GEESTELIJK OPBOUW
DE ZONDE TEGEN DEN HEILIGEN GEEST.
Benige jaren geleden maakte ik op huisbezoek kennis met een man, die vreeselijk geplaagd bleek te worden door de vraag of er voor hem nog wel vergeving bij God te vinden zou zijn. Laat mij het aanstonds mogen bekennen, dat ik heel blij was zoo iemand te ontmoeten. Daar zijn er in onzen dag toch maar al te veel, die op lichtvaardige wijze zichzelf de zonden vergeven hebben en rustig hun gang gaan.
Het ligt voor de hand, dat ik dien man wees op het evangelie Gods, dat den boetvaardige vergeving van alle zonde predikt, kwijtschelding van eIke schuld. En dat er dus voor hem geen enkele reden kon zijn om te wanhopen. Het scheen echter wel, dat ik voor een doove sprak. Ten slotte vroeg ik hem : „Gelooft gij dan niet, dat er bij God genade Is ook voor den diepstgezonken zondaar ? Waarom zou er voor u dan geen uitkomst zijn ? God heeft toch geen lust in onzen dood ? " En toen kwam het er eindelijk bij hem uit: „Ja maar, ik ben zoo bang mij schuldig gemaakt te hebben aan de zonde tegen den Heiligen Geest, waarvoor toch naar Jezus' eigen woord geen vergiffenis is.
Toen ik hem daarop verzocht mij eens te willen vertellen waarin die zonde dan bestond, wist hij al heel weinig te zeggen. Maar dat weinige was genoeg om mij bij vernieuwing te overtuigen, dat gebrek aan kennis van Gods geopenbaarde waarheid ten deze ontzaglijk veel kwaad sticht. Wat onder de zonde tegen den Heiligen Geest moet worden verstaan, wist hij eigenlijk niet en toch verkeerde hij in den waan dat onvergeeflijk kwaad te hebben bedreven
Nu meene niemand, dat dit geval op zichzelf staat. Er zijn er waarschijnlijk veel meer dan wij denken, die de één hierom, de ander daarom zich pijnigen en afmartelen met de schrikkelijke gedachte, dat zij over de grens van het vergeeflijke heen gezondigd hebben.
In de krankzinnigengestichten zitten de menschen die, door dezen nood gevangen, gekrenkt in hun denken en verwrongen in het leven huns harten klagen: „voor mij is er geen hoop meer, voor mij is er geen genade meer, want ik heb tegen den Heiligen Geest gezondigd".
Daarom is het de moeite wel waard bij deze dingen stil te staan en te onderzoeken wat de aard en het karakter van die zonde toch is.
Telkens tobben er menschen mee en treft ge ze aan, die zichzelf er zoo diep mee in de wanhoop werken, dat zij vertwijfelen aan alles. Geestelijke onkunde speelt hier een voorname rol. Want Mijn volk, zegt de Heere, is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is. (Hosea 4:6). Ook moet Mer genoemd worden : verkeerde leiding bij de opvoeding, deprimeerende invloeden van het milieu, waarin men opgroeide, terwijl heel vaak ook stoornissen in het zenuwleven mede oorzaak zijn. Dat, gelijk sommigen beweren, de Booze daarvan gebruik maakt, zou ik niet durven tegenspreken. Wat grijpt hij niet aan om den mensch van God af te houden en hem zoo te doen wegzinken in de kolken van twijfel en wanhoop ! Misbruikt hij zelfs het heilig Woord des Heeren niet om óf door verkeerde toepassing van op zichzelf onbetwistbare waarheden óf door getuigenissen des Heeren te plaatsen in gansch ander licht, de zielen te verderven ?
Zoo is er met betrekking tot de zaak, die ons bezig houdt, vooral één woord, dat zoo vaak door hem wordt aangewend als een vurige pijl, om bedrukten van hart tot radeloosheid te drijven. Ik bedoel de uitspraak des Heeren over de onvergeeflijke zonde. (Marcus 3:31).
Menigeen is door dat woord van Christus in de grootste benauwdheid gekomen. Christus zegt daar : „Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der menschen zullen vergeven worden en allerlei lasteringen, waarmee zij zullen gelasterd hebben. Maar zoo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels."
