rechtvaardigheidszin en vrijheidsdrang zich verzette tegen dwingelandij en gewetensdwang.
De Roomschen jubelden. Zij zagen in hem hun vijand en in zijn dood zagen zij de rechtvaardige straf Gods voor alles, wat 's Konings gezag en hun. Kerk door 's Prinsen toedoen hadden geleden. In den moordenaar zagen zij niet den misdadiger, maar den ijveraar voor hun geloof, een werktuig Gods, wiens nagedachtenis zij vereerden, wiens hoofd zij als een kostbare reliek naar Keulen wisten te redden.
En toch was de Prins van Oranje nooit hun vijand geweest. Integendeel, steeds had hij getracht de Roomschen te beschermen tegen den al te vurigen ijver der uiterste Calvinisten, waardoor hij menigmaal zijn populariteit bij dezen in de waagschaal had gesteld.
De Prins van Oranje is gevallen als martelaar eener vruchtbare gedachte, als strijder voor idealen die thans in Europa, als in zijn tijd, ten ondergang gedoemd schijnen, 't Is zijn inspireerende geest geweest, die Holland en Zeeland de kracht schonk den ongelijken kamp voor vrijheid en recht met het machtige Spanje vol te houden. En het zou een zegen zijn, nationaal en internationaal, indien die geest ook nu ons volk en andere natiën vervulde.
Nederland heeft in Willem van Oranje een Vader des Vaderlands van den Heere ontvangen.
Het sierlijke monument in de Nieuwe Kerk te Delft vertolkt de dankbaarheid van ons volk van vroeger en van nu.
In marmer staat daar een opgericht teeken der liefde.
In de harten van ons Nederlandsche volk leeft hij voort, dien de hand eens moordenaars van het leven beroofde, maar wiens naam niet uitgeroeid is en niet uitgeroeid kan worden.
God maakt de geschiedenis. De Heere geeft ieder een taak. In Prins Willem van Oranje zij 's Heeren Naam geprezen van geslachte tot geslachte !

HET PUBLIEK GETUIGENIS INZAKE DE EENHEID DER KERK.
De Synode der Gereformeerde Kerken, te Middelburg gehouden in den jare 1933, heeft besloten een publiek getuigenis te doen uitgaan inzake de éénheid der Kerk. Men wil niet bijeenvergaderen, die niet bij elkaar hooren, maar men wil wél trachten, onder degenen, die uit één belijdenis leven, maar kerkelijk gescheiden zijn, méér eenheid te brengen.
Officieel werden wij uitgenoodigd door Deputaten, daartoe te Middelburg benoemd, onderstaand schrijven in »De Waarheidsvriend« op te nemen.
Aan alle belijders der Gereformeerde religie in Nederland, niet behoorende tot de Gereformeerde Kerken.
Op last van de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland ten vorigen jare te Middelburg gehouden, wenden ondergeteekenden zich bij dezen tot allen, die met haar de Gereformeerde belijdenis van harte liefhebben en nochtans kerkelijk van haar gescheiden leven, met het volgende :
Door de genade Gods wordt in den boezem onzer kerken meer en meer met smart gevoeld het zondige van de kerkelijke gedeeldheid onder hen, die één zijn In waarachtig geloof in den Heere Jezus Christus en in de belijdenis van de waarheid Gods, geopenbaard in de Heilige Schrift; waarom zij niet kunnen nalaten een dringende roepstem tot vereeniging te doen uitgaan.
Het zondige van deze kerkelijke gedeeldheid wordt door ons diep gevoeld, wijl het duidelijk een eisch Gods is, dat allen, die in geloof en belijdenis één zijn, ook kerkelijk samenleven.
Heeft niet de Heiland zelf gebeden: „opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in mij, en Ik in U, dat ook zij in ons één zijn ; opdat de wereld geloove, dat Gij mij gezonden hebt" (Joh. 17 vers 21) ? En dit woord van den Heere Christus doet toch ook ten opzichte van ons kerkelijk leven een ernstige roepstem tot ons allen uitgaan.
Natuurlijk verstaan wij die roepstem niet in dezen zin, dat wij moeten trachten alle Christenen in één kerkelijk instituut bijeen te brengen, zonder dat aan den eisch van eenheid in belijdenis is voldaan. Er kan toch naar luid van Gods Woord geen rechte kerkelijke samenleving bestaan, tenzij ze gegrond is op samenstemming in belijdenis ; en wij begeeren dan ook geen kerkelijke eenheid dan in volle onderwerping aan de Heilige Schrift en op den grondslag van de Gereformeerde belijdenisschriften, die wij erkennen als zuivere vertolking van de waarheid Gods, ons in de Heilige Schrift geopenbaard.
