De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSPREIDE GEDACHTEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSPREIDE GEDACHTEN

GAVE EN GENADE

9 minuten leestijd

Het is van groote beteekenis te zien, dat de gereformeerde richting opkomt uit de levende Gemeente en nauw verband houdt met die liefde tot de goddelijke waarheid, die de Heilige Geest in het hart van Gods kinderen verwekt.
Juist daaruit blijkt, dat wie haar verklaart uit een star conservatisme, waardoor men hardnekkig vasthoudt aan overgeleverde vormen en termen, die hun waarde voor dezen tijd hebben verloren en waardoor zij zich zelf ook buiten het leven van dezen tijd zou zetten, haar naar haar innerlijken oorsprong niet kent.
De liefde, met welke zij vasthoudt aan de belijdenis, is de liefde voor het eeuwige en onveranderlijke evangelie, dat ook onze vaderen in zijn kracht hebben gekend en waardoor zij op zoo onnavolgbare wijs belijdenis van dat evangelie hebben kunnen doen. Deze liefde is de vrucht van een levend geloof en komt op uit een bron, die nimmer verdroogt.
Gansch verkeerd is dan ook het oordeel van hen, die in de gereformeerde richting een openbaring zien van een intellectualistisch streven, waardoor men meent de goddelijke waarheden als in formules te kunnen vastleggen en waardoor het geloof verlaagd wordt tot een verstandelijk voor waar houden. Al wil ik niet ontkennen, dat een dergelijk intellectualisme hier en daar onder ons verschijnt — is dit ten slotte niet bij iedere richting 't geval ? — nochtans wortelt de gereformeerde richting in haar oorsprongen in zoo gansch anderen bodem, dat zij juist 'pretendeert meer dan eenige andere richting het intellectualisme te hebben verloochend. Want zoo zeer hangt zij samen, gelijk we reeds zeiden, met een liefde tot het eeuwig evangelie, die vrucht is van het ware geloof, dat onder ons, ook in de prediking, gedurig nadruk wordt gelegd op de noodzakelijkheid van een bevindelijke kennis der goddelijke waarheid.
e richting als ziekelijk typeert, gelijk zoo dikwijls geschiedt zonder kennis des onderscheids, blijkt haar van zijn dogmatistisch standpunt uit gezien beter te kennen, dan wie haar als een intellectualistische strooming in een hoek wil duwen.
De gevaren, die haar bedreigen in onze dagen, liggen volstrekt niet naar den kant van het intellectualisme, maar komen veeleer daaruit voort, dat men de algenoegzaamheid der genade, die in Christus is, verkeerd verstaat en meent, dat door deze genade alle andere gaven des Heiligen Geestes overbodig worden. Men verandert daardoor het karakter der genade Gods, acht alle gave overbodig, wijl men meent, dat alle gave in die genade besloten ligt en eindigt tenslotte bij uiterste consequentie in een wegschuiven van heel het terrein der schepping, in een waardeloos verklaren van alle natuurlijke gaven, om dan in den eigen kring, in welken men zich terugtrekt, een openbaring te zien van het Koninkrijk Gods in deze wereld.
De eerbied voor het levende geloof, voor het getuigende en overtuigende werk des Heiligen Geestes door het goddelijk Woord, is onze kracht; de overschatting van dit geloof, een verkeerde opvatting van de genade, die God bewijst, vormt daartegenover een gevaar van zeer groote beteekenis.
Het duidelijkst komt dat misschien uit in een gezegde, dat men af en toe onder ons kan tegenkomen en dat, al wordt het niet door allen beaamd, toch in zijn verderfelijke strekking door weinigen herkend wordt, n.l.: we hebben geen godgeleerden noodig (dit woord wordt hier genomen in den gewonen zin van wetenschappelijk onderlegde menschen), maar slechts menschen, die van God geleerd zijn.
