De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

8 minuten leestijd

DE ONDERWIJSUITGAVEN.
Wij hebben in ons artikel van de vorige week: „de positie van Nederland" zeer terloops gewezen op de hooge uitgaven van het onderwijs. Zooals wij toen opmerkten bedragen de kosten van het onderwijs per hoofd van de bevolking jaarlijks ƒ 20.— en kost ieder schoolgaand kind alle jaar aan de schatkist ƒ 125.—.
Wat de reden van deze hooge kosten is, is bekend.
Zij zijn het gevolg van de schrikbarende stijging, die de onderwijsuitgaven, bijzonder na het jaar 1919, hebben ondergaan.
De Jaarcijfers voor Nederland over 1932, uitgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek, jaargang 1933, doet van de kosten van het onderwijs belangrijke mededeelingen.
Was het accres der uitgaven van het lager onderwijs in het tijdperk van 1858—1900 reeds aanzienlijk, in het eerstgenoemde jaar ƒ 1.3 millioen en in het laatste jaar ƒ 17.5 millioen ; de groei dezer uitgaven werd in de periode van 1900— 1915 allengs sterker, zij stegen van ƒ 17.5 millioen op ƒ 41.9 millioen. Daarna ging het met de kosten van het lager onderwijs crescendo omhoog. In het laatste jaar, dat de Jaarcijefers aangeeft, het jaar 1928, stond het zuiver bedrag der kosten van het lager onderwijs op ruim ƒ136 millioen.
Deze enorme stijging der onderwijsuitgaven vindt hare verklaring in de salarisverbetering van 1919 en in de gunstige leerlingenschaal van 1920, doch voornamelijk in eerstgenoemden maatregel.
Nu is het bedrag van ƒ 126 millioen — en dit is niet voorbij te zien — nog maar een gedeelte van de gelden, die door het Rijk in totaal ten dienste van het onderwijs wordt uitgegeven.
Immers behalve het lager onderwijs voorziet het Rijk en de gemeenten ook nog in de behoeften van het uitgebreid-en het meer uitgebreid lager onderwijs, voor het middelbaar onderwijs en het hooger onderwijs, voor alle welke doeleinden nog weer nieuwe millioenen moeten worden beschikbaar gesteld.
Dat de kosten van het onderwijs jaarlijks een belangrijk deel van de gelden van de Rijksbegrooting vorderen, zal duidelijk zijn. Meer dan 1/4 van de Rijksinkomsten gaan ieder jaar aan deze uitgaven weg.
Met zijn buitengewoon kostbaar onderwijs staat Nederland wat de kosten van het onderwijs betreft aan de spits van alle landen van Europa.
Dit blijkt uit de publicatie van het Bureau International d' Education in Geneve, welk bureau alle jaargegevens verstrekt over de onderwijsbudgets van een groot aantal landen van ons werelddeel.
Om het belang der zaak laten wij hieronder de publicatie van het jaar 1933, voor wat de onderwijsuitgaven in verhouding tot de totale staatsuitgave aangaat, volgen.
Landen Percentage van het totaal budget voor het onderwijs
België 8.3 % Denemarken 20.6 % Duitschland 18 % Frankrijk 6.6 % Italië 5 % Nederland 27.9 % Noorwegen 14.6 % Polen 14.2 % Zweden 17.2 % Zwitserland: Kanton Basel 21 % Kanton Bern 16.3 % Kanton Genève 23. % Kanton Vaud 23.6 % Kanton Zurich 19.6 %
Nu zijn deze cijfers slechts globale cijfers. De percentages toch geven de kosten aan van de Departementen van Onderwijs in de verschillende landen, zoodat de kosten niet uitsluitend de Onderwijsuitgaven aangeven.
Gelijk bekend is, omvat ten onzent de begrooting van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, zooals uit den naam dezer Instelling blijkt, ook de Staatsuitgaven voor Wetenschap en Kunst, terwijl daarentegen de uitgaven voor het Landbouwonderwijs op de begrooting van het Departement van Economische Zaken drukken.
Zoo staat het ook in andere landen, waar men onder het beheer van verschillende andere ministeries, behalve het Onderwijsministerie, ook takken van Onderwijs heeft ondergebracht.
Toch krijgt men uit 't staatje, dat wij aan De Nederlander ontleenden en dat wij hierboven lieten afdrukken, wel den indruk, dat ons Onderwijs zeer duur is.
Daarom is het met het oog op den toestand der landsfinanciën en mede in verband met de vele uitgaven, die het Rijk op allerlei gebied te doen heeft, hoogst noodzakelijk, dat op de uitgaven van het Onderwijs bezuinigd worde en het Onderwijs op eenvoudiger voet worde ingericht.
Er valt op het terrein van het Onderwijs, vooral in de groote steden, nog heel wat te versoberen. Ten bewijze daarvan moge herinnerd worden aan de belangwekkende cijfers, die ten vorigen jare de heer Feberwee in zijn prae-advies gaf over de bezuiniging bij het Lager Onderwijs. In dat prae-advies werd medegedeeld, dat in Amsterdam het aantal Openbare Scholen toenam van 189 in 1914 tot 381 in 1929, terwijl het aantal leerlingen gelijk bleef. In Rotterdam was bet niet anders, daar vermeerderde in een periode van tien jaren het aantal Openbare Scholen van 158 tot 219, het aantal leerlingen daalde zelfs met 6000. Ook in Den Haag ging een daling van het aantal leerlingen gepaard met een vermeerdering van het aantal scholen met 73. Het kan niet ontkend worden, dat in de groote steden al te zeer wordt gehandeld onder de leus : gelijk De Standaard hier opmerkt : „geld speelt geen rol."
Beperking op de Onderwijsuitgaven is dus de gebiedende eisch, die gesteld moet worden. Dat dit niet gemakkelijk gaan zal, is wel gebleken, toen de Minister van Onderwijs onlangs den maatregel nam om een aantal kleine Openbare Schooltjes op te heffen. Deze maatregel lokte bij tal van voorstanders der Openbare School ernstig verzet uit.
In de millioenennota, die bij de ontwerpen van wet tot vaststelling van de Rijksbegrooting voor het dienstjaar 1934 gevoegd werd, kwam de mededeeling voor, dat op het Hoofdstuk der begrooting van Onderwijs een bedrag van ƒ 15.5 niillioen zou bespaard worden. Deze mededeeling werd gedaan op den derden Dinsdag van September van het vorig jaar. Wij zijn thans 10 maanden verder, de toegezegde besparing blijft echter uit. De Minister houdt zich bezig met de spellingkwestie en met het Kweekschoolontwerp, welk laatste ontwerp geen besparing zal blijken te geven, maar opnieuw offers van de schatkist zal vragen.
Zoo blijft het met de Onderwijspolitiek Minister Marchant tobben.
Dat bij diepgaande bezuiniging op de Onderwijsuitgaven haast is, zal een ieder, die met den nood van de schatkist op de hoogte is, moeten toegeven. Een doortastend optreden van de Regeering is noodzakelijk.