Om den zin van dat woord goed te verstaan, moeten wij vanzelfsprekend allereerst letten op het verband; waarin het voorkomt. De Heere Jezus had een wonder verricht, een lieflijk wonder. Er was een bezetene, die tevens blind en stom was. Een vreeselijk geval dus, een recht hopeloos geval. Die arme man werd tot Jezus gebracht. En Jezus toonde zich de groote Ontfermer. Hij genas dien ongelukkigen tobberd volkomen. De scharen werden door dit machtige teeken van Jezus' goddelijke heerlijkheid zóó verbaasd en ontzet, dat ze uitriepen : Is Deze niet de Zoon van David ? Het begon tot hen door te dringen, dat Jezus inderdaad de beloofde Messias was, en velen verheugden zich erover met groote blijdschap, dat de macht van Zijn Geest grooter was dan die van den vorst der duisternis.
Dat konden echter de Phariseën en Schriftgeleerden niet uitstaan. Dat was voor hen te veel. Ze wisten, dat het waar was wat de scharen zeiden. Ze waren in hun hart en geweten overtuigd. Evenwel wilden zij het niet erkennen. Dan moesten zij immers van hun, troon af en voor Christus zich buigen. En dat wilden zij niet. Daar stonden zij nu voor het volk, dat door zulke machtige teekenen verblijd werd. En de vraag kwam, uit de menigte tot hen: „Hoe verklaart gij dan die kennelijke wonderen ? " Wat deden zij toen ? Vielen zij in aanbidding Jezus te voet ? Juist het tegendeel. Ze moesten zich gewonnen geven, doch zij wilden niet bukken. Het gevoel hunner machteloosheid prikkelde temeer tot hardnekkig verzet. Hun haat stijgt ten top en daar lasteren zij goddeloos, dat Jezus niet slechts de duivelen uitwierp door den duivel en dus een helletrawant was, maar ook zelf van den duivel was bezeten. Uit pure haat kwam die beschuldiging voort. De Heiland laat die beschuldiging echter niet onbeantwoord. Vernietigend voor Zijn beschuldigers toont Hij aan, hoe dwaas en ongerijmd hun beweren is.
Hoe kon de satan den satan uitwerpen ? Indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zoo kan dat koninkrijk immers niet bestaan. Indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zoo kan dat huis immers niet bestaan. En indien de satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, zoo kan hij immers niet bestaan, maar heeft een einde.
Zulk een beschuldiging is dan ook niet anders dan de ongerijmdheid zelve
Satan werpt zichzelf niet uit, maar de uitwerping van satan is een voldingend bewijs, dat het Koninkrijk Gods tot hen gekomen is.
Zij wisten het heel goed dat wat Jezus deed, niet het werk van de duistere machten kon zijn. En als zij dit dan toch lasterden met boos opzet, dan lasterden zij den Geest Gods, den Heiligen Geest. Want door den Geest Gods dreef de Heere de duivelen uit. En die Geest was een Geest der genade.
Dat zij den Heere Jezus nog niet dadelijk ten volle erkenden als den van God gezonden Messias en van Hem allerlei leelijke dingen zeiden, dat kon nog vergeven worden. Maar hier was toch kennelijk de Geest Gods aan het werk, de Geest der genade en der barmhartigheid. Dit opzettelijk tegen beter weten in als duivelswerk te kwalificeeren, deed Jezus dat snijdend-ernstige woord uitspreken : Zoo iets is onvergeeflijk.
Wat bewoog Jezus het zoo sterk te zeggen ? Niet anders dan liefde tot de Zijnen, tot degenen, die door zulk een houding van hun leidslieden, waartegen zij immers vol eerbied opzagen, zoo licht in verwarring konden worden gebracht en verhinderd Hem te volgen.
In het midden nu gelaten, of de Phariseën op dat moment de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven of er groot gevaar toe liepen, in elk geval wordt uit het verband wel duidelijk, dat die zonde een heel bijzonder karakter draagt. Wij moeten haar niet op één lijn stellen met ongeloof, ook niet met het bedroeven van den Heiligen Geest. Evenmin mogen wij haar, gelijk zoo vaak geschiedt, vereenzelvigen met het zondigen tegen beter weten in. Dan zou er immers nooit iemand zalig kunnen worden. Want wie heeft zich daaraan nooit schuldig gemaakt ? Een David, een Petrus zijn onder meer de duidelijkste bewijzen, dat er voor moedwillig bedreven zonden, trots waarschuwing begaan, vergeving is, volkomen vergeving uit loutere genade.
