KERKELIJKE RONDSCHOUW
AANNEMING OF VERWERPING.
In Evangelisch Zondagsblad, Orgaan van de Evangelische Vereeniging, schrijft prof. dr. C. G. Wagenaar, pred. te Leeuwarden, het volgende artikel, waarin ons iets gezegd wordt over de houding van sommige Vrijzinnigen ten opzichte van het reorganisatie-ontwerp van „Kerkopbouw", dat nu op de Synodale tafel ligt. Prof. W. schrijft dan :
Door de vriendelijkheid van collega Smit Sibinga, Voorganger van de Vrijz. Hervormden te Groningen, die op de jongste Moderne Theologenvergadering te Amsterdam het Reorganisatieontwerp van Kerkopbouw besprak, was ik in de gelegenheid rustig te kunnen nalezen wat hij daar te berde heeft gebracht. Ik acht dat van zooveel belang dat ik mij veroorloof het slot hier letterlijk over te nemen en het ter overdenking en behartiging aan te bieden aan die het niet gehoord hebben. Ds. Smit Sibinga besloot dan zijn zeer welwillend betoog met de volgende woorden :
Bij aanneming (n.l. van 't ontwerp) wordt er gesproken en kunnen wij onzerzijds ongetwijfeld nog veel meespreken, wordt er gehandeld en kunnen wij ongetwijfeld in practisch werk nog veel meedoen. Practlsch werk zal verbinden, in ieder geval toenadering mogelijk maken.
Bij aanneming : fatsoenlijke leertucht met veel mogelijkheid van nieuwen geest.
Bij verwerping : reglementen veranderen zal ook dan het dagelijksch werk der Synode blijven, er zullen telkens weer amendementen komen. Bij verwerping staat ongetwijfeld een verscherping van den richtingstrijd te wachten en zal de toenadering veel moeilijker tot stand komen. De orthodoxie, ook de mildere, zal 'geprikkeld zijn. Kerkherstel zal natuurlijk van deze verscherping gebruik maken, ook wel de exponent daarvan kunnen zijn. Bij verwerping zal wegens de bovengenoemde verscherping voor onze vrijzinnige richting meer strijd komen. Dat zal óók leven brengen, maar tegelijk veel strijdgeest, en dat is niet het geschikte middel om een ander te leeren verstaan. Bij verwerping zullen de monden dicht gaan en men zal zwijgen of scheldend elkaar te lijf gaan met verbeten stemmingen, handigheidjes, misschien agitatorische debatten en meer dergelijke zaken, waar de wereld niet mee gebaat is en waar men de besten niet blijvend voor interesseeren kan. Onze richtingstrijd zal er door verloopen in louter gecollecteer en gebedel. Het leven zal andere dingen als veel belangrijker naar voren brengen. En één ding staat vast : God zal naar dat kleine, wantrouwige, hatelijke gedoe niet meer omzien. Hij is thans met groote dingen bezig in de wereld. Hij zal kinderen zoeken, die minder geven om het kijverige gelijk hebben, die meer geven om de liefde, en begrijpen, dat in onzen tijd en in onze kerk alleen helpen kan een door en door christelijke houding van geloof, vertrouwen en liefde, ook tegenover „andersdenkenden", zeker tegenover deze menschen van Kerkopbouw. Kortom, als wij Christenen zijn, kunnen wij niets wezenlijks en kostbaars verliezen, want dan is God met ons en wie zal dan tegen ons zijn ? Bij verwerping zullen wij alléén te strijden hebben met onze typische Vrijzinnig Hervormde moeilijkheden, als daar door iemand, die het overzien kan, zijn gesignaleerd : het interen van ons kerkvolk. Ik voeg er aan toe, dat wij dan ook alléén zullen te strijden hebben met dat nog grootere, veel dieper liggende gevaar : het interen van ons kerkbesef, dat reeds zoo mager is in onze vrijzinnige dogmatiek, voor zoover die er is. Bij verwerping zullen wij weldra tegenover een orthodoxie staan, die zeer veel zelfbewuster i^ dan 40 jaar geleden, die wetenschappelijk uiterst strijdbaar en slagvaardig is geworden en nog altijd en in toenemende mate de massa weet te grijpen. Bij verwerping zullen wij, omdat wij de persoonlijke leertucht van het Evangelie van Jezus Christus ontzeilden, waarschijnlijk op gevoeliger en bedroevender wijze met Jezus Christus te maken krijgen.
God doet groote dingen in dezen tijd. Hij laat de wereld worstelen om den waren Christus, die leeft!
Het is zeker te hopen, dat deze ernstige woorden in de kringen, waarvoor zij gesproken zijn, en daarbuiten, weerklank mogen wekken, opdat niet door onderlinge verdeeldheid van hen, die inzien, dat de nieuwe tijd een reorganisatie van de Kerk eischt, alles bij het oude blijft met het droevige gevolg, dat de Kerk steeds meer aan den kant geschoven wordt en haar vat op de groote schare verliest.
SPURGEON. (VII).
