De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

18 minuten leestijd

GOD, NEDERLAND EN ORANJE.
De droeve gebeurtenissen in 't midden van het Koninklijk Huis, nu keer op keer de dood der Vorsten woning binnentrad en voor de tweede maal, binnen een paar maanden, een ledige plaats maakte, kunnen oorzake zijn, dat we ons bij vernieuwing bezinnen op hetgeen God met Nederland en Oranje deed in vorige eeuwen en wat Hij ook heden doet met Volk en Vorstenhuis.
Het tegenwoordig menschengeslacht is veelszins vervreemd van de eeuwige dingen; 't is als of er geen hemel, geen God meer is. Leidingen Gods bestaan niet meer. Op de vlakte van het aardsche leven bewegen zich de voeten, met of zonder dans, en hooger komt men niet met z'n gedachten en idealen dan het ondermaansche.
't Is ook wel te begrijpen. Het aardsche leven, het leven dat beneden is, ontsloot zich voor arm en rijk Met ongekende schatten en geneugten. Alles doet zich voor in glanzen, die oog en hart bekooren en geheel in beslag nemen. En 's menschen macht, die schier almacht is geworden, om met onbeperkt gezag heerschappij te voeren over de krachten der natuur, deed alle gevoel van afhankelijkheid van hooger machten verliezen, roeide alle vrees voor God uit en werkte mee tot de loochening van het bestaan van het Opperwezen. Geen hemel is er meer voor tien-en honderdduizenden ; geen God meer. En waar de ontkerstening van het volksleven vortschrijdt, rekent men niet meer met God en Zijn Woord; vervreemdt men ook meer en meer aan den geest der Vaderen, die Gods hand opmerkten in de geschiedenis en op de leidingen Gods hun harte zetten, om Gods wegen te onderzoeken en Gods daden te betrachten.
In vorige eeuwen stonden de tronen der vorsten in 't licht, dat van boven afstraalt en de Vorsten werden gezien, gekroond met den gouden kroon der gratie Gods. Om Gods wil werden de Overheden en de Machten geëerd en gehoorzaamd en de gangen der historie van land en volk en Vorstenhuis werden nagespeurd bij eeuwigheidslicht. Gods hand werd gezien, Gods voorzienig bestel werd opgemerkt; het was God die de geschiedenis maakte en de sprake Gods kwam uit de historie tot de hoogen van stand en de lagen van staat, „De Heere regeert", werd den psalmdichter nagesproken, ook in Nederland, ook ten opzichte van Oranje.
Dat hebben we afgeleerd. De vóór-oorlogsche jaren hebben er geen goed aan gedaan om de dingen van dit aardsche leven bij eeuwigheidslicht te bezien, 's Menschen verachting klom zóó hoog, dat, zonder God en Zijn Woord, alles kon worden verklaard. En de oorlogs-jaren, vooral ook de na-oorlogsche jaren, hebben het proces van de ontkerstening in ons denken en handelen bevorderd, zeer sterk bevorderd zelfs. Wie ziet de dingen nu nog bij eeuwigheidslicht ? Bijna niemand. Wel zijn de volkeren bij valsch idealisme teleurgesteld en ontnuchterd, en niet zoo weinig, maar toch gaan de natiën voort in ontkerstening van het leven. Daarom heeft men ook de regeerende vorsten verjaagd. God wèg, maar dan óok de vorsten wèg; de vorsten, die ook zelf zich hadden losgemaakt van God en Zijn gebod, zichzelf rechten vergaderend, die hun niet toekwamen.
De Overheid is en blijft intusschen Gods die­naresse. Het Overheidsambt is en blijft intusschen Gods instelling en een goede gave van Zijn hand om de volkeren te zegenen, indien we willen hooren Zijn stem en willen doen Zijn wil.
En in Nederland, waar de troon van Oranje nog staat, zijn er gelukkig nog, die Gods leidingen in de historie opmerken en op Zijne goddelijke daden ten opzichte van Vorstenhuis en Vaderland acht geven. De geest der Vaderen leeft nog voort, ook in onze dagen, omdat het een geest uit God is, dien God bewaart in de geslachten. De God des eeds en des verbonds laat nog niet varen de werken Zijner handen.