De zonde of beter gezegd de lastering tegen den Heiligen Geest is van geheel anderen aard. Ze is er niet zoo maar. Er gaat heel wat aan vooraf. Ze onderstelt altoos eenerzijds een klare openbaring van Gods genade in Christus, en anderzijds zulk een verlichting des Heiligen Geestes van het verstand en geweten, dat de mensch de waarheid dier openbaring niet loochenen kan. En dat men dan toch uit welbewusten haat de waarheid, waarvan men innerlijk overtuigd is, voor leugen verklaart, het licht, dat men klaar en duidelijk ziet schijnen, duisternis noemt, het werk Gods voor duivelswerk uitmaakt en Christus met satan gelijk stelt.
Maar hoe is het mogelijk, zoo wordt allicht gevraagd, dat een mensch zoó diep kan zinken ? Men kan zich nog wel voorstellen, dat iemand uit onkunde de waarheid bestrijdt of in drift Gods Naam lastert. Doch dat men er toe komen kan uit gewilde vijandschap het licht van Gods heerlijkheid, dat men heeft zien lichten, te verkeeren in duisternis, zie dat is voor menigeen iets onbegrijpelijks.
Als wij echter iets hebben leeren verstaan van de boosheid onzes harten, dan achten wij onszelf voor die ijselijkste aller zonden niet te goed.
Laat ons echter bedenken, dat niemand op eenmaal tot die zonde komt. Zij is vrucht van een proces der verharding, waarbij er ten laatste geen spoor meer te ontdekken valt van eenige schaamte of berouw.
Daarom wordt die zonde ook onvergeeflijk; genoemd. Natuurlijk niet, omdat de genade Gods te klein zou zijn en het bloed van Christus te kort zou schieten : maar wie tot dit alleruiterste versmaden van Gods liefde kwam, die heeft zijn geweten toegeschroeid als met een brandijzer. Zulk een is verstokt en heeft zichzelf totaal onvatbaar gemaakt voor allen indruk van wat heilig is en goed. Ook al zou God voortgaan met Zijn genade-aanbieding, ze zou worden afgewezen ten einde toe.
Hieruit volgt, dat wie bezwaard is van hart, omdat hij vreest den Heiligen Geest te hebben gelasterd, zeker deze zonde niet heeft gedaan.
Dit moge allen vertroosten, die worden aangevochten met die angstaanjagende gedachte.
Wie deze zonde inderdaad bedreef, die vreest haar niet meer en die tobt er niet over.
Daarom late geen bekommerde van ziel zich door den duivel voorliegen, dat hij zich mogelijk wel schuldig kan gemaakt hebben aan het onvergeeflijk kwaad „Onze zonde is te groot om vergeven te worden", dat is Kaïnstaal, terwijl de Heilige Geest zegt : „Indien wij onze zonden belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons die zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid."
De weg der behoudenis wordt ons in het evangelie zoo wijd mogelijk geopend. Als wij maar willen buigen in het stof voor Gods aangezicht, als wij maar met boete en berouw onze ongerechtigheden willen bekennen, dan zijn wij vrijgesproken, gered, gezaligd.
Doch nu ook omgekeerd : Geen vergeving zonder belijdenis van zonden.
Laat ons dan toezien, dat wij den eisch der bekeering niet afwijzen. Hoe langer wij het doen, des te ongevoeliger en stomper wordt ons geweten voor de bestraffing des Heeren. Men kan zich ook verharden tegen de liefde Gods. En dan kan het gebeuren, dat een mensch komt tot dat verschrikkelijke, waarvan de Heiland sprak tot de Phariseën.
Ja, dat gevaar bedreigt ieder, die weigert te hooren naar Gods stem, met het heilige speelt en moedwillig verzuimt zijn zaligheid te werken „met vreezen en beven".
Rotterdam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's