Trouwens het is maar niet een gezegde, dat buiten het leven staat, maar velen leven uit de waarheid, die men dus geformuleerd heeft. Daarom keert men zich met verachting vaak af van een prediking, die naar het beproefde inzicht der vaderen leerrede bedoelt te zijn en stelt den oefenaar, die geen wetenschappelijke opleiding heeft gehad, reeds uit kracht daarvan verre boven den predikant. Als het dan bovendien dien oefenaar gelukt zulke termen en uitdrukkingen te gebruiken, dat men onmiddellijk bemerkt dat die man uit eigen ondervinding spreekt, heeft men voor velen haast het volmaakte bereikt.
Om voor dit gevaar te waarschuwen, sprak ik van gave en genade, en meen ik hier op een onderscheid te moeten wijzen tusschen deze beide van de grootste beteekenis, al is het een onderscheid van gansch anderen aard dan waarschijnlijk de oefenaar naar voren zal brengen. Want terwijl deze zich over de gave, ook de gave der kennis, schamper zal uitlaten, om zijn hoorders het besef bij te brengen dat de bevindelijke kennis het een en het al is, wensch ik juist op de beteekenis der gave daarnaast den nadruk te leggen en beweer ik, dat zonder deze gave zelfs een oefenaar, die in oprechtheid God vreest, Gods Woord en Gods werk verknoeit.
Het is volkomen waar, wat prof. Visscher eens opmerkte, dat Paulus, toen hij van God bekeerd was, op dat oogenblik nog niet in staat was om b.v. den brief aan de Romeinen te schrijven; al was hij toen van God geleerd, zijn inzicht in de wegen Gods was toen nog niet en kon toen nog niet zijn wat het later onder de leiding des Geestes geworden is.
Maar ik wensch nog verder te gaan en vast te stellen, dat iemand, die tot waarachtige bekeering en tot een levend geloof gekomen is, niet alleen op dat tijdstip niet in staat is zijn eigen bekeeringsweg te beschrijven, maar dat hij ook aan het einde van zijn leven daartoe nog niet in staat is, indien hij daarvoor niet de gave heeft ontvangen. Genade is daarvoor niet voldoende, de gave der kennis is hier onmisbaar.
Voor hen, die eenig gezicht hebben in de goddelijke waarheden, zooals die in de Schrift en in de belijdenisschriften ons worden voorgesteld, behoeft dit eigenlijk geen nader bewijs, want talrijke bekeeringsgeschiedenissen, die uitgegeven zijn en onder ons in omloop, bevestigen dat onmiddellijk. Al mag men gelooven, dat de menschen werkelijk uit de duisternis zijn overgebracht tot Gods wonderbaar licht, zoo kan men toch niet nalaten te constateeren op grond van de wonderlijkste opmerkingen en soms kettersche gevoelens, dat dezen menschen alle kennis der goddelijke waarheid heeft ontbroken en dat, al zijn ze van God geleerd, een jaar catechisatie niet geheel overbodig voor hen zou zijn.
Het valt trouwens niet moeilijk om dit ook nader aan te toonen. Als iemand spreekt van den weg, waarlangs God hem geleid heeft, doet hij meer dan een fotografische weergave van feiten en gebeurtenissen ons geven. Hij spreekt tevens een waardeeringsoordeel uit over zich zelf, over zijn levensweg, zijn werkzaamheden en zijn bevindingen. Van het licht der Godsopenbaring, dat hem gewerd, spreekt hij maar zoo, dat hij tevens de beteekenis en den zin dezer Godsopenbaring tracht te peilen. Hoe verder de Heere hem leidt, hoe klaarder hem de zin van Gods leidingen wordt, zoodat hij de waarde van een bepaalde bevinding later vaak anders peilt dan in den beginne.