Dat Spurgeon, die op een gansch bijzondere wijze tot de schare sprak, het toch geenszins van uiterlijke welsprekendheid verwachtte, kunnen we gewaar worden uit een preek die hij 31 Augustus 1857 in de groote muziekzaal van „Surrey Gardens" hield. Wij leeren daaruit den geheelen Spurgeon kennen.
„Mijne Broeders" zoo sprak hij „het is mijne overtuiging, dat God over het algemeen het fraaie spreken en het kunstig opstellen van leerredenen en wat dies meer zij, versmaadt, ten einde te doen zien, dat de zegen niet komt tengevolge van menschelijke kracht, maar door Zijnen Geest. Ik zou op deze of gene Kerk kunnen wijzen en zeggen : Daar predikt een man, wiens stukken waard zijn door de meest ontwikkelden en beschaafden gelezen te worden, maar in wiens Kerk hedenmorgen wellicht honderd personen' bijeen zijn gekomen. Ik zou u op een ander kunnen wijzen, van wiens prediking ik zou kunnen zeggen, dat zij als redekundig voortbrengsel volstrekt onberispelijk is, maar zijne hoorders zijn schier allen ingesluimerd. Ik zou u op nog iemand anders kunnen wijzen, van wien ik zou kunnen zeggen, dat zijn taal hoogst eenvoudig en beschaafd is, dat er buitengewone schoonheid is in de rede, die hij uitspreekt, maar sedert vele jaren heeft men nooit gehoord van een enkele ziel, die door zijne prediking tot God werd bekeerd. Hoe komt dit ? Ik denk, omdat God zegt: Niet door kracht of geweld zal het geschieden, maar door Mijnen Geest. En ik wil ook zeggen, dat, telkenmale als het God behaagt een man te verwekken, die de wereld in beweging brengt of een werk van hervorming verricht. Hij daar altijd iemand voor kiest, wiens fouten en gebreken ieder in het oog vallen, zoodat wij verplicht zijn te zeggen : het is mij een wonder, dat die man dit doet; gewis het moet wel van God zyn, want uit zichzelven zou die man dat niet kunnen. Neen, er zijn menschen, die te groot zijn voor Gods plannen; hun stijl is al te voortreffelijk. Indien God hen zegende, dan zou de wereld (inzonderheid de letterkundige wereld) roepen : het is hun talent, dat God zegent.
Maar, van den anderen kant beschouwd. God neemt een ruw, ongepolijst man en schudt de wereld door hem ; en nu zeggen de menschen : wij zien niet hoe dit geschiedt, want gewis, de kracht schuilt niet in den mensch. De criticus vat de pen op, doopt haar in gal, geeft eene ontzettende beschrijving van het karakter des predikers ; deze leest die beschrijving en. zegt: „Het is volkomen waar en ik verheug er mij om, want als het niet waar ware geweest, zou God mij niet gebruikt hebben. Ik roem in mijn zwakheid, want de kracht van Christus woont in mij. Indien ik deze zwakheid niet had, dan zou niet zooveel tot stand zijn gebracht, maar juist die zwakheden hebben mij er voor behoed, dat de menschen zouden zeggen : Het was de mensch die het alles deed. Ik was soms gansch verrukt over sommigen mijner tegenstanders. Op alles, wat ik was en deed, hebben zij gesmaald — van mijn hoofdschedel af tot mijne voetzolen toe was ik een en al wonden en etterbuilen'; — elk woord, dat ik sprak, was plat en laag, iedere beweging mijner hand was bespottelijk, het geheel was afschuwelijk en godslasterlijk ; en ik heb gezegd : „wel, dat is heerlijk!" En terwijl sommigen zeiden : wij moeten onzen leeraar verdedigen, heb ik gedacht : Gij doet veel beter met hen te laten begaan, want gesteld, dat het waar is — en het meeste ervan is waar — dan komt God zooveel te meer de eer toe, want wie kan ontkennen, dat het werk gedaan wordt ? En hij is wel een groot en bekwaam werkman, die slechte gereedschappen kan gebruiken en toch een fraai stuk werk maakt. En indien de bekeering van honderden zielen, thans hier tegenwoordig, indien de soberheid van dronkaards, mannen, die van hun jeugd af vloekers, godslasteraars; dieven en vagebonden geweest zijn, geen heerlijk, groot resultaat is, dan weet ik niet wat het wèl is. En indien ik het onhandige, ruwe, onwaardige werktuig ben geweest, om dit tot stand t^ brengen, dan loof, ik God, want dan kunt gij niet aan mij de eere daarvan geven, maar dan moet gij Hem de eere geven, aan wien alle eer toekomt. Hij wil doen zien, dat het niet door kracht, noch door geweld, maar door Zijnen Geest zal geschieden, zegt de Heere der heirscharen."
Het was de lust zijns harten om Gode de eere te geven en Gode alléén, 't Ging om 's Heeren Naam en niet om wat de mensch is of doet. Dat blijkt zoo duidelijk uit een preek, die Spurgeon hield in „Exeter Hall" op Zondagavond, 27 Mei 1855. De preek liep over „De eeuwige naam" uit Psalm 72 : 17, Waar we lezen : „Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid."
Spurgeon sprak toen ongeveer aldus:
„Het behoeft niet opzettelijk gezegd te worden, dat deze naam, die tot in eeuwigheid zijn zal, de Naam is van den Heere Jezus Christus.
De menschen hebben dikwijls van hun groote en schoone werken gezegd : „zij zullen eeuwig zijn", maar hoe werden zij later teleurgesteld !
In den tijd, die op den Zondvloed volgde, namen de menschen baksteenen, zij verzamelden de klei, en toen zij den toren van Babel ermee gebouwd hebben, zeiden zij : „Deze zal eeuwig bestaan." Maar God verwarde hun spraak, en zij brachten het niet tot een einde. Hij vernielde het door Zijn bliksems en Uet het achter als een herinnering aan hun dwaasheid.
De oude Farao's en de Egyptenaren stapelden hun pyramiden op en zij zeiden : „Deze zullen eeuwig staan", en inderdaad zij staan nog ; maar het oogenblik komt, dat de tijd ook deze zal verwoesten. Zoo is het met al de trotsche werken van de menschen, met hun tempels, hun monarchieën ; zij hebben er het woord „eeuwig" op geschreven ; maar God heeft hun eind vastgesteld en zij zullen verdwijnen. Zelfs de dingen die rotsvast schenen te staan, zijn vergankelijk als een schaduw en als waterbellen, die uiteenspatten en verdwijnen. Waar is Ninevé en waar is BabyIon ? Waar zijn de steden van Perzië ? Waar zijn de hoogten van Edom ? Waar is Moab en waar zijn de prinsen van Ammon ? Waar zijn de tempels of de helden van Griekenland. Waar zijn de millioenen, die door de poorten van Thebe schreden ? Waar zijn Xerxes' legerscharen en de groote legers der Romeinsche Keizers ? Zijn zij niet allen heengegaan ? Al zeiden ze ook in hun trots : „Dit Koninkrijk zal eeuwig zijn ; deze stad zal de eeuwige genoemd worden" hun glans is uitgedoofd ; en zij, die alleen zat en zeide: „Ik zal geen weduwe zijn, maar een Koningin voor altijd, zij is gevallen, en binnen korten tijd zal zij zinken als een molensteen in de rivier, haar naam zal een woning van draken en uilen zijn. De mensch noemt zijn werken „eeuwig", God noemt ze tijdelijk; de mensch denkt, dat zij uit graniet zijn opgebouwd. God zegt: „Neen, uit zand, of, erger nog, uit wind." De mensch zegt, dat hij ze gebouwd heeft voor altijd. God laat Zijn adem waaien en zij zijn niet meer. Zij vallen uit elkander zooals een visioen verdwijnt.
Maar hoe heerlijk is het dan, te ontdekken, dat er één ding is, dat eeuwig zal zijn. Over dat ééne ding willen we van avond spreken, met Gods hulp : „Zijn Naam zal eeuwig zijn."
Spurgeon sprak toen eerst over de valsche religies, die vergaan en de religie, welke de Heere door Zijn Naam geheiligd heeft, welke bestaan zal tot in eeuwigheid. Het intellect is zoo'n valsche god, die z'n religie verbreidt onder duizenden en millioenen. Het weet zich telkens een ander gewaad aan te schaffen. Dan eens draagt het een narrenpak met bellen, om alles belachelijk te maken. Dan weer treedt het op als een blaffende bullebak, om alles te overdonderen. Dan weer heet het platvloersche aardgezindheid, om langs den grond te kruipen en zich te voeden met het stof. Dan weer zwaait het trotsch den scepter en schijnt alles te beheerschen, hoog en laag. Maar op alles mag worden geschreven: het gaat voorbij. Vergankelijk als een bloem, verdwijnend als een meteoor, ijl en voorbijgaand als een damp. Maar van de religie van Christus zal gezegd worden : „Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid". Er is niets dat het Christendom kan vervangen. Welke religie kan het overwinnen ? Geen enkele kan er mee worden vergeleken. Al loopen wij den aardbol rond van Engeland naar Japan, er kan geen godsdienst gevonden worden, die Gode zoo welbehaaglijk en voor de menschen zoo veilig is.
„De Bijbel, de gansche Bijbel, en niets dan de Bijbel" — dat is nog altijd de religie van de Protestanten; en precies dezelfde waarheid, die de lippen van Chrysostomus deed trillen, de oude leer, die het hart van Augustinus won, het oude geloof, dat Athanasius beleed, de goede oude leer, die Calvijn verkondigde, is nu ons Evangelie en, met Gods hulp, zullen wij er mee stand houden, totdat wij sterven. Hoe wilt gij het verbreken ? Als gij het wilt doen, waar vindt gij er de middelen voor ? Het staat niet in uw macht! Ha ! Ha ! wij lachen u uit."
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's