VERSPREIDE GEDACHTEN
I.
Onder dezen zeer algemeen gehouden titel hoop ik af en toe enkele onderwerpen aan te roeren, die op ziCh zelf genomen misschien niet altijd ten nauwste samenhangen, maar die in mijn voorstelling met elkander verbonden zijn, wijl zij van zoo groote beteekenis zijn voor de toekomstige ontwikkeling van de gereformeerde richting.
Mij van ganscher harte rekenende tot die richting, omdat de belijdenis onzer kerk, in welke zij wortelt, inzonderheid de belijdenis van de behoudenis uit genade alleen, mij dierbaar is, moet tt nochtans bekennen, dat zorg en bekommernis met betrekking tot haar toekomstige ontwikkeling mij vaak vervult.
Ten allen tijde zijn wij door de ethische richting voor een bekrompen secte aangezien; wij werden geacht zoo ongeveer een eeuw en meer achteraan te komen. In de practijk van het kerkelijk leven werden menigmaal de hatelijkste opmerkingen ons maar het hoofd geslingerd en voor niets vreesde men vaak meer dan voor de opkomst van de gereformeerde richting in een gemeente ; het scheen soms alsof de kerk voor altijd in den grond zou zijn geboord, als die richting aan het roer kwam. Onverklaarbaar was zulk een houding niet; zij openbaarde, dat er werkelijk van diepgaande verschillen sprake was.
Thans heeft .echter ook prof. Haitjema, de wetenschappelijke woordvoerder der confessioneelen, in een onlangs van zijn hand verschenen werk „De dichtingen in de Ned. Hervormde Kerk" als Zijn oordeel over de gereformeerde richting trachten aan te toonen, dat deze richting het sectetype vertoont. Natuurlijk geeft hij ook de gronden aan, waarop zijn oordeel rust en daardoor dringt deze beschuldiging ons des; te meer tot zelfonderzoek.
Het is niet mijn bedoeling dit oordeel van prof. Haitjema aan een nader onderzoek in deze artikelen te onderwerpen. Het Is mijn stellige overtuiging, dat in onze gereformeerde richting veel sterker religieuze krachten werken, dan hij vermoedt, en 'dat hij, op enkele uitingen afgaande, te zeer voorbij ziet dat daardoor de kern en de kracht van deze richting niet geheel is bloot gelegd.
Want het is een eigenaardigheid van de gereformeerde richting, in scherpe onderscheiding b.v. van de moderne richting, dat zij niet product is van enkele bekwame leiders, dat zij niet gecreëerd is door enkele theologen, die hun discipelen op de kerk afzonden, maar dat zij in bizondere mate wortelt in het volk en uit de levende gemeente opkomt. Na de doleantie is zij van haar bekwaamste voorgangers beroofd en indien zij niet wortelde in de levenskrachten, die de gemeente eigen zijn, zou zij al lang vergaan zijn.
Al kan zij toegewijde leidslieden niet missen en al behoeft zij voor een gezonde ontwikkeling bovenal wetenschappelijk gevormde voorgangers, zij bestaat nochtans onafhankelijk van hen en zal zich ook handhaven niettegenstaande het gemis aan zulke krachten. Hier ligt haar kracht en haar beteekenis.
Dit alles neemt echter niet weg dat van een gezonde, krachtige ontwikkeling na de doleantie geen sprake is geweest. Er werken onder ons tal van factoren, die zulk een ontwikkeling tegenhouden. En het kan niet ontkend worden, dat juist deze factoren ons telkens het sectetype trachten op te drukken.
Er gaat weinig kracht van ons uit en ternauwernood wordt met ons gerekend in de beslissingen van het kerkelijk leven. Dat komt, omdat wij een strijd in eigen boezem hebben te strijden, die onze kracht verteert. Een separatistische geest, die zich voordoet de echte vertegenwoordiger der gereformeerde belijdenis te zijn, maar in waarheid als een parasiet onze levenskrachten verteert, tracht ons telkens in een richting te drijven, die voor de verdere ontwikkeling van de gereformeerde richting de fataalste gevolgen moet hebben en op verloochening van de gereformeerde belijdenis uitloopt. Wanneer het hem gelukken mocht ons het sectetype blijvend op te drukken, zouden zij, die uit de belijdenis van het gereformeerd protestantisme waarlijk leven, het vaandel van de gereformeerde richting moeten verlaten. We gelooven echter, dat de kracht der belijdenis en de zin voor de schriftuurlijke lijnen nog te sterk onder ons werken, dan dat zulk een smadelijke ondergang voorloopig te wachten is. Alleen is onderwijs en 'voorlichting ten zeerste gewenscht en al hadden wij dit werk liever door een ander zien ter hand genomen, om der wille van het belang der zaak meenden en meenen wij in dit stuk niet te mogen zwijgen.
Het is de kerk eigen, uit liefde tot Gods eer en recht, om zich steeds te willen uitbreiden, om alle menschen en volken, alle levenskringen en levensgebieden te brengen tot onderwerping aan Christus. De secte daarentegen sluit zich steeds op binnen enge, bepaalde door menschen getrokken grenzen en veroordeelt wat daarbuiten valt. Evenals de joden uit Jezus' dagen zoekt de secte wel de bekeering van tal van heidenen, van velen, die buiten deze grenzen zich toevinden, maar zij moeten daarna zich bij de secte aanduiden en zich eveneens angstvallig binnen deze grenzen houden.
Het gevolg daarvan is, dat de kerk zich kenmerkt door een vurige liefde om te redden en te behouden, te redden wat verloren is, te behouden wat afgeweken is, dat de kerk weet te dragen en te verdragen en dat ook de strengste veroordeeling der zonde uit de liefde geboren is.
De secte daarentegen kenmerkt zich door een eigengerechtige zelfzucht, die haar smadelijk doet oordeelen en hooghartig doet verwerpen al wat buiten haar eigenwillig getrokken grenzen zich bevindt. Naakt tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij, is de leuze, die zij telkens aanheft. Ook zij beweert te ijveren voor de eere Gods, maar zij laat de eere Gods en het doel, dat zij zelf najaagt, zoozeer samenvallen, dat liefde en zelfzucht op gelijke lijn komen te liggen.
De kerk zoekt het wezen van de godsvrucht; daarom zoekt in de geschiedenis bij de wisseling en de verandering, die telkens op het terrein van staat en maatschappij en alom optreden, de kerk naar nieuwe levensvormen, die aan de vreeze Gods gelegenheid bieden zich in het aardsche leven te openbaren.
De secte daarentegen hecht zich aan een bepaalden vorm en vereenzelvigt dezen met de vreeze Gods. Daarom is zij conservatief in den slechten zin van het woord, veroordeelt onvoorwaardelijk wat van dezen vorm afwijkt en staat zij vijandig tegenover de cultuur, zoodat zij geen poging doet om op het terrein van de cultuur leiding te geven en deze te doorzuren met den geest van het evangelie, maar veeleer cultuur en Gode vijandige wereld vereenzelvigt, zoodat zij zich veilig en hooghartig terug kan trekken binnen haar eigen grenzen en haar eigen wereldje ongeveer 'gelijk kan stellen met het Koninkrijk Gods.
Wee daarom onzer, zoo wij als gereformeerde richting de deuren naar buiten toewerpen en ons angstvallig opsluiten in eigen kring, zoo wij niet meer beseffen, dat wij aan onze belijdenis verplicht zijn allen en alles op te roepen tot onderwerping aan het Woord des Heeren en er slechts op uit zijn een afgesloten en sterke groep te worden.
Wij kunnen en wij mogen niet anders doen dan opkomen voor de eere en de handhaving van onze in de Schrift wortelende belijdenis, maar zoo wij in hooghartigheid onze eigen richting vereenzelvigen met Gods Kerk en denken in hoogmoedigen waan, dat wij het alleen 'weten en dat we daarom smadelijk mogen oordeelen over al wat bulten onzen kring zich bevindt, zoo zuilen we onder het oordeel Gods vallen en der verdwazing worden prijs gegeven.
Wee onzer, als wij geen onderscheid meer kennen tusschen vorm en wezen en wij het leven Gods 'zouden willen vastleggen in een bedding, door menschen gegraven, Wij zouden ons zelf tot onvruchtbaarheid doemen, een uitstervende secte, van welke over eenige eeuwen alleen de historiekenner nog weet.
De zelfverloochening behoort tot de grondwet van Gods Koninkrijk. Wie daarentegen zijn leven behouden wil, zal het verliezen. Dat geldt niet alleen den enkelen persoon, dat geldt ook onze gereformeerde richting. Het gaat in den strijd, dien wij voeren, niet om onze eere, om de sterkte van de gereformeerde richting, niet om de overwinning van onze groep, maar het gaat enkel om de heerschappij van het Woord des Heeren. Indien wij dat verstaan, zullen wij in menig geval zelf weten terug te treden, zullen wij zelf op den achtergrond kunnen blijven, Indien het Woord maar zegeviere, ja, dan zullen wij ons oprecht verblijden, als het Woord des Heeren voortgang heeft, al is het onafhankelijk van ons en al blijkt het te werken ook buiten onzen kring.
O. a. d. IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's