De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

11 minuten leestijd

Dr. H. PIERSON HERDACHT.
Het is nu honderd jaar geleden, dat Pierson geboren werd en het zou van groote ondankbaarheid getuigen zijn naam nu niet in herinnering te brengen. „Getuigen en redden" is het leven van dr. H. Pierson geweest en vooral in zijn arbeid te Zetten lag zijn kracht. Pierson en Heldring zijn hierin tweelingbroers geweest. Beide figuren komen uit tegen den achtergrond van het Réveil en door hun gehoorzaamheid aan God zijn ze beiden helden des geloofs geworden, die door „getuigen", maar niet minder door „redden" van de grootste beteekenis zijn geworden niet alleen in de jaren van hun leven, maar ook voor de jaren, die wij nu beleven.
In een drukbezochte samenkomst in de Vluchtheuvelkerk te Zetten heeft dr. J. Lammerts van Bueren dr. H. Pierson herdacht in zijn werk, te Zetten verricht. De heer G. van Velthuysen, voorzitter van de Nederl. Middernachtzendingsvereeniging, sprak over : „Dr. Pierson en de Middernachtzending", waarbij hij in herinnering bracht hoe God dit deel van het werk van Pierson zoo ongedacht rijk heeft willen zegenen.
„Het verrassende succes op Pierson's strijd tegen de gereglementeerde ontucht moge ook ons moed doen grijpen bij de vervulling onzer roeping.
Door Z.Exc. jhr. mr. D. J, de Geer werd gesproken over de bemoeiing der Overheid met het terrein, dat in het bijzonder Pierson's aandacht had. Hij is de groote strijder geweest tegen de ontucht. „Wetten zonder zeden beteekenen weinig, doch evenmin zeden zonder wetten." Hierbij herinnerde Z.Exc. aan het standpunt der vroegere Overheid ten opzichte van de reglementeering der ontucht, een maatregel, die zelfs uit het oogpunt van volksgezondheid in haar uitwerking onvoldoende was. We kunnen ons nu zelfs niet meer voorstellen hoe groot de tegenwerking was, welke Pierson bij zijn strijd tegen bedoeld standpunt telkens moest ondervinden. Eerst langzamerhand werd ook de Overheid overtuigd, dat reglementeering der ontucht bescherming er van beteekende; en later kwam het verbod en strafbaarstelling van slechte huizen. „De voornaamste indruk" - aldus oud-Minister De Geer - „die ons van Pierson achterblijft is die van een man, die zijn roeping getrouw bleef en daarbij rijke vrucht op zijn arbeid mocht ontvangen."
Ook als strijder voor het Christelijk Onderwijs heeft dr. H. Pierson, de eerste voorzitter van den Schoolraad, een goeden naam onder ons. Hij behoorde tot de voortrekkers, die in het geloof mee den strijd gestreden hebben voor de School met den Bijbel. Hij was een bekend Unie-spreker, die menige Unie-rede heeft gehouden. Geen wonder, dat meer dan één Christelijke School zijn naam draagt.

DE ETHISCHEN EN HUN KERKBESCHOUWING. —
Met „de Ethischen" kunnen we niet allen, die we Ethisch noemen, onder één hoedje vangen. Er is groote verscheidenheid. Chantepie de la Saussaye Sr., Gunning Sr., Valeton, Roozemeijer, Vellinga, Van Dijk Sr., Jonker, Slotemaker de Bruine, Van der Leeuw, Oberman, Noordmans, Obbink, Brouwer, Korff, James enz. enz. zijn niet allen precies 't zelfde. En een man als prof. Aalders kan men zóó maar niet naast ds. Hoek of ds. Gouverneur zetten. En Riemens is wéér andere.
Het is dan ook niet gemakkelijk om te zeggen hoe „de" Kerkbeschouwing van „de" Ethischen is.
Maar een algemeene trek van de Ethischen is wel, dat zij bij voorkeur onderscheid maken tusschen Gemeente en Kerk. En dan bedoelen ze met de Gemeente de vergadering van de geloovigen, en bij de Kerk denken ze dan aan iets menschelijks, iets dat betrekking
heeft op de organisatie, waaraan zij als „geestelijke" menschen, die zeggen „dat het gaat om het leven en niet om de belijdenis, om den Heer en niet om de leer", gewoonlijk maar weinig waarde hechten.
Ze zeggen : op de Gemeente komt het aan; de Kerk is bijzaak.
De Gemeente is de vergadering van hen, die door den Geest Gods geroepen zijn. Zij is ook het orgaan des Geestes in deze wereld. Zij bezit de waarheid en dan in ethischen zin, niet in confessioneelen zin. 'Daarom mag de Gemeente ook niet gebonden worden aan een belijdenis. De Gemeente leeft en dat leven laat zich niet binden. Binding aan de Confessie is doodend. 't Komt aan op het leven, niet op de leer. „En de getrouwheid aan den Heer mag niet afgