De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

11 minuten leestijd

Genesis 6 : 7, 8. En de Heere zeide : Ik zal den mensch, dien Ik geschapen , heb, verdelgen van den aardbodem, van den mensch tot het vee, tot het kruipend gedierte en tot het gevogelte des hemels toe, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de oogen des Heeren.

3e Serie.
XVI.
De zedelijke toestand der oude wereld was dus van dien aard, dat alle verwachting op hare bekeering afgesneden was. De Heere doorgrondde de verzondigdheid van haar bestaan, peilde den bodemloozen afgrond, waarin zij verzonken was, zoodat er van redding geene sprake meer wezen kon. Zijne lankmoedigheid was over haar wel groot geweest, want zooals later Jeremia tot het Israël zijner dagen zeggen kon : „Ik heb tot u gezonden al mijne knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende, " zoo kon de Heere zulks ook van deze oude wereld getuigen, daar Hij niet had opgehouden met in haar midden het overblijfsel, dat naar de verkiezing was, te handhaven en de gemeente, die Zijnen Naam aanriep, in stand te houden. Zijn woord was tot haar voortdurend uitgegaan. Doch ook van deze gezondenen gold het: „maar zij zullen naar u niet hooren, gij zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden, want zij hadden hunnen nek verhard. Deze oude wereld nam de tucht niet aan, de waarheid ging onder, werd als uitgeroeid uit haar cultuur-leven. En zoo kwam ook het oogenblik van het vonnis Gods, dat aldus luidt: want de Heere heeft het geslacht Zijner verbolgenheid verworpen en verlaten. En dit vonnis werd voltrokken in het oordeel, dat over Jeruzalem gekomen is, zoodat de doode lichamen dezes volks het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zou zijn. Jeruzalem's ondergang teekent de profeet dan ook in schrille kleuren. En zoo was nu ook het lot der oude wereld. De Heere was wel lankmoedig over haar geweest, had aan haar gearbeid, had Zijne uitverkoren geloofshelden wel tot haar gezonden, maar zij had niet gewild. „Niet gewild", dat is het vreeselijkste in alle oordeelen, die de Heere over de zondaren voltrekt; dat is de angel, die de wroeging zoo bitter, zoo smartelijk maakt, wanneer het recht voltrokken wordt.
Ook voor de eerste wereld kwam nu het oogenblik, waarop haar oordeel onherroepelijk komen moest. Daarom wordt zij ons geteekend, zooals zij voor de vierschaar Gods stond, terwijl de Heere als berouw hebbend ons wordt voorgesteld, als die spijt had van Zijne scheppende daden, als die een diepgaand leed kende over de werken Zijner handen. En de eerste gemeente is daarvoor ontdekt geweest, heeft een inzicht gehad in het recht Gods, zooals zij een inzicht had in de diepe verdorvenheid, in de onbekeerlijkheid dier wereld, te midden waarvan zij leefde en verkeerde. Daaraan nu gaf zij uiting door te spreken van Gods berouw en van de smart, die Zijn hart doorvlijmde. Zij verstond iets van het groote leed der teleurgestelde liefde. En zoo werd zij diep ingeleid in de kennis van Gods deugdenbeeld en vertolkte zij het vonnis, dat zij als uit des Heeren eigen mond beluisterde. „En de Heere zeide : Ik zal den mensch, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem."
Door deze woorden: „En de Heere zeide, " wordt ons omschreven de openbarende daad, waardoor Hij aan Zijne kinderen bekend maakte het rechtsgeding, waarin de wereld zou worden betrokken. Het „zeggen" Gods is de term, waardoor ons wordt meegedeeld, wat de Heere uit de verborgenheid Zijns Raads naar voren brengt in het licht, opdat Zijne kinderen het zullen weten en verstaan. „De Heere zeide,  is dus de uitdrukking om ons te leeren kennen de doelbewuste werkzaamheid Gods. Hij openbaarde alzoo aan Zijne gemeente den toen nog verborgen Raad Zijns oordeels, waarvan de wereld niets begrijpen en ook dus niets weten kon. En dat is, nu juist het wondere, dat den verborgen omgang van Gods kinderen met den Heere hunnen God kenmerkt. De Heere openbaart Zich aan Zijn volk als geheel, maar Hij openbaart Zich ook aan Zijne kinderen afzonderlijk. De wereld en de menschen, die vreemdeling zijn in het leven van Gods volk, willen daarvan dikwijls niet weten, schudden ongeloovig het hoofd over hetgeen Gods bevestigd volk daarvan kan vertellen, als zij het hebben over hetgeen de Heere aan hunne ziel heeft gedaan. Maar aan de waarheid en de werkelijkheid daarvan doet dit niet af. De gansche Schrift is er vol van, is er zelve het bewijs van, dat de Heere tot Zijn volk spreekt door openbaring van Zijnen Raad hun te geven. En alzoo doet Hij nog, niet slechts wanneer Hij antwoordt op hunne smeeking, maar ook als Zijne beschermende hand zich uitstrekt over hen en Hij waarschuwt en vermaant. Dat beteekent dus niet, dat Hij bij de eens gegeven openbaring nog nieuwe openbaringen voegt, want in den Heere Jezus Christus heeft Hij Zijn gansche Woord tot ons gesproken, maar wel door uit Zijne volheid genade voor genade ons te bereiden en met hemelsch manna de zielen Zijner kinderen te voeden.
