’T GOEDE ZIEN EN EEN VRINDELIJK WOORD VAN WAARDEERING
„Kleine Dien was een handig kind. Beredderig van aard, kon ze moeder al aardig helpen in het groote huishouden. Daar had ze plezier in en niet zelden verraste ze moeder, door werkjes te doen, die moeder haar nu juist niet had opgedragen. Jammer, dat moeder erg bezet was. Die merkte daardoor niet altijd de kleine vriendelijkheden op. Voor het kleine, ijverige huishoudstertje was dat een groote teleurstelling; vooral, wanneer moeder dan ook nog standjes gaf over het gewone werk, dat ze te verrichten had.
Op een morgen was Dien stilletjes vroeg opgestaan. Ze wou moeder weer verrassen. Ze had gisteren wel gezien, dat moeder met de wasch een drukken dag zou hebben, en nu zou zij al wat vooruit werken. Eerst de schoenen gauw gepoetst ; nu, dat kon ze wel, en dan nog gauw de kamer geveegd en gestoft, voordat moeder uit het schuurtje kwam. 't Lukte, maar bij 't neerzetten van de bloempotten brak ze één van de schoteltjes en werd één van de doekjes, die er onder lagen, vuil.
Daar kwam moeder. „Die schoenen zijn niet mooi gepoetst! Hoe vaak moet ik je zeggen, dat die schoensmeer er niet zoo dik op moet! t Is schande, zooveel schoensmeer wij tegenwoordig noodig hebben ! En welk schoteltje heb je daar weer gebroken ? 't Is toch wat te zeggen. En kijk dat kleedje nu eens ! Breng maar gauw in de wasch. Op zoo'n manier kan ik wel den ganschen dag aan den gang blijven."
Later, toen moeder zag, dat haar kleine meisje de kamer al heelemaal netjes gedaan had, werd ze wel een beetje zachter gestemd, maar ze was nu eenmaal in een bromstemming en daar kon ze zich dan gewoonlijk niet zoo gauw aan ontworstelen. En voor Dien was het natuurlijk een morgen van jammerlijke ontmoediging.
Dat had ze nou van haar vroege opstaan ; 't was nog al aardig, op die manier moeder te verrassen, je kreeg nog standjes op den koop toe !
We zijn het er dadelijk over eens : deze moeder maakte een groote fout: ze zag het goede in het werk van haar kind heelemaal over 't hoofd en had geen vriendelijk woord van waardeering voor haar meisje, dat zoo haar best had gedaan ; ze zag in haar minder prettige stemming alleen het verkeerde en bromde slechts. En dat zijn de oogenblikken, die wij allen kennen bij onzen arbeid. Dan „blusschen wij den geest uit" bij onze kinderen.
't Is zeer te hopen, dat moeder in den loop van den dag nog eens even op het gebeurde van den morgen terugkomt, en dan niet, om nog eens te te klagen over veel schoensmeer, een gebroken schoteltje en een vuil kleedje, maar om Dien te laten merken, hoe mooi ze 't vond, dat ze haar geholpen had, hoe lief het was van haar kind om wat vroeger op te staan, zoodat moeder nu zooveel eerder klaar was op den drukken waschdag.
We mogen in zulke gevallen ons steeds herinneren, wat de opvoeder-dichter Beets in een van zijn verzen zegt:
Het oog, dat scherp, maar zuiver ziet, Zal bij het kwade, dat geschiedt, 't Aanwezig goede aanschouwen.
Dat is groote kunst, die aan opgewekte, zonnige karakters gemakkelijk gelukt, maar waarmee sombere, wat meer zwaarmoedig aangelegde opvoeders groote moeite hebben.
Voor bovengeschetst moedertje moet ik nog even verzachtende omstandigheden pleiten. Ze had het erg druk en ieder weet wel, dat we in spannende oogenblikken niet veel kunnen hebben. Daar komt bij, kinderen moeten zuinigheid leeren (niet te veel schoensmeer), ze kunnen lomp en onhandig zijn (schoteltje stuk, kleedje vuil). Ze kunnen dan wel billijken, dat ze daarop attent worden gemaakt. Ze hebben het zichzelf misschien óok al gezegd. Maar daarnaast voelen ze toch, dat ze recht hebben op een beetje waardeering. O, laten we toch goed inzien, welk een heerlijk, innig hart daaruit spreekt, dat een kind vroeg opstaat, om moeder te helpen. Daar schuilt een wereld van belofte in voor de toekomst. Dat is een geest van liefde en zelfopoffering, die zich onder goede leiding ontwikkelt tot een karakter van onbaatzuchtigheid en naastenliefde, waar Gods engelen zich over verblijden en waar de wereld rijker en mooier van wordt.
Wanneer de Heere ons zulke kinderharten toevertrouwt, past ons de grootste omzichtigheid, om niet te doen versterven, wat in het leven gehouden en gevoed moet worden. Daar moet ons oog dagelijks voor open zijn. Er zit in de wereld van het jonge volk rondom ons zooveel goeds. Ze spannen zich meermalen zoo echt voor ons in en dan komt niet zelden ons woord dat alles afkeuren en neerhalen, terwijl we zelfs niet de minste moeite doen om het „aanwezig goede" te vinden en te waardeeren. We merken toch allen wel, hoe gelukkig de kinderen zijn, als~ ze wat voor ons mogen doen, in huis of op school, al gaat het bijna boven hun krachten. Ze spannen zich in en een enkel hartelijk woord is hun waardeering genoeg.
't Spreekt vanzelf, ook in het leven van onze kinderen komt genoeg verkeerds voor. Zeker, ze kunnen danig koppig zijn en ongehoorzaam. Menigeen kan er niet veel van gedaan krijgen. Dat mag niet worden verontschuldigd of weggeredeneerd ! Maar daar staat tegenover, dat in onze kinderen door de werking van de algemeene en van de bijzondere genade Gods ook zooveel goeds aanwezig is, dat we moeten leeren danken. Niets is gevaarlijker, dan dat hun goede voornemens den strijd opgeven tegen ons gemis aaa waardeering. Hun kinderlijke pogingen moeten we waardeeren, ook al slagen ze niet volkomen, ook al houden ze er ongelukken en maken ze er fouten bij. Het is de kunst der liefde, overal het „aanwezig goede" te zien. Van een vriendelijk woord worden wij niet armer en het kan onze kinderen een verkwikking zijn.
(Gezinsleven, blz. 21).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's