HOE HET KAN WORDEN.
De vorige maand verscheen in De Standaard een driestar met het opschrift: „Hoe het kan worden." Deze driestar sluit zich wonderwel aan bij ons artikel: „de Onderwijsuitgaven. Wij meenen goed te doen, met het oog op de noodzakelijkheid van beperking der kosten van het Onderwijs, de driestar hier te laten volgen. Zij, die meenen, dat versobering op de Onderwijsuitgaven niet allernoodzakelijkst is, kunnen dan zien wat de gevolgen zijn, wanneer de Regeering niet doortastend optreedt.
De Standaard schrijft:
Ook op het Onderwijs moet worden bezuinigd. Hier en in Indië.
Vooral in ons Indië ondervindt het Onderwijs den druk der noodzakelijke bezuiniging.
Dat is lastig en teleurstellend.
Alleen doet men in zulke gevallen goed nimmer ae zaak, die men liefheeft, te zien buiten het verband met het algemeen.
Het werk der bezuiniging geschiedt om het geheel te behouden, dus ook de deelen.
Het heeft dus ten doel ook het Onderwijs zooveel mogelijk voor algeheele inzinking te behoeden. En alleen wie deze werkelijkheid wil zien, zal, hoe smartelijk het hem ook valt, veel dat in goede dagen mogelijk was te zien afsnijden, toch van harte de Overheid steunen, die, om het algemeen belang, het snoeimes moet ter hand nemen. Bovendien, wie in moeilijkheid geraakte, doet goed ook eens te zien naar degenen, die het nog erger hebben.
Ons trof in het orgaan van de Chr. Onderwijzersvereeniging in Ned.-Indië een artikel over de onderwijstoestanden in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, eens het rijkste land der wereld. De algemeene verarming doet zich niet het minst in de kringen van het Onderwijs gevoelen.
Den vorigen winter werden daar duizenden scholen gesloten. In de groote steden werd 't leerjaar verkort en het leerplan ingekrompen. Vele onderwijzers ontvingen geen salaris. Honderdduizenden kinderen ontvangen geen schoolonderwijs meer.
In een der Staten zijn van de 2000 scholen 178 gesloten. Vijfhonderd scholen zijn slechts een gedeelte van het jaar in gebruik. De onderwijzers zien hun salaris als zij nog salaris ontvangen, met zelfs 50% gekort. Er zijn onderwijzers, die in geen drie jaar salaris ontvingen. Velen moeten leven van de liefdadigheid. Het aantal „schoollooze" kinderen wordt geschat op 750.000. Tweehonderd vijftig duizend kinderen gaan halve dagen naar school. Honderd vijftig duizend ontvangen onderwijs in ruw-houten verplaatsbare schuren.
Soortgelijke toestanden zijn zelfs in een stad als Chicago. geconstateerd
In Zuid-Kakota ontvingen de onderwijzers de mededeeling, dat zij een deel van hun tijd moeten geven aan arbeid op boerderijen. Anders zouden ze hun betrekking verliezen.
Er zijn onderwijzers, die geen dak meer hebben boven hun hoofd. Hun bed staat in de school. De kinderen moeten voor den meester voedsel meebrengen.
Zoo zouden wij kunnen doorgaan.
Deze toestanden zijn mee de gevolgen van gewaanden rijkdom, van een niet-tijdig-zichschlkken naar de eischen van den tijd.
Hoe rijke voorrechten geniet dan nog ons volk, en ook ons Indië.
Alleen maar, niemand vergete, dat het zoo ook hier kan worden, als niet tijdig zorg wordt gedragen, dat de tering wordt gezet naar de nering.
De noodzakelijke bezuinigingsarbeid, bij 't geen de Overheid doet voor het Onderwijs, moet geschieden — en ieder onzer behoort zulks te beseffen — ten bate van het Onderwijs. Niet om het te schaden, maar om het te behouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's