Doch hier is er sprake van eene ontdekking, die Hij aan Zijne gemeente heeft bereid door haar het licht te doen opgaan over Zijn goddelijk recht, dat weldra zou voltrokken worden. Zij mocht en moest vooraf verstaan, dat het oordeel komen zou en hoorde dus, dat tot haar gezegd werd van Godswege : „Ik zal den mensch, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem." Er wordt hier niet zonder bedoeling in herinnering gebracht, dat de mensch een schepsel Gods was. Zooals het Hem berouwde, dat Hij den mensch op de aarde gemaakt had, zoo zegt de Heere hier met bijzonderen nadruk van den mensch, „dien Ik geschapen heb." In die bijvoeging werd dus de eerste gemeente herinnerd aaa den hoogen, edelen oorsprong des menschen, opdat daardoor de gruwel zijner zonde des te meer zal in het licht worden gesteld. Zooaüs de ervaring onder menschen leert, dat een kind zijn vader en zijne moeder schande kan aandoen, omdat het een leven leidt, waarvoor zij zich zou­ den schamen, omdat zij andere, betere, edeler idealen hebben nagestreefd, zoo wordt ons hier voorgehouden, dat het „door God geschapen zijn" eene zedelijke roeping in zich sluit, waarvan wij ons niet dan tot onze diepe schande kunnen afmaken. De diepte der menschelijke zonde, het vreeselijke van den afval, wordt er door op den voorgrond gesteld. Die mensch, die door God geschapen was, zou nu verdelgd, vernietigd worden. In het aangekondigde oordeel wordt dus de geweldige tegenstelling openbaar tusschen wat de mensch was geworden en wie hij naar zijnen oorsprong en afkomst had moeten zijn. De Heere legt alzoo voor Zijne gemeente neer de roeping als schepsel, waarmede de mensch geroepen was, en de werkelijkheid zijner zonde, waarin hij vervallen was. Zoo wordt Zijn oordeel dus van meet af als een rechtvaardig oordeel geteekend. Tot het hoogste geroepen, is de mensch tot het laagste vervallen en daarom staat dan ook tegenover de scheppende daad, waaraan de Heere herinnert, de vernietigende, de verdelgende daad, die komen moest. De eerste gemeente werd dus reeds ontdekt voor de onoverbrugbare kloof, die den mensch scheidt van zijnen God, voor wat hij moet zijn en wat hij is, voor de tegenstelling tusschen de eeuwige heerlijkheid, die hem was voorgesteld, en den eeuwigen doem, die hem als vrucht zijner zonde wacht.
Was er in het voorgaande vers gezegd, dat Hij den mensch op de aarde gemaakt had, en daarmede in gedachtenis gebracht de cultuurtaak, die hij zou hebben te volbrengen in de vervulling en onderwerping der aarde, daartegenover luidt nu het vonnis, dat Hij den mensch zal verdelgen van den aardbodem. En in dit laatste woord wordt gewezen op zijn arbeid op den akker. Terwijl in het voorafgaande vers in het algemeen gesproken wordt van des menschen verschijning op de aarde als voortgebracht door de scheppende daad, wordt hier nadruk gelegd op zijn levenswerk in den akkerbouw, op de exploitatie van den aardbodem. En juist daardoor wordt het oordeel zooveel vreeselijker, daar het den mensch zal treffen midden in zijn werk, dat hem bieden zal hetgeen hij voor zijn leven en bestaan noodig heeft. Na de herinnering aan de schepping des menschen komt hier dus de heenwijzing naar wat de mensch door zijne cultuur was geworden. Te midden van de nastreving zijner levensidealen zal dus het vonnis aan hem worden voltrokken. In den grondtekst wordt daarom in het zesde vers een ander woord gebruikt, het-, zelfde woord, dat in Genesis 1 : 1 met aarde wordt overgezet, terwijl hier hetzelfde woord gebezigd wordt, dat in Genesis 2 : 7 wordt gebezigd, wanneer gezegd wordt, dat de Heere God den mensch geformeerd had uit het stof der aarde. Zoo worden wij er dus op gewezen, hoe vreeselijk Gods straffende gerechtigheid zou over hem komen, daar hij midden in zijnen arbeid zou getroffen worden. De verdelging zou hem overvallen, terwijl de mensch daaraan niet dacht.