En dan verschijnt het huis van Oranje in een wonder licht. Het staat er nog als ons nationale Vorstenhuis, teeken van Gods voorzienigheid, bewijs van Gods zorgende liefde over ons Vaderland, teeken en bewijs van Gods voortgezette bemoeienissen met Nederland.
God — Nederland — Oranje. Zóó staan die drie naast en achter elkaar. God, die alles stuurt naar Zijn raad. God, die Nederland verkoos tot een erve. God, die aan Nederland Oranje gaf, als een geschenk van den hemel!
In den worstelstrijd onzer natie voor de rechten en de vrijheden des volks, bovenal voor de rechten van vrijheid van godsdienst, heeft God Oranje aan Nederland gegeven als een geschenk van den hemel, vol zegening en blijdschap; en als een gulden draad is en bleef Oranje geweven door de volkshistorie. Wie Nederland zegt, zegt óók Oranje. En er is nog altijd een volk, dat eerst den naam van God noemt, dan Nederland, dan Oranje, begeerend dat dit snoer van drie nooit moge worden verbroken.
Die belijdenis moet ook te midden van de pijnlijke en gruwelijke ontkerstening van ons volksleven gehandhaafd blijven. Neen, 't is niet het toeval, het spel van het noodlot, de willekeur van menschen geweest, die dien band heeft gelegd in vroegere tijden en in bange dagen keer op keer bevestigd. Neen, 't is God, de Almachtige, de Schepper van hemel en aarde geweest, die dat gedaan heeft naar Zijn souverein welbehagen. En een ieder, die daarvan iets gevoelt, zal ook telkens gedrongen moeten worden de offeranden der dankbaarheid neer te leggen op het altaar, dat den Heere gewijd is.
Zoo willen we ook nu danken voor hetgeen we ontvangen hebben in Oranje en in hetgeen we nog mochten overhouden van het Koninklijk gezin. Moeder en Dochter - bij de gratie Gods.|
Maar tegelijk gevoelen we dat het dan alleen goed zal zijn, wanneer volk en Vorstenhuis, Nederland en Oranje saam, bij de belijdenis van Gods souverein welbehagen, den Heere wil dienen en vreezen naar Zijn Woord.
Het Woord van Hem, die Nederland verkoor en maakte tot een land, van Hem gezegend, zal der natie tot gids moeten zijn. Wij weten, dat de Heere God is, en het is onze natie niet onbekend, dat we geroepen zijn in alles ons Gode te onderwerpen en alles zóó te richten, dat het gaat naar Zijn Wet en Getuigenis, dat het alles dient om Hem te eeren en Hem heerlijkheid toe te brengen. De ontheiliging van Zijn Naam, de verkrachting van Zijn Wet, de verachting van Zijn Woord mag niet bestaan en moet worden weggedaan.
En waar het huis van Oranje door den souvereinen God geroepen is om Nederland te regeeren, daar schikke zich het Koninklijk huis in de vreeze Gods tot het houden van Zijne geboden, om, bij de gratie Gods, over Nederland den scepter te voeren, begeerende daarin Gods wil te doen.
Want ja, alle creatuur is Gode onderworpen, niets anders zijnde dan door Gods hand voortgebracht. Maar de Koningen der aarde zijn allereerst en allermeest geroepen den Heere te dienen en de volkeren ten zegen te zijn, wandelende in 's Heeren wegen.
We mogen in deze niet vervallen tot het gelijkvloersche, platte, aardsche leven, waarbij alle zin voor de hoogere, voor de eeuwige dingen weg is. Vooral in deze tijden, nu alles neertrekt en het volk dreigt verloren te gaan, hebben we er behoefte aan de dingen te zien bij licht van boven en saam te zoeken de dingen, die des Heeren zijn.
Nederland is er nog. En wij genieten groote voorrechten boven vele andere landen en volken.
Oranje is er nog. En de Heere betoont ook daar Zijn welbehagen nog, als onverdiende zegening.
Maar deze bange tijden, deze dagen van beproeving, van dood en rouw — komen tot ons niet zonder groote bedoeling. Want de Heere roept ons toe: „Onderzoekt uwe wegen — keert weder tot Mij — en hebt vrede.
