MEDITATIE
Mijne duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene eener steile plaats, toon mij uwe gedaante, doe mij uwe stem hooren, want uwe stem is zoet en uw gedaante is liefelijk. Hooglied 2 : 14.
Het Hooglied geeft ons een blik in de levensverhouding tusschen den Bruidegom en de bruid, tusschen Christus en Zijn Kerk. Daarom wordt ons hier zoo duidelijk getoond de onwaardigheid der Kerke Gods en de deugden des Heeren, in Christus geopenbaard. Telkens moet Christus Zijn Kerk weer tot de orde roepen, omdat zij niet op haar plaats is. Maar Hij doet dit, gedreven door een niet af te meten zondaarsliefde. Ook ons tekstwoord bevat een liefelijke vermaning. Mijn duive, zoo spreekt Hij haar aan. Het is Zijn volk. Zij zijn Hem reeds in den eeuwigen vrederaad gegeven, toen Hij Zijn verzoenend offer aanbood aan den Vader. Hij heeft ze Verdiend in den tijd, toen Hij Zijn bloed heeft gestort. Hij heeft ze gewonnen, toen zij door de werking des Geestes werden ontrukt in beginsel aan den zonde-stam, waarop zij leefden sedert Adam's val.
Hij vergelijkt Zijn volk met een duif. Beeld der oprechtheid. Niet oprecht in zichzelf. Want arglistig is het hart, meer dan eenig ding, wie zal het kennen ? Oprecht gemaakt door den Heiligen Geest. Ik bekende, o Heer, aan U oprecht mijn zonden.
De duif, het beeld der reinheid. Gods volk krijgt een levendige behoefte aan de reinheid van Christus, juist omdat het in zichzelf niets dan onreinheid bespeurt. Door het ontdekkend licht leert het de zonden van het hart kennen.
Deze duif is nu in de steenrots. Hier is de steenrots niet het beeld van Christus, maar de plaats waar de duif is heengevlucht, meenende er rust te vinden. De Heere schenkt Zijn volk den snellen wiekslag des gebeds om tot Christus te vluchten. Maar nu zich verborgen in de steenrots. Christus roept haar. Toon Mij uw gedaante. En welke gedaante kan nu Gods volk vertoonen ? Zij mist alles, wat zij moest bezitten. Haar gedaante is zwart. Als de Heere de zonde ontdekt, kan een mensch alleen voor Hem verschijnen met een zwarte ziel. Met ledige handen, want alle zijn gerechtigheden zijn een wegwerpelijk kleed. Met een verdorven hart, want hij leert het nu verstaan, dat er in hem geen goed woont. Het is bang en toch zalig, als men zich ^oo aan Christus mag toonen. De goddelooze wereldling ontmoet, als hij voortleeft op den weg der zonde, straks Christus als de rechtvaardige Rechter. Een wat minder goddelooze gaat op zijn manier tot Christus met een lippenbelijdenis. De Farizeër vertoont zich met het sierlijk kleed der eigengerechtigheid. Het naam-en schijn-Christendom staat voor Christus met vele deugden. Maar als de Heere de ziel bewerkt, dan vertoont zij zich als een verlorene. Niets hebben wij meer overgehouden. Dood in zonde en in misdaden. En wie dit nu bij beleving kent en daardoor alle hoop is kwijtgeraakt, deze wordt geroepen. Toon mij uw gedaante. Al is het bevend, al is het als een die geen penning kan betalen, al is het als met een strop om den nek : kom tot Mij. En wie nu, levend in zulk een toestand, de stem van Christus hoort, die gaat. Niet omdat hij wil, maar omdat hij móet. Hoe hij er komt, weet hij niet, hij wordt er gebracht. Hij zinkt neer aan de voetbank van het kruis met de bede : „O God, wees mij genadig !"
Laat Mij uwe stem hooren.
Wat is die stem van den ontdekten zondaar ? Het is een klaagstem. Diepe smart leert hij kennen over zijn zonden ; hij kirt als een duif, als hij ziet dat zijn heele leven één keten van zonden is tegen een goeddoend en barmhartig God. Met zijn stem kermt hij over de grootheid van zijn kwaad. Hij roept weenend uit : zou er ook voor mij, voor mij nog een weg zijn ? Zulk een klank is veracht bij de wereld. Zij luistert liever naar den klank van de ijdele dansmuziek. De vrome wereld moet er ook niets van hebben, want zij wil een jubelend Christendom. En den eigengerechtige is het een walging, want deze stelt zich voor den Heere met de dankbare stem: „Heere, ik dank U, dat ik niet ben als de andere menschen." Ook in de stem openbaart zich het verschil tusschen den schijn-Christen en den waren Christen. De schijn-Christen gebruikt zijn stem om het in het openbaar uit te roepen, al is het misschien op een vrome manier, dat hij beter is dan de wereld. En de ware Christen leert het in de eenzaamheid voor God belijden : „Heere, ik ben een groot zondaar." Deze leert zich kennen als de grootste boosdoener, die ooit heeft geleefd.
En nu zegt Christus, dat die zwarte gedaante en die klagende stem Hem aangenaam zijn. Want zulk een mensch is nu het juiste voorwerp van Zijn liefde. Aan zulk een kan Hij Zijn genade kwijt. Wie als zulk een ontledigde Hem toevallen mag, ontvangt balsem voor alle zielewonden. Dan wijkt hun smart, dan worden de tranen van droefheid tranen van vreugde. Dan is er vreugdeolie voor treurigheid en het gewaad des lofs voor een benauwden geest. Dan zingen zij van 's Heeren wegen.
Welk een wonder van genade. Voor verloren menschen redding bij Christus. Een zee van goede werken kon niet één zonde verzoenen, maar één druppel van dat kostelijke bloed doet een zee van zonde, een oceaan van ongerechtigheid in een oogwenk verdrogen. Bij Hem is er plaats, voor wie met Efraïm op de heup klopt of met den tollenaar op de borst.
Uw stem is zoet, uw gedaante is liefelijk. De liefde Christi gaat uit naar zulk een in zichzelf verloren volk. Zulken zaligt Hij uit vrije genade. Zulken vervult Hij met Zijn liefde en doet Hij leven uit de gerechtigheid, door Hem verworven. Onder dit alles versmelt de ziel in aanbidding en verwondering, en nu is de liefde wederkeerig. Want als de ziel mag afzien van zichzelf en met het oog des geloofs mag opzien naar Christus, als dan door het geloof Zijn weldaden mogen toegeëigend worden, dan leert zij zingen : „Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk. Zulk een is mijn liefste, ja, zulk een is mijn vriend."
Lezer, hebt gij door genade kennis aan zulk een Christus ? Weet, dat door Hem de scheidingslijn wordt getrokken door de wereld, maar ook door de eeuwigheid. Wie Hem hier niet kennen leert, zal straks worden gezet aan Zijn linkerhand, waar de plaats zal zijn van al Zijn vijanden. Zich zóó aan Christus toonen, als het in onzen tekst werd beschreven, is geen zaak van verstand, maar van beleving. Het is daarom mogelijk, dat de domste arbeider het kent en de geleerdste theoloog er een vreemdeling van is. Nu is het nog de tijd voor de bede, dat de Heere ons geve Zijn ontdekkend licht. Dat de Zon der gerechtigheid ons bestrale, opdat wij onze zwartheid mogen zien. Zonder deze Godsdaad in het leven, zal niemand in Sion verschijnen.
Zalig de mensch, die een duive van Christus mag zijn. Zijn strijd is vaak zwaar, zijn moeilijkheden veel. Vaak trekken donkere wolken over zijn levensweg. Inzonderheid als zij in de steenrots is gevlucht en zichzelf wil redden. Maar in den tijd der minne verhoort de Heere zijn bede, als hij, omringd door veel donkerheid en veel strijd, uitroept met den dichter van den ouden dag :
Geef 't wild gediert', dat niets in 't woên ontziet, De ziele van Uw tortelduif niet over ; Laat, groote God, om een gehaten roover. Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet.
Molenaarsgraaf.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's