FINANCIËN
Bij een der onderwijsinrichtingen in onze goede stad besloot een der leeraren zijn laatste lesuur met de opmerking, dat hij vertrouwde, dat de leerlingen in de vacantie, die nu begon, hun best zouden doen alles, wat zij tot nu gehoord hadden, eens goed zich eigen te maken. M.a.w. span u nog eens terdege in.
De opmerking werd dadelijk gemaakt door een der aanwezigen, dat dit, letterlijk genomen, elkander tegensprak.
Ge moet n.l. weten, dat ons woord vacantie is afgeleid van een werkwoord, dat beteekent „ledig, vrij, onbezet zijn."
Ieder voelt dus onmiddellijk dat dit heel iets anders is, dan hier verwacht mag worden.
Ledig, vrij, onbezet zijn, en dan eens extra den rug er onder zetten, gaat niet op. Toch zal meer dan één van de lezers bij zichzelven deze opmerking hebben gemaakt: „dan heb ik tot nu nog weinig vacantie gehad."
Echt vacantie houden, lijkt me dan ook een heele kunst. Ik geloof, dat onze tijd hiermede nog niet zoo heel ver gevorderd is. 'k Zou zelfs de vraag willen stellen, of velen het zich in de vacantie niet vaak veel drukker maken dan in gewone tijden. Ja, zou het zelfs niet kunnen, dat velen echt eerst na de vacantie eens moesten uitrusten, voor zij weer met hun arbeid aanvingen ?
Niets doen, echt ledig zijn, geloof ik niet dat door velen begeerd en gezocht wordt. Men wil iets anders doen. De geest wordt door onafgebroken inspanning wel eens overspannen, zoodat het spreekwoord tot zijn recht komt: de boog kan niet altijd gespannen blijven.
Zoo bezien, zal niemand hierop eenige captie willen maken.
Een mensch is nu eenmaal geen machine. Wanneer de arbeid daarop begint te gelijken, lijden beiden daaronder, én het werk èn de persoon. Een geregelde onderbreking van den arbeid is van den Schepper Zelf dadelijk ingezet. Ook wij hebben dezen wenk opgevolgd. Een deel van onzen arbeid is op anderer schouders overgeladen. Een deel, want er blijft lichtelijk nog wel iets achter, dat moeilijk door anderen kan worden overgenomen. Wat wij hiermee bedoelen, met deze laatste oponerking, zal ik u zeggen. Als Penningmeester rust op ons de taak verschillende dingen te doen, die gelukkig maar één keer voorkomen in een jaar.
En dat is het schrijven van kwitanties.
Daarvoor is nu een deel van de vacantie aangewezen, 't Is mijn meest prettige arbeid niet. Als 't weer achter den rug is, stijgt een zucht van verlichting op. Voor een oningewijde lijkt dit vrij gemakkelijk, doch die er meer van af weet zegt met mij : ge kunt uw vacantie wel iets aangenamer doorbrengen, dan op deze wijze.
En toch moét het.
Nu is er een deel van dit werk, waarbij de bestuursleden van de Afdeelingen mij heerlijk de behulpzame hand gewoonlijk bieden. Zij dragen mij, met al mijn gebreken. Doch moeilijker wordt het, als de kwitanties per post worden verzonden. Dan moeten er z.g.n. borderels bij geschreven worden, liefst in tweevoud. En dan komt 't nogal eens voor, dat ik ze terug krijg — zonder geld natuurlijk — als afwezig, of iets dergelijks, zoodat mijn werk geen doel treft.
Ge voelt met me : dat is hoogst verdrietig. Dat is ieder jaar weer hetzelfde, zoodat ik blij ben als een kleine jongen, als dit deel van mijn werk voorbij is.
'k Ben het met mij zelf nog niet heelemaal eens, of ik ze nu dadelijk in deze maand nog zal verzenden, 't Lijkt me haast aangewezen, om te wachten tot na de vacantie.
Eén ding is er evenwel tegen.
Als dan het woord „vacantie" maar niet letterlijk in vervulling gaat, n.l. „ledig" is de beurs geworden.
Toch hoop ik, dat dit nog mee zal vallen. Over groote sommen disponeer ik niet. 't Kan met een enkele zilverling meest worden afgedaan.
Is dit één ding wat ik dezen keer heb op te merken, daar is nog een tweede.
De jonge menschen, die bij hun studie steun ontvangen, richten in deze dagen nogal eens een schrijven aan mijn adres met het verzoek, hun dag en uur te willen opgeven, waarop zij mij kunnen bezoeken, of dat ik antwoord zal geven op onderscheidene vragen, door hen gedaan.
