DE REFORMATIE
IN DE CLASSIS NEDER-VELUWE VAN 1592-1620
1)
De hier volgende beschrijving van de Reformatie is samengesteld uit het oudste Acta-of Notulenboek van de Classis Neder-Veluwe, welke Acta van 1592—1620 door mij zijn gecopiëerd en verschijnen zullen in „Gelre" 1935.
Wanneer dus straks na allerlei algemeene mededeelingen de dorpsgeschiedenissen aan de orde komen, maken deze geen aanspraak op volledigheid, doch zijn hoofdzakelijk een weergave van wat in het Acta-boek staat opgeteekend.
Onder Neder-Veluwe verstaan wij het Noordelijk stuk der Veluwe, loopende van Hattem tot Nijkerk; van Nijkerk over Voorthuizen tot Barneveld ; van Barneveld over Kootwijk tot Vaassen, en zoo wederom Noordwaarts tot Hattem. Sinds 1816 heet dit district de Classis Harderwijk.
Vóór 1592 waren er in de steden Harderwijk, Elburg, Nijkerk en Hattem reeds geordende gereformeerde predikanten, doch de dorpen waren nog bezet met pastoors, hoewel het ons bekend is, dat Jan Gerardus Verstege, in 1544 pastoor van Garderen, reeds de beginselen der Reformatie in Lutherschen geest was toegedaan.
De stoot om de Veluwe te reformeeren is uitgegaan van het Hof van Gelderland te Arnhem, waarin vanzelfsprekend de predikanten ook weer de hand gehad hebben. Dit Hof vaardigde 22 Februari 1583 een bevelschrift tot reformatie uit, doch moest dit wel intrekken door den val van Nijmegen, Zutfen en Deventer. Maar toen in 1591 deze steden weer aan Oranje kwamen, werd het placcaat vernieuwd, en op 8 Mei 1592 uitgevaardigd, met het gevolg dat ds. Johannes Fontanus van Arnhem in Juli 1592 de pastoors van Over-Veluwe examineerde te Arnhem, en die van Neder-Veluwe te Harderwijk.
De Veluwsche steden Harderwijk, Elburg en Hattem waren met hun predikanten en ouderlingen tegenwoordig. De Nijkerksche pastoor Everhardus Swaer was wel in de kerk, maar verscheen niet op de vergadering, daar het mogelijk als gewezen decaan zijn eer te na kwam om door een predikant geëxamineerd te worden. Voorts waren verschenen de pastoors van Putten, Brmelo, Nunspeet, Doornspijk, Heerde, Vaassen, Oene, Voorthuizen. De overigen waren met of zonder kennisgeving afwezig. Vorchten en Veessen waren vacant.
De eerste Acta van de Classis is destijds letterlijk in „De Waarheidsvriend" gepubliceerd, zoodat wij dit examen gevoegelijk kunnen overslaan.
Alleen herinneren wij er aan, dat de pastoors van Putten en Voorthuizen slechts ééne zitting hebben bijgewoond, waarna zij vertrokken zijn met de schriftelijke mededeeling dat zij Roomsch Katholiek wenschten te blijven. De pastoors van Heerde, Oene, Vaassen en Doornspijk hadden op enkele punten bedenkingen en kregen tijd van beraad, terwijl slechts twee pastoors, n.l. die van Ermelo en Nunspeet, zich geheel onderwierpen, en zich bij de gereformeerden aansloten, zij het dan ook te Ermelo in naam, wat ons later duidelijker zal blijken.