Is echter die samenstemming in belijdenis aanwezig, dan moet naar onze innige overtuiging de door den Heere Christus van den Vader begeerde (en immers als werkelijkheid bestaande) eenheid Zijner discipelen óók in een kerkelijk samenleven openbaar worden. En wanneer wij daartegenover zien, hoe in ons vaderland de belijders der Gereformeerde religie in onderscheiden kerkelijke formaties naast, ja tegenover elkander staan, dan klemt zeker de vraag, of wij het voor God kunnen verantwoorden, zoo wij niet met al den drang der waarachtig-zoekende broederliefde trachten aan zulk een gedeeldheid een einde te maken en tot kerkelijke eenheid te komen.
Neen, wij ontkennen en ontveinzen ons de groote moeilijkheden niet, welke zich bij zoodanige pogingen zullen voordoen. Maar de hartelijke overtuiging, dat het de wil des Heeren is. Die Zijn gemeente gekocht heeft met Zijn dierbaar bloed, dringt ons om de begeerte naar kerkelijke eenheid met allen, „die even dierbaar geloof verkregen hebben", kenbaar te maken en hun toe te roepen : laat ons elkander zoeken en met allen ernst, onder biddend opzien tot den Heere, betrachten, wat tot kerkelijke eenheid zou kunnen leiden.
Wij doen dit niet in farizeesche hoogheid of eigengerechtigheid, maar in het ootmoedig besef onzer zonde, dat ook wij met de kerkelijke gedeeldheid dikwijls al te zeer vrede hebben, en met de oprechte erkenning, dat ook aan ons kerkelijk leven veel gebrek en tekortkoming kleeft, al blijven wij overtuigd, dat de reformatorische bewegingen van 1834 en 1886, waaruit de Gereformeerde Kerken in haar tegenwoordigen bestaansvorm zijn voortgekomen, door Gods Woord geboden waren.
Temeer wordt het zondige en onverantwoordelijke van de kerkelijke gedeeldheid door ons gevoeld, daar wij thans leven in een zoo hangen tijd, waarin de geest uit den afgrond hoe langer hoe meer zijn macht openbaart en ook de kudde des Heeren belaagt; de zedelijke verwildering onder ons volk hand over hand toeneemt en het getal dergenen, die met alle kerk en godsdienst hebben gebroken, tot zulk een schrikbarende hoogte klimt.
Welk een heerlijke kracht zou er kunnen uitgaan van de belijdenis der Gereformeerde religie, indien zij zich als één, ongedeelde slagorde van den levenden God stelden tegenover de ontzettende macht van het ongeloof.
En hoezeer is nu die kracht gebroken door de kerkelijke gedeeldheid.
Hoe maken wij ons daardoor menigmaal tot een aanfluiting voor de wereld en brengen grooten smaad over den Naam en de zaak des Heeren.
Daarom komen wij tot U, Broeders en Zusters in onzen Heere Jezus Christus, met de dringende bede : Laat ons elkander zoeken ; laat ons samen overwegen wat ons kerkelijk gescheiden houdt en alles doen, wat in ons vermogen is, om tot eenheid te komen, want alzoo is de wil des Heeren.
Met de bede tot God, dat deze roepstem weerklank moge vinden in veler harten, verklaren ondergeteekenden zich tenslotte bereid tot samenspreking met allen, die van hun begeerte naar kerkelijke eenheid blijk geven en verzoeken hen zich hiervoor te wenden tot den laatstondergeteekende.
Namens de Gereformeerde Kerken in Nederland :
Deputaten ad hoc :
Dr. K. DIJK, Voorzitter.
Dr. P. W. GROSHEIDE.
Ds. H. MEIJERING.
Dr. J. RIDDERBOS.
Ds. W. H. DEN HOUTING, Secretaris. Adres : Schrans 90, Leeuwarden. Het ligt voor de hand, dat wij over deze Circulaire zeer zeker in eigen kring zullen spreken, om daarna onze gedachten betreffende deze belangrijke aangelegenheid mee te deelen.

DE EENHEIDSBEWEGING.
Het is verblijdend, dat meer en meer gevoeld wordt, dat het niet de eere van de Kerk des Heeren is, om zooveel mogelijk zich te splitsen en te versplinteren. De menschelijke hoogmoed en het zondig bedenken des menschen — ook van den vromen mensch — komt er wel telkens tusschen om het weer te bederven. Dan wordt zoo triumfantelijk geroepen : „ik ben van Paulus" en „ik ben van Apollos" en „ik ben van Petrus" — maar Paulus is er heelemaal niet over gesticht, dat men zulks doet. Hij, de groote Apostel, zet Christus in het middelpunt. Daar moet de éénheid worden gevonden en betracht en bevorderd. Ook al heeft in den loop der tijden de belijdenis-ontwikkeling niet stilgestaan. Waar mogelijk is, moet de éénheid worden gevoeld en beleefd.
Tegelijk hebben we echter te waken, dat niet van éénheid gesproken wordt, waar de éénheid ontbreekt. Het spreken en schrijven over de „Una Sancta", over de ééne heilige algemeene Christelijke Kerk, is goed. Maar dan moet die éénheid er ook in aard en wezen, in geest en hoofdzaak zijn.