God — Nederland — Oranje.
Ja — zóó moet het zijn en blijven; zoo moet het weer worden en onder ons worden bevestigd.
God de Heere. Hij de Eenige. De Allerhoogste. De dienenswaardige.
En dan Nederland en Oranje saam bereid God te dienen en in de vreeze Zijns Naams te leven.
Nog is het niet te laat!

OCH, OCH, DIE DOMINEE
Wat kunnen dominees toch dwaze, onverstandige, ontactische dingen doen.
Natuurlijk doen andere menschen ook wel domme dingen. Maar dan is het dikwijls zoo erg niet; want dominees zijn menschen, die overal verstand van hebben, die overal van op de hoogte zijn, die het vertrouwen bezitten, en als die dan spreken en getuigen en adviezen geven, dan luistert ieder en beschouwt men het voor 100 procent in orde te zijn.
Maar ach, arme, als het dan verkeerd is, onverstandig, ontactisch, onverantwoordelijk dwaas, wat is het dan treurig en jammer. Och, och, die dominees toch!
Zoo vergalloppeerde zich dezer dagen een dominé, die hoofdredacteur van een dagblad geworden is, bij het schrijven van een artikel na het overlijden van Z.K.H, den Prins, en ieder sprak er schande van. De levensdraad van den nieuwen hoofdredacteur was tegelijk afgesneden.
Hij is niet meer.
Maar zoo hebben ook een aantal dominees van Amsterdam, die groote stad, een dwaze streek uitgehaald, toen ze Maandag onder elkaar in wekelijksche vergadering bijeen waren.
Men weet, hoe treurig het gesteld is in Amsterdam. Een revolutionaire beweging, voorbereid en geleid door Communisten, openbaarde zich op verschillende plaatsen van de stad. Straten werden opgebroken, winkels vernield, trams uit de rails geworpen, wagens omgegooid en toen de politie optrad, werd er geschoten met revolvers uit verschillende woningen, waar vuurwapenen aanwezig waren ; er werd met steenen gegooid, waarvan groote voorraden waren klaar gemaakt. Dooden zijn gevallen, gewonden zijn er vele. En niemand kreeg den indruk dat het door honger gedreven was, dat men in opstand kwam. De verlaging van steun was genomen als argument en aanleiding, maar niet de honger dreef. Wat dreef, was de revolutiegeest. Beroepswerkloozen, beroepsstakers, beroepsrevolutiemakers hadden de leiding overal, 't Was om de stad in rep en roer te brengen. Om de maatschappij te bedreigen. Om het gezag te trotseeren. Om de politie te sarren. Om de Overheid te hoonen. Om de Staatsordeningen te vernietigen. Om er een Bolsjewistische bende van te maken.
Dat is nu weer wat voorbij, rustiger geworden. 't Is weer wat|
En wat doen nu een aantal predikanten van de Ned. Herv. Gemeente te Amsterdam ?
Ze praten met elkaar over de dingen die heel de stad en heel 't land in beroering gebracht hebben en ze stellen met elkaar — neen, niet een manifest op, dat bestemd is voor de burgerij. Ook niet een schrijven, dat bestemd is voor den burgemeester en de politie. Ze spreken zich niet openlijk uit voor orde en rust, voor gezag en recht. Neen — ze gaan mee klagen met de klagers, die tot opstandelingen geworden zijn. En ze stellen een telegram op aan het adres van den Minister-president dr. H. Colijn, hem verzoekende de steunuitkeering, na dit oproer, maar weer te verhoogen
Terwijl hoofd en hart van dr. Colijn vol zijn van allerlei, niet het minst met hetgeen de geest van „De Tribune" en andere bladen en pamfletten heeft vergiftigd en bedorven — waarvoor zelfs „Het Volk" en „De Voorwaarts" de menschen waarschuwt — komen een aantal predikanten van Amsterdam, niet, om de Regeering te steunen en de menschen te waarschuwen voor den geest uit den afgrond — maar ze komen om wat wij noemen, de Regeering in den rug te stooten en van achteren een Map te geven, ten aanschouwe van heel het Nederlandsche volk, niet het minst voor het oog van heel de Amsterdamsche bevolking.
Wat ondoordacht, ontactisch en onverantwoordelijk is zoo'n optreden. Het telegram spreekt van „gezien den nood, die in breede kringen wordt geleden, welke nood zoovelen tot verbittering heeft gebracht — wendt zich hierbij tot Uwe Hoogheid met het dringend verzoek de steunuitkeeringen, die dreigen beneden het bestaansminimum te komen, op hun vorig peil terug te brengen, ook al moet dit tot scherpere bezuinigingen en verzwaring der belastingen van de hoogere inkomens aanleiding geven — acht het heden zijn plicht IT zijne stem in dezen alsnog te doen hooren en met allen ernst bij U op voornoemden maatregel aan te dringen."
Had men ongelukkiger oogenblik voor den Burgemeester, voor de politie, voor de Regeering kunnen uitkiezen ?
En had men ongelukkiger weg en dwazer middel kunnen verzinnen dan een telegram te zenden ; een telegram met zoo'n inhoud en in zoo'n vorm ?
Wij vermoeden, dat minister Slotemaker de Bruine wel zal denken : van je vrienden en collega's moet je het maar hebben !
Het telegram was onderteekend door de volgende predikanten : P. J. Kromsigt, G. Oorthuys, A. G. H. van Hoogenhuyze, W. van Limburgh, L. C. W. Ekering, J. Laurense, W. A. Hoek, J. P. van Bruggen, M. J. A. de Vrijer, G. A. den Hertog, J. Kooy, B. Gijzel, A. A. Dönszelmann, J. C. Koningsberger, T. Kloosterman, S. F. H. J. Berkelbach van der Sprenkel, W. A. H. Nelck en P. Visser.
Wanneer deze heeren een manifest aan de burgerij hadden opgesteld en een conferentie met den Burgemeester en (of) een audiëntie bij minister Slotemaker de Bruine hadden aangevraagd, hadden ze een verstandige daad verricht.
Wat ze nu hebben gedaan, lijkt ons zoo ontactisch mogelijk !
Wij hopen, dat het nergens navolging zal vinden.
Zóó moet de Kerk zeer zeker niet optreden.
Zóó moeten de dominees zich niet met de politiek bemoeien.
De Regeering heeft recht op een ander optreden van de dienaren der Kerk.
En de Gemeente verwacht een andere houding van haar Voorgangers, waarvan er bovendien één nog geen veertien dagen in Amsterdam dominee is !

DE STUDIEKAS DER VRIJZ. HERVORMDEN.
Omdat wij óók een Studiefonds hebben, stellen we altijd belang in de berichten, die uit andere kerkelijke kringen aangaande zoo'n Studiekas openbaar worden. Dat is iets gewoon menschelijks. Men gaat dan onwillekeurig vergelijken en een gevoel van dankbaarheid komt in 't hart, als het bij ons beter gaat dan bij anderen. Niet om zich dan te verheugen in den tegenslag van een ander. Maar om des te meer te waardeeren, wat men zelf genieten mag. Genieten van de goedheid Gods, van de sympathie, de liefde, de hulp en de medewerking van vrienden en geestverwanten !
We lazen aangaande de Studiekas der Vrijzinnig Hervormden een bericht, ontleend aan het jaarverslag. Zonder commentaar nemen we dat nu hier over.
Het bericht luidt aldus (N. Rott. Ct., Maandag 9 Juli. Avondblad B) :
»De inkomsten der Studiekas verminderden in het afgeloopen jaar ; collecten, giften en jaarlijksche contributie liepen achteruit; ze bedroegen respectievelijk ƒ 1442.55, ƒ 1327.01 en ƒ 1637.20. Uit het fonds Race-Tak werd ƒ 400.— ontvangen, terwijl de kas een legaat, groot ƒ 500.—, ontving. In totaal bedroegen de inkomsten ƒ 6744.34.
Aan toelagen werd uitgegeven ƒ 8675.— ; 25 studenten in Leiden, 4 in Groningen, 4 in Utrecht en 6 gymnasiasten of studeerenden voor Staatsexamen werden gesteund. Er werden 13 candidaatsexamens afgelegd.