Zoo heeft dus de eerste gemeente te midden van deze wereld, die tot ondergang zou worden gebracht, een diep inzicht gehad in het volstrekte verderf, dat over deze oude menschheid heerschappij voerde. Zij heeft in het licht van Gods HeUigen Geest die wereld leeren zien in hare cultureele ongerechtigheid. Zij was dus op eene bijzondere, op eene buitengewone wijze tot een zoo diep zedelijk verval gekomen, dat er geene verwachting op herstel, op terugkeer, meer kon worden gekoesterd.
En dat nu die eerste gemeente daarover een helder openbaringslicht heeft gehad, dat de menschen niet slechts gebukt gingen onder hunne individueele zonde, maar dat er van eene absolute verzondigdheid der gemeenschap, dus van een socialen zonde-toestand sprake is, dat blijkt daaruit, dat de mensch niet alleen in het oog wordt gevat, maar hij beschouwd wordt als het hoofd der schepping. Dit maakt zijne verantwoordelijkheid zwaarder, den last zijner zonde zooveel grooter, want nu strekt zich Gods oordeel veel verder uit dan die schuldige menschheid. De gansche schepselen-wereld, waarmede de mensch krachtens zijne levensroeping en levensbehoeften in zoo nauw verband staat, wordt nu ook met hem in het oordeel betrokken. Daarom blijft die oudste gemeente niet staan bij des menschen ondergang, maar ziet zij het vee, het kruipend gedierte, tot het gevogelte des hemels toe, ook vallen onder het oordeel, dat den mensch om zijne zedelijke verdorvenheid treffen zal. Van de visschen en van de zeedieren, „van het gewemel van levende zielen" in de wateren wordt niet gesproken, want het oordeel gaat slechts over hetgeen de Heere gemaakt heeft op den zesden scheppingsdag. Op dien zesden dag was de mensch met al wat onmiddellijk voor zijn leven en levenstaak noodig was voortgebracht. En daarom dit alles zal met hem tot ondergang worden gedoemd. Slechts eene uitzondering wordt gemaakt voor het gevogelte des hemels, dat tot de schepselen behoort, die op den vijfden dag zijn voortgebracht. Daarvan wordt dan ook gezegd : „en tot het gevogelte des hemels toe", opdat zal worden ingezien, dat het oordeel zich straks zal uitstrekken tot de uiterste grens in de wereld der schepselen. Geen schepsel zou gespaard worden, dat ook maar eenigszins met den mensch op deze aarde in onmiddellijk, sociaal levenscontact stond en vallen kon onder het naderend strafgericht.
Over den aard van dat gericht is ons tot nu toe nog niets meegedeeld. Tot nu toe toch, was er alleen sprake van de volstrekte verzondigdheid der oude wereld, van hare onbekeerlijkheid en hare verharding, van hetgeen zij was voor het oog des Heeren. En het wordt ons ook gezegd, dat de gemeente haar verderf zag in het licht van Gods onkreukbaar recht. Zij zag de oordeelen komen, het was haar klaar, dat deze wereld zoo niet meer zou kunnen bestaan, dat zij moest ondergaan. Zij zag den vloek opkomen, maar zij zag nog niet, waarin deze zou bestaan en hoe het oordeel zou worden voltrokken. En zoo is zij voor alle latere eeuwen ook daarin een voorbeeld. Gods Woord teekent het ons hier op wonder schoone en juiste wijze, hoe zij onder het licht van Gods Geest, waaruit en waardoor zij geestelijk leefde, profetische voorgevoelens kende, die haar wel getuigden van het vreeselijke, dat komen zou, al kon zij nog niet zeggen, op welke wijze het precies zou worden volbracht. Zoo heeft die oudste gemeente reeds een licht der openbaring genoten, waardoor zij als Asaph van de wereld, waarin zij leefde, zeide : „Ziet, deze zijn goddeloos, nochtans hebben zij rust in de wereld. Indien ik zou zeggen : Ik zal ook alzoo spreken, ziet, zoo zou ik trouweloos zijn." Zij moest dus blijven getuigen. En als zij dan inging in Gods heiligdom, werd het haar duidelijk, hoe Hij hen in verwoestingen vallen deed. Alzoo leefde er reeds in deze eerste gemeente het gevoel van onzekerheid, dat in haar ziel opkwam uit de zekerheid van Gods recht over de zonde der menschen. Is niet ook in onze dagen hetzelfde te speuren in de zielen der kinderen Gods ? En worden zij niet juist daardoor gedrongen den Heere aan te roepen opdat Hij in den toorn des ontfermens moge gedenken ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's