Wij kunnen ons dan ook geheel vinden in het artikel, dat prof. dr. H. H. Kuyper schrijft in „De Heraut", dat we hier overnemen :
»Het mislukken van de pogingen in Engeland om de Anglicaansch-Episcopale Kerk te vereenigen met de Schotsch-Presbyteriaansche Kerk, is wel een les voor degenen, die aan de mogelijkheid van zulk een „éénheid" der verschillende kerken gelooven, hoe verschillend de belijdenis en kerkinrichting dezer kerken ook zijn, en daarvan voor de toekomst der Kerk alle heil verwachten.
Dat het Una Sancta Catholica Ecclesia van onze Apostolische geloofsbelijdenis, ik geloof één heilige algemeene Kerk, een wondere bekoring uitoefent, en als heerlijk ideaal hen bezielt om dit geloofsartikel tot werkelijkheid te maken, is op zichzelf wel te begrijpen.
Christus zelf heeft in het Hoogepriesterlijk gebed om die éénheid van allen, die in Hem gelooven, gebeden. Het moest één kudde worden onder één Herder. En die daartegenover de realiteit stelt van de gedeeldheid der Christelijke Kerk, het zich al meer versplinteren van wat één machtige Kerk moest zijn in tal van kerken, kerkjes en secten, die elkander bestrijden en maar al te vaak elkaar verketteren, voelt het heimwee in zijn hart opkomen naar hetgeen onze Apostolische Geloofsbelijdenis ons voor oogen stelt. Hoeveel meer kracht zou van de Christelijke Kerk niet kunnen uitgaan, wanneer ze niet verbrokkeld en verdeeld was, maar als machtige eenheid in het leven der volkeren kon optreden, en hoeveel rijker zou de gemeenschap der heiligen, waarvan ons geloofssymbool spreekt, dan niet tot uiting kunnen komen.
Maar hoe bekorend dat ideaal van het Una Sancta ook wezen moge, te verwezenlijken is in deze bedeeling, waarin we leven, dit ideaal niet. Onze Reformatoren hebben, toen de Kerk één was, hoeveel strijd het hun kostte, die eenheid' met de kerk waartoe ze behoorden, moeten verbreken, omdat, zooals Calvijn het zeide, boven de eenheid der Kerk de waarheid Gods staat. Gedeeldheid tusschen kerken, die één zijn in de belijdenis der waarheid welke God' ons geopenbaard heeft, is zonde en mag niet geduld worden. Elke poging om zulk een gedeeldheid weg te nemen, heeft daarom onze hartelijke sympathie.
Maar wanneer die eenheid zou moeten worden gekocht tot prijs van de waarheid, die God ons geopenbaard heeft in Zijn Woord, dan zou die uitwendige eenheid een zonde worden, een verloochening van de schat, die God ons heeft toebetrouwd en dien we, zooals de buitenlandsche theologen op de Synode van Dordt ons toebaden, tot den dag van Christus' wederkomst ongeschonden hebben te bewaren. Het is daarom, dat we dankbaar moeten zijn, dat de pogingen om de Anglicaansche Kerk en de Presbyteriaansche Kerk te vereenigen mislukt zijn, omdat, zooals de Presbyterianen in het eindrapport over deze pogingen verklaarden, het verschil in opvatting met name ten opzichte van het Sacrament te groot is tusschen beide kerken, zoodat er geen hoop overblijft aangaande de mogelijkheid van vereeniging.
Een Kerk, zooals de Anglicaansche Kerk, die eenerzijds onderhandelingen voeren laat met Roomsche prelaten om de breuke tusschen Rome en deze Kerk te overbruggen, en anderzijds aan de Presbyterianen de hand wil reiken, om ze in den schapenstal dezer Kerk weer onder te brengen, toont hoe gevaarlijk deze eenheidsbeweging is.
Prof. dr. Adolf Keller uit Geneve heeft daar om, naar aanleiding van het mislukken dezer pogingen, er op gewezen, hoe daaruit de les te trekken is, dat men beter doet dezen term van éénheidsbeweging, die door de Anglicaansche Kerk als parool is uitgegeven, los te laten en daarvoor in de plaats te stellen den term „beweging voor kerkelijke samenwerking".
Al dient ook bij deze samenwerking zeker groote voorzichtigheid in acht genomen te worden teneinde niet af te glijden, toch zijn er terreinen, waarop de Christelijke Kerken gezamenlijk kunnen optreden om met elkander te beraadslagen en samen te werken, teneinde het hoofd te bieden aan den wassenden stroom van ongeloof en zedelijke ontaarding. Zulk een samenwerking is echter iets geheel anders dan de eenheidsbeweging, die alle kerken wil oplossen of samenvatten in ééne Kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's