Door den toestand der geldmiddelen moesten alle nieuwe aanvragen, 10 in getal, afgewezen worden. Dit is de eerste maal in de 22 jaar, die de Studiekas werkt, dat om geldelijke redenen verzoeken om hulp moeten afgewezen worden.
Tot zóóver het bericht.
Nog eens, het is waarlijk niet om ons te verheugen over de tegenspoeden van anderen.
Maar hier past toch wel stille, oprechte, hartelijke dank aan den Heere en aan allen die ons zoo trouw geholpen hebben inzake het Studiefonds van den Gereformeerden Bond.
Want wat heeft onze Penningmeester niet telkens groote en heerlijke dingen te vertellen.
Om er klein onder te worden !

DAT IS NU HET MODERNISME.
In Rotterdam dwingt en dringt men van vrijzinnige zijde, om ds. Westmijse, voorganger van de Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden, beroepen te krijgen in de Hervormde Gemeente — vac. dr. Berkelbach van der Sprenkel. Zoowel de Kerkeraad als het Kiescollege liggen hier vlak tegen in, om des beginsels wille. Wel zou 't het beste middel zijn om de vrijzinnige beweging lam te slaan, indien men hun een predikant gaf. Dan was 't mooie er spoedig af. Het martelaar spelen was uit. En de belangstelling was weldra ten einde. Maar dat middel is natuurlijk door een rechtzinnigen Kerkeraad en een orthodox Kiescollege niet te gebruiken. Het beginsel verbiedt dat ten eenenmale.
Intusschen gaat men van vrijzinnige zijde voort de orthodoxie aan te vallen en te beschuldigen van alles wat leelijk is. Praatjes van 50 jaar geleden komen weer terug (gelijk b.v. óók In den strijd voor de Openbare School, als de éénige, echte Christelijke School van Nederland, waar men verdraagzaamheid leert en de kinderen in de ware religie worden onderwezen !). En het Is merkwaardig te zien, met welke wapenen gestreden wordt, om de orthodoxie af te breken en voor Jan Publiek verachtelijk te maken.
Zoo antwoordt Ingenieur J. de Jonge (we zetten den titel er maar bij, om te laten zien, dat men met een intellectueel man te doen heeft, die het weten kan !) aan het adres van ds. Rutgers, Herv. pred. te Rotterdam, dat de orthodoxie oud en verouderd is en hij weet er niets goeds van te vertellen, maar wel veel kwaads. En dat, waar Ir. J. de Jonge van huis uit orthodox, streng orthodox is opgevoed. Een renegaat dus (die doorgaans 't meest fel en onbekookt zijn !).
We laten hier volgen wat Ir. J. de Jonge, met volle toestemming van de Redactie van „Ons Kerkblad" (hoofdredacteur ds. Westmijse) schrijft (Juli '34) :|
Antwoord van Ir. de Jonge.
Ofschoon het eerst niet mijn bedoeling was in een theologische polemiek te treden met ds. Rutgers, meen ik toch verplicht te zijn, te antwoorden op zijn bovenstaand ingezonden schrijven.
Vooral mijn tirades (zie Juni-nummer van ons Kerkblad) over „doode orthodoxie en starre dogma's", „intellectueelen en arbeiders", „eeuwigen dood en verdoemenis", worden door hem aangevallen.
Meent hij werkelijk, dat hetgeen ik schreef, niet de volle, zuivere waarheid is en niet ver­dedigd zou kunnen worden ?
Door persoonlijke ervaringen heb ik maar al te zeer de waarheid daarvan ondervonden; Van huis uit ben ik streng orthodox en werd mij de dogmatiek met de paplepel ingegeven, zoodat ik ten slotte de drie formulieren van eenigheid evengoed kende als mijn schoolles. Later, als student, bij meerder onderzoek en ontwikkeling, voldeden mij die begrippen niet meer. Een tyran-God, die eerst bloed moest zien, voor Hij de zonden vergaf, bevredigde mij niet meer. Vooral de leer der prsedestinatie maakte mij geestelijk morsdood. Eerst het vrijzinnig christendom kon daar weer nieuw leven wekken. Velen uit mijn naaste omgeving is het evenzoo gegaan. Een bewijs, dat de intellectueelen de orthodoxe kerk den rug toekeeren. En de arbeiders ? Wenden zij zich in hun vertwijfeling tot de orthodoxe kerk ? Neen, veeleer worden ze een prooi van communisme en fascisme.
