De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

10 minuten leestijd

EENDRACHT, GEEN VERSPLINTERING.
In een tijd van groote benauwdheid, als waarin op dit oogenblik ons volk leeft, mocht verwacht worden, dat zij, die zich scharen rondom, de Gereformeerde Belijdenis, nauwer dan anders zich zouden aaneensluiten.
Helaas, het tegengestelde is het geval.
In plaats van eendracht en samenwerking openbaart zich broedertwist en versplintering.
De stokken Liefelijkheid en Samenbinders liggen verbroken.
Vooral op het Staatkundig erf neemt de verdeeldheid toe. Men verbijt en vereet elkander.
Het vergrootglas wordt gebruikt, opdat toch maar geen enkele fout of tekortkoming verborgen blijft.
Het wapen der verdachtmaking wordt druk gehanteerd. De verwijten, dat de beginselen worden verloochend en het recht Gods wordt vertreden, volgen elkander op.
Het twistvuur wordt met volle kracht aangeblazen.
Waarom, zoo vraagt men, worden geen voorstellen ingediend om de doodstraf in te voeren, de lijkverbranding af te schaffen, den stemplicht uit de-wetgeving te verwijderen, den leerplicht te schrappen, de Zondagswetgeving zoo te wijzigen, dat die dag geheiligd wordt en alle arbeid stil staat.
In een brochure, getiteld „Sursum Corda" („de harten omhoog"), die ons dezer dagen werd toegezonden, worden al deze beginselvraagstukken aan de orde gesteld. De schrijver der brochure, die onder de letters C. V. schuil gaat, zou zelfs wenschen, dat de Antirevolutionaire Kamerfractie om te beginnen een initiatiefvoorstel indiende tot wederinvoering van de doodstraf en verder dat een nieuwe Zondagswet - werd ingevoerd, daar de thans geldende Zondagswet verouderd is.
Eenvoudige zielen, die dit alles lezen, meenen, dat als de Regeering en met name dr. Colijn benevens de Antirevolutionaire Kamerfractie het maar zouden willen, al deze vraagstukken wel tot oplossing zouden zijn te brengen. Mannen, die vertrouwen genieten, hameren eiken dag op dit aambeeld, en deze zouden dit toch zeker niet doen, wanneer de oplossing niet mogelijk was.
Echter C. V. in de brochure „Sursum Corda" en al de wijze mannen, die hem napraten, weten, althans behooren te weten, dat wat zij vragen, niet te bereiken is.
Of dr. Colijn moest dictator zijn, zooals Mussolini in Italië of Hitler in Duitschland.
Maar dr. Colijn is nu eenmaal geen dictator.
In Nederland wordt volgens artikel 110 der Grondwet de wetgevende macht gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend.
En nu Is de Staten-Generaal, zoowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer, zoo samengesteld, dat er geen meerderheid in deze Colleges te vinden is, die bereid is hare medewerking te verleenen om al de principiëele vraagstukken of zelfs sommige of enkele daarvan, waarom het hier gaat, tot een bevredigend einde te brengen.
Men mag dit betreuren, het feit ligt er.
Nu is het intusschen jammer, dat zij, die den eisch aan de Regeering of aan eenige Kamerclub stellen, om de vraagstukken betreffende de doodstraf, de lijkverbranding, den stemplicht, den leerplicht, de Zondagswetgeving en zoo vele andere dergelijke vraagstukken meer tot oplossing te brengen, steeds verzuimen om aan te geven, hoe die oplossing naar hun inzicht mogelijk zou zijn.
Dit mag toch van ernstige mannen verwacht worden. Blijven zij hier in gebreke den weg der oplossing aan te geven, dan doen zij beter met te zwijgen.
De zaken zijn toch te ernstig om ze voor propagandamateriaal te gebruiken.
Hetzelfde geldt de moeilijkheden, die zich in dezen ontzettend ernstigen crisistijd voordoen op economisch terrein.
Men mag de Regeering niet verantwoordelijk stellen voor den zorgelijken toestand, waarin zich ons volk bevindt en van haar vorderen, dat zij de economische problemen oplost, alsof de wereldcrisis niet bestond.
Daarmede doet men de Regeering onrecht.
Wanneer men zelf met de leiding der zaken belast was, zou men niet anders kunnen handelen.
De maatregelen der Regeering kunnen de door de internationale toestanden veroorzaakte ernstige economische omstandigheden niet wegnemen. Deze maatregelen kunnen niet meer doen dan leniging brengen in den nood der bevolking en trachten, dat ons volk het noodige levensonderhoud ontvangt. Critiek op de crisismaatregelen is natuurlijk geoorloofd, maar dan moet die critiek den toets der behoorlijkheid kunnen doorstaan. Dan spreke men niet van goddelooze crisiswetten of van uitzuiging der bevolking.
Doet men dit toch, dan brengt men het volk, zonder dat men dit zelf wil, tot opstand.
Wij hebben dit alles eens breedvoerig willen zeggen om te doen uitkomen, hoe onbillijk zij handelen, die van de Regeering het onmogelijke eischen. Zij doen daarmede aan het landsbelang meer kwaad dan goed.
Zeker geeft het optreden der Regeering geen aanleiding tot het vormen van allerlei partijtjes. Dit leidt tot versplintering en voor het Gereformeerde volksdeel ten slotte tot afbraak van het Calvinistisch levensbeginsel.
Dat ons volk op dr. Colijn kan rekenen, heeft hij weer bij vernieuwing getoond door zijn optreden bij de behandeling van de Winkelsluitingswet.
Ook zijn houding tot handhaving van het gezag, de instelling, die God aan de Overheid heeft toebetrouwd, moet in het beleid van dr. Colijn vertrouwen wekken.
Daarom heeft heel het Gereformeerde volk als één man samen te gaan en op te trekken.
Eendracht maakt macht. Tweedracht breekt kracht.

HET CALVINISTISCH LEVENSBEGINSEL.
De partijen, die een Christelijke Staatkunde voorstaan, hebben over het algemeen niet te roemen over de waardeering der vrijzinnigheid ten opzichte van de beginselen, die zij belijden.
Meestal wordt op smalenden toon over het standpunt dezer partijen gesproken, bijzonderlijk wanneer de Antirevolutionairen den eisch doen hooren, dat op elk levensterrein met de beginselen van Gods Woord behoort te worden gerekend.
Naar het liberale recept is zulk een standpunt ouderwetsch, het staat bovendien den goeden gang van zaken in Staat en Maatschappij in den weg.
Hoogstens kan het Christelijk beginsel een plaats opeischen voor het gezin en voor de Kerk, doch voor het Staatkundig leven deugt het niet.
En wat voor het Christelijk beginsel geldt, is in nog veel sterker mate van toepassing voor het Calvinistische principe.
Daarom verdient het vermelding, als bij uitzondering een stem uit het vrijzinnige kamp een ander geluid doet hooren.
Zoo sprak onlangs in een vergadering van Jong liberalen te 's-Gravenhage de Vrijzinnig-Democratisch professor mr. Josephus Jitta tot groote verrassing van zijn gehoor deze merkwaardige woorden; dat de (basis der democratie gevonden wordt in het Calvinisme, zooals dit door Prins Willem werd verstaan.
Het is dan ook geen wonder, zeide de hoogleeraar, dat, nu in dezen tijd ieder om den sterken man roept, van alle kanten op de benoeming van dr. Colijn als minister-president is aangedrongen. In hem kan de man van de godsdienstige overtuiging niet worden gescheiden van den man van staatkundige overtuiging. De eerste straalt steeds in de tweede door. De Nederlandsche democratie is al gegrond in de republiek van de Vereenigde Nederlanden in het Calvinisme. Ze is Engeland een eeuw, Frankrijk twee eeuwen voor geweest. Artikel 1 van het Antirevolutionaire program geeft in letterlijken zin dit grondbeginsel der democratie aan. Het Calvinisme is basis der democratie.
De Calvinisten zeggen het zelf wat anders. Het Calvinisme grondslag en waarborg der volksvrijheden, van welke de Fransche revolutie slechts de caricatuur gaf. Het buigen voor het recht Gods is grondslag en waarborg voor de rechten van den mensch.
Professor Josephus Jitta geeft hier in tegenstelling van het getuigenis van tal van vrijzinnigen zijn groote waardeering voor de Calvinistische beginselen te kennen.
Een tweede geluid uit het vrijzinnige kamp is, dat wat De Telegraaf doet hooren over de vastheid van het Antirevolutionair beginsel.
De Antirevolutionaire Vrije Westfries schrijft daarover. „De Telegraaf" blijft het betreuren dat de godsdienst zich heeft vermengd met de politiek, maar — zegt het blad in een bespreking van Colijn's boek „Saevis tranquillus in undis" — „daar staat tegenover, dat deze A.-R. staatkunde uit den godsdienst een kracht put, die vooral in deze crisisdagen weldadig werkt."
Het vrijzinnige blad looft het, dat Calvinisten, in tegenstelling tot de Roomsch-Katholieken, den godsdienst niet tot een bron van compromissen hebben gemaakt.
„Het programma der Calvinisten past zich niet aan hun partijgangers aan, maar deze richten zich naar de stoere beginselen die hun worden gepredikt. Dit door-en-door conservatieve program kon alleen door middel van den godsdienst gedragen worden naar de woningen der kleine Iuiden, die in ruil voor de strenge beginselen, door hen aanvaard in ons staatsbeleid, een veel grooter rol spelen, dan waarop alleen hun numeriek aantal en hun materieele positie hun recht zou kunnen geven."
„Niet de dagen van voorspoed" — zoo luidt het ten slotte — „kunnen de toetssteen zijn der waarde van een program. Slechts de beginselen die men luide kan blijven verkondigen als de nood aan den man is, zijn geheel vrij van demagogie.*
Wat „De Telegraaf" schrijft is geen hulde aan zwakke en feilbare menschen — wij zeggen het de Vrije Westfries na, — het is een loffelijk 'testimonium voor de op Gods Woord gefundeerde Antirevolutionaire beginselen.
Zoo kunnen Vrijzinnigen, wanneer zij hun oogen wijd open zetten en wanneer zij niet bevangen zijn door het liberale dogma, nog wel eens een waardeerend woord zeggen over het Calvinistisch levensbeginsel.
Wij aanvaarden zulk een woord met dankbaarheid.

VERSTERKING DER WEERKRACHT.
Naar aanleiding van het adres, dat een aantal burgemeesters van Noord-Brabant en Limburg aan den Ministerraad zond en waarvan wij 14 dagen geleden melding maakten, schrijft het Friesch Dagblad in zijn nummer van 28 Juni :
»In het adres wordt ernstige bezorgdheid geuit over de vraag, of van de Nederlandsche weermacht, bij de thans reeds doorgevoerde en nog te vreezen bezuinigingen, bij een onverhoopt eventueel conflict wel een zoo groote en in het bijzonder preventieve kracht zal uitgaan, dat de neutraliteit van ons Vaderland zal worden ontzien en geen enkel deel van ons territoir zal worden geschonden. Zij wijzen er voorts op, dat het lang niet denkbeeldig gevaar, dat bij een treffen van tegen elkaar staande machten, het terrein van den strijd zal liggen op Brabantschen en Limburgschen bodem, alleen kan worden afgewend, wanneer onze weermacht zoodanig sterk is, dat van haar een krachtige preventieve werking uitgaat. Het is immers, gelijk bekend is, middellijk aan deze preventieve werking, welke uitging van de toenmaals door Minister Colijn georganiseerde weermacht, te danken geweest dat Nederland de verschrikkingen van den wereldoorlog zijn bespaard.
Ook het „Handelsblad", ofschoon het blad geen oorzaak ziet om „alarm" te slaan, geeft een hoofdartikel over „onze positie", in verband met de besprekingen aan het Britsche Ministerie van Oorlog, waarover wij gisteren schreven.en zooals die door de „Daily Telegraph" zijn gepubliceerd.
Van verschillende zijden wordt in den laatsten tijd de aandacht gevestigd op die positie der Nederlanden bij een eventueel conflict in West-Europa. Met name de zuidelijke provinciën, waar de muur van ijzer en staal, die Frankrijk — België en Duitschland scheidt, wordt afgebroken, zijn daarbij in het geding, voorzoover dat Frankrijk en België betreft, doch de Britsche bezorgdheid, laatstelijk gerezen tengevolge van de zich herstellende Duitsche luchtvloot, betrok ons ook bij de Engelsche verdedigingsplannen in de lucht.
Het „Handelsblad" is van oordeel, dat de houding van Nederland er slechts eene kan zijn overeenkomstig onze zelfstandiigheidspolitiek en de beginselen van den Volkenbond en van het Kellog-pact, nimmer een zoodanige, die zich tegen bepaalde mogendheden richt, of ons onder, voogdij, van wie dan ook, plaatst.
Goed en wel, maar deze zelfstandigheidspolitiek kan in woorden alléén niet bestaan, doch dient, zoo 't moet, doorgezet met al de krachtmaatregelen, welke noodig worden, om by een treffen van anderen, zijn neutraliteit te handhaven. Dat wij in 1914 daartoe in staat werden geacht, had de zoo gewenschte preventieve werking, waarvan de zuidelijke burgemeesters in hun adres spreken.
En het is onduldbaar, dat zulk een zelfstandigheidspolitiek zou worden verhinderd door het sentimenteel en onzinnig gepraat van oorlogschouwen, die, juist door de verwarring hunner denkbeelden, eerst den oorlog aantrekken en daarna de revolutie ontketenen.
Men meene niet, dat men zich deze dingen in Friesland niet behoeft aan te trekken. Ofschoon wij niet kunnen zeggen, hoe een eventueele oorlog (dien God moge verhoeden!) zich zal ontwikkelen, de grensbewaking in het zuiden was meerendeels de taak der Friezen en, had 1914 destijds een gewapende botsing gebracht, het Friesche bloed zou het eerst hebben gestroomd.
En wat zouden wij er van zeggen, indien onze mannen zulk een taak zouden moeten aanvaarden, zonder daartoe voldoende te zijn toegerust en afgericht, omdat, ja, omdat de politieke winste der ontwapenaars meebracht, tegen elke versterking onzer weerkracht te ageeren ?
Hoe wreed zouden ze van achter blijken : die ontwapenaars !
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's