Er waren in den beginne ontzaglijke moeilijkheden te overwinnen, vóór en aleer een gemeente als zoodanig gereformeerd was en haar dienaar als geordend predikant ter vergadering verscheen. Uit hun aanwezigheid blijkt de groei van de Classis. Zoo zien 'we dan de steden als voortrekkers, waarbij zich achtereenvolgens de volgende dorpen voegen : In 1592 Ermelo en Nunspeet, tevens Oldebroek en Oosterwolde ; in 1594 Heerde, Doornspijk, Voorthuizen en Barneveld ; in 1595 Elspeet en Garderen; in 1598 Putten ; in 1599 Epe ; in 1600 Oene. De gemeente Kootwijk werd in 1595 door den predikant van Garderen bediend, doch kreeg in 1615 een eigen predikant; in 1610 Vaassen, en in 1612 Vorchten. De overige plaatsen, waaruit de Classis thans bestaat, zijn later gevormd, zooals Wezep, Ernst, Wapenveld, Nijkerkerveen en Hierden, of waren in den reformatie-tijd tientallen jaren vacant, als b.v. Veessen. Maar ook de pastoors, die toetraden, waren allen lang niet betrouwbaar. Groote ellende heeft men beleefd met die van Ermelo en Oosterwolde. Die van Vaassen hield de zaak zestien jaren sleepende. Die van Voorthuizen, Heerde en Elspeet zochten een andere plaats, maar die van Putten bleef jarenlang ijveren in de omgeving. Die van Epe beloofde mede te gaan, doch werd in 1598 verwijderd, maar omstreeks 1600 had de Reformatie vrijwel haar beslag gekregen. Maar ook vóór het examen van 1592 waren er al kettersche pastoors gesignaleerd, b.v. te Epe, en waren er reeds predikanten werkzaam geweest te Heerde in 1581, te Oene 1580, te Epe 1581.
De bijzonderheden worden straks bij de dorpen vermeld.
De eerste vergadering werd, zoo wij zagen, op last van het Hof van Arnhem uitgeschreven, doch de volgende belegde de Classis zelf. Een der aangewezen kerken schreef de vergadering uit, waarvan plaats en tijd op de vorige was bepaald. Daar koos men een voorzitter, een bijzitter en een scriba of secretaris, die de notulen schreef. Niet alle predikantsplaatsen waren vertegenwoordigd, dan alleen in buitengewone gevallen. Zoo b.v. had Harderwijk wel drie predikanten, doch gewoonlijk was er slechts één aanwezig. Men vergaderde in alle plaatsen, waar een kerkeraad was, daar deze in de eerste tachtig jaren nog lang niet overal was ingesteld. Omgekeerd waren ter vergadering allerlei predikanten die wel in een dorp woonden, doch nog geen gemeenten hadden, terwijl de pastoor in de pastorie woonde.
Waar een kerkeraad was, rustte de verplichting op een ouderling de vergadering met den predikant bij te wonen, op straffe van boete, te weten een „keysers gulden", en later een „pond Vlaemsch", is zes gulden.
Daar er wel eens spoed-eischende zaken zich voordeden, kwam de behoefte op om buitengewoon te vergaderen, hetgeen voor het eerst in 1596 geschiedde, en waarover in 1600 bepalingen werden vastgelegd. De Classis vergaderde meermalen des jaars, men noemde dit de Paasch-, St. Jans-en najaars-classis. Telkens werd op de vergadering het Correspondentie-adres aangewezen.
Ook hield men contact met de naburige classes, waarvan men afgevaardigden ontving en waarheen men afgevaardigden zond en noemde dit „de lofflicke correspondentie." Deze loflijke correspondentie werd in den eersten tijd door zwervende Spaansche troepen nog al eens bemoeilijkt, waardoor het afdoen van zaken dikwijls lang werd vertraagd.
Op elke vergadering werden de Acta der vorige vergadering voorgelezen, Alsmede die der naburige classis, terwijl de aanwezige broeders geregeld vermaand werden om te zorgen dat zij de Acta van de Haagsche Synode van 1586 in hun bezit moesten hebben, door ze in hun boek over te schrijven, ten einde met de grondstellingen van het kerkrecht op de hoogte te komen.
Daar elke vergadering een andere scriba heeft, is het handschrift zeer uiteenloopend. Af en toe is de taal ook nog half Dultsch. Dit duurt tot omstreeks 1640, waarna de Staten-vertaling geducht haar invloed ten goede gelden doet.
Een jaar na het examen van de pastoors besloot men de pastoors niet meer op te roepen, doc. vroeg men advies aan het Hof hoe met hen te handelen. (Wordt vervolgd).
Vaassen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's