Van verstarde dogma's gesproken. De eerste christenen kenden God theïstisch, d. w. z. als alleen God, in wien zij de „liefde" zagen. Op het concilie van Nicaea (325) werd Jezus, de leeraar uit Galiléa, tot zoon van God vastgesteld, aan Hem gelijk en een met Hem in wezen. Later voegde Leo I (440—460) den Heiligen Geest daaraan toe, en was de driehoek compleet. De praedestinatie of voorbeschikking in supralapsarischen zin, werd door Calvijn (1536) vastgesteld. Een decretum horribile (uitverkoren ter eeuwige verdoemenis). Deze leeringen worden nog heden ten dage door de orthodoxe dominees eiken Zondag, als de eenige waarheid, van den kansel verkondigd. Ook door ds. Rutgers, en die durft dan te schrijven over iets, dat wat erg antiek, heelemaal niet modern aandoet. Commentaar is hier overbodig.
Ds. Rutgers schrijft over toenadering tot den tegenstander. Niet van onzen kant, doch van orthodoxe zijde weert men stelselmatig elke toenadering af. Sinds in 1867 het algemeen stemrecht voor verkiezing der kerkeraadsleden en predikanten werd ingevoerd is de positie der modernen onhoudbaar geworden. Godsdienstprediking in hun geest wordt hun geweigerd. Alle voorstellen onzerzijds, zelfs die tot kerspelvorming, zijn afgewezen. Nog wil men niet een modus vivendi aanvaarden, die het samenwonen van verschillende richtingen mogelijk zou maken, hoewel de synode zich reeds in beginsel daarvoor heeft verklaard. En hier in Rotterdam ? Onze vereeniging van vrijzinnig hervormden bestaat ruim 25 jaar. Steeds heeft de orthodoxe kerk haar doodgezwegen. Zelfs, toen den laatsten tijd tot driemaal toe door ons bestuur een poging werd gedaan, om in de vacature dr. Berkelbach v. d. Sprenkel onzen vrijzinnigen predikant ds. G. Westmijse te benoemen, werd niet eens geantwoord. En dat durft dan nog te schrijven over toenadering. Neen, ds. Rutgers, steekt eerst de hand in eigen boezem en ziet den balk in eigen oog voordat ge den splinter zoekt in dat Uws broeders. Zullen wij dan ook ooit hier in Rotterdam in de Ned. Herv. Gemeente iets bereiken, dan zal dat niet gaan met mooie praatjes maar helaas door middel van de verkiezingen. Daartoe hebben we ook onze vrijzinnig hervormde kiesvereeniging opgericht.
Ds. Rutgers, de zaak is niet hopeloos. De vrijzinnigen groeien en breiden zich uit en in 't eind zal aan ons de overwinning zijn, d.w.z. aan het recht en niet aan de macht, die indruischt tegen den geest van Christus.
Wij herhalen nog eens : dit geschrijf is met volle toestemming van de redactie van „Ons Kerkblad" (red. ds. Westmijse). Die heeft zulk een artikel niet geweigerd. Die laat dit toe, om alzóó de zaak van de modernen te verdedigen tegenover een orthodox Hervormd predikant van Rotterdam.
Dat is voor ons een bewijs, dat het Modernisme a la ds. Westmijse wel heel, héél ver wèg is. Waarbij, naar onze meening, absoluut geen brug geslagen kan worden.
Men heeft blijkbaar nog niets geleerd.
Men wil blijkbaar ook niet leeren.
Dat is nu het Modernisme, volgens het getuigenis van een intellectueel, van een man, die gestudeerd heeft en een titel draagt en als woordvoerder optreedt.
En dan zegt men soms nog, dat het Modernisme zoo veranderd en verbeterd is !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's