Als iemand op bevattelijke en leerzame wijze zijn weg wenscht te verhalen, is het b.v. beslist noodig, dat hij de waarde van een bepaalde bevinding weet te bepalen in verband met de andere bevindingen, want anders zou hij in de fout vallen van dien eenvoudige, die met grooten nadruk allerlei uit de leiding, die God met hem gehouden had, meedeelde, terwijl hij het voornaamste van al slechts in weinig woorden als in het voorbijgaan aanstipte. Ook is het noodig alle bevindingen tezamen te kunnen zien in verband met het doel van heel Gods leiding, n.l. om hier te brengen tot een leven van geloof, hoop en liefde, in onderscheiding van het leven der heerlijkheid hierna. Zelfs lijdt de uiteenzetting aan groote eenzijdigheid, als niet het centrale op den voorgrond treedt, en dat is niet het bizondere, dat onze bekeering en bekeeringsweg eigen is, maar dat is juist hetgeen het hart van iedere bekeering uitmaakt, dat is de overeenstemming van de leiding, met welke God ons leidde, met de leidingen, die Hij alle eeuw door gehouden heeft met Zijn Kerk. Grootheidswaan moge doen staan naar gansch bizondere bevindingen, de ware Christen wenscht zich niet te onderscheiden, maar wenscht juist één te zijn met Gods Kerk van den ouden en den nieuwen dag.
Voor wie zelf nadenkt over den weg, langs welken God hem leidde, is het onmiddellijk duidelijk, dat bekeerd te zijn nog iets anders is dan zijn bekeering te verhalen, dat gelooven nog iets anders is dan de waardeering van een bepaalde geloofswerkzaamheid. En hoe zal men ook in zijn eigen bekeeringsweg het zaligmakende van het niet-zaligmakende, het psychische van het pneumatische, het ziekelijke van het gezonde onderscheiden, als men geen kennis des onderscheids heeft ?
Al wil ik geen oogenblik ontkennen, dat het levende geloof de kracht van Gods Kerk en het levensbeginsel der theologie is, duidelijk is uit het voorgaande toch wel, dat hij den naam van theoloog niet verdient, die aan de voeten van Gods kinderen gaat zitten om van hen geleerd te worden met betrekking tot Gods weg ter verlossing. Een menschelijk waardeeringsoordeel — en dat vaak van een mensch, die alle kennis des onderscheids mist — wordt hier eenvoudig aanvaard als de openbaring van God zelf.
Wie Gods weg wil verklaren vanuit de bevinding der vromen, om dan deze bevinding nader toe te lichten met de 'Schrift en met Schriftwoorden nader te bevestigen, zet de dingen geheel op .den kop en treedt in beginsel op den weg der afgodendienaars, die het schepsel eeren boven den Schepper, die te prijzen is in der eeuwigheid.
De ware theoloog begeert niet van menschen, Haar van God geleerd te worden; daarom keert hij zich ook niet tot Gods kinderen, maar tot het getuigenis des Heiligen Geestes, dat in de Schrift tot ons komt, en hij wenscht alle dingen, ook de bevindingen der vromen, ook zijn eigen bevin­dingen te zien in het licht der daar gegeven Godsopenbaring. Niet de weg, waarlangs wij geleid werden, maakt Gods weg klaar, maar Gods weg, zooals de Heilige Geest daarvan spreekt in de Schrift, maakt onzen weg klaar. Alleen in het licht van dit Godsgetuigenis kan onze bevinding openbaar worden als een werk van den Heiligen Geest.
Zoo alleen hebben wij een norm, waaraan wij onze geloofswerkzaamheden en die van anderen toetsen kunnen, waardoor het ook mogelijk valt hun waarde te waardeeren. Wie echter van den anderen kant begint en Gods wijsheid misbruikt om zijn eigen wijsheid tot klare openbaring te brengen, zal in een verdwazing vallen, die, zooals de geschiedenis telkens leert, vaak zonder grenzen is.
O. a/d IJ.  W.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERSPREIDE GEDACHTEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's