Hierop ieder bericht te geven, valt mij niet gemakkelijk. Dan vrees ik, dat mijn vacantie al te vol zal worden geladen. Laten wij dit afspreken, dat ik van mijn kant mijn uiterste best zal doen om hen zoo goed mogelijk bij te staan. Straks krijgen zij, voor de vacantie ten einde loopt, wel tijding hoe en wat. Vergeet daarbij niet, dat een Penningmeester wel iets te zeggen heeft, maar een betrekkelijk ondergeschikte plaats Inneemt. Hij heeft n.l. uit te voeren wat het Bestuur besluit. Hierop kunt ge rekenen, dat met belangstelling, wat ge mij meldt, wordt nagegaan.
Hierbij zullen we het thans laten.
Mag ik thans een overzicht geven van wat in deze laatste dagen bij me inkwam ?
't Zijn de drukste tijden niet. 't Komt voor, dat de post mij weinig inkomsten meldt. Toch heb ik niet te klagen over gebrek aan meeleven.
Hiervoor mijn zeer vriendelijken dank.
In veertien dagen kreeg ik ook net veertien posten, "k Laat ze hierbij volgen :
1. Door ds. Van Dorp te 's-Hage kreeg ik van N. N ƒ 1.—
2. Het busje voor het Studie
fonds van onzen vriend J. van Klaveren te Leiden bracht dezen keer op , 13.75
3. Door ds. Van der Snoek te Veenendaal ontving ik van N. N „ 1.—
4. Van N. N. te M. kreeg ik me toegezonden , 1.50
5. Van den Penningmeester van de Afdeeling te Ede ontving ik „ 12.60
6. Van dien van de Afdeeling Middelburg gewerden me de contributiegelden ten bedrage van „ 24.75
7. Door ds. Koolhaas te Charlois kreeg ik van N.N. 1 gld. en van N.N. f 0.50 „ 1.50
8. De heer H. J. K. te Groningen zond me zijn contributie „ 1-—
9. Vanuit Bergambacht zond ds. Ewoldt me als nagift op de aldaar gehouden collecte 1-—
10. Door ds. Van der Graaf te Nijkerk van K. H 5.—
11. Het busje van onzen ijverigen verzamelaar C. Bardelmeijer te Zegveld bracht deze maand op „ 2.22
12. Uit de catechisatiebus van Weisrijp zond ds. Langhout mij .„ 8.—
Voor deze attentie zeg ik zeer vriendelijk dank.
13. De Vlaardingsche vrienden hebben de busjes, welke aldaar geplaatst zijn voor onze fondsen, weer eens geledigd. Mag ik eens verklappen, wat er in elk van deze zat ? Joh. van der Windt f 1.30 ; P. J. W. Maarleveld f 3.— ; Gez. Broek f 1.85 ; G. van Yperen f 1.70; C. J. van der Windt f 3.37'/2 ; J-de Goede f 4.621/2 ; A. Romein f 2.—; T. Westerhout f 2.51; P. Storm f 1.95; mej. P. Dijkshoorn f4.30; L. Ligthart f3.— ; J. In 't Veld f 10.90; verder van wed. v. d. Ster een gift van f 0.50.
Tezamen niet minder dan , 41.01
Is 't niet schitterend ? Het spreekwoord wordt ook hier weer bevestigd : vele kleintjes maken één groote. Wij danken de Vlaardingsche vrienden allervriendelijkst, voor wat zij zich aan moeite in dezen hebben getroost.
Wij houden ons ten zeerste aanbevolen.
14. Als sluitstuk nog een Paaschinzameling, en wel te Gouda. De vrienden aldaar hebben, gelijk ook elders pleegt te gebeuren, een collecte gehouden door bij de vrienden onder elkander aan te kloppen.
Hierdoor wordt een dubbel resultaat verkregen. Vooreerst worden er inkomsten verzameld. Dit is niet onbelangrijk vaak. Ik voor mij ben van gedachte, dat een collecte op deze manier veel meer opbrengt dan een collecte, zoo maar in de samenkomsten. Doch dit is het eenige resultaat niet, neen, de band onder elkander wordt zoo nauwer toegehaald, 't Bindt veel meer tezaam.
In Gouda Is men er dan ook op deze manier aan gaan staan. Een viertal namen werden me genoemd, die er zich voor hadden gegeven, Perdijk, G. Kraak, v. d. Zonne en J. V. d. Bart. Dezen zamelden in niet minder dan „ 62.95
Ik vind dit prachtig.
Wij danken allen, die hieraan hebben meegeholpen.
Gods zegen ruste op al den arbeid.
Opgeteld kom ik tot een eindsom van ƒ 177.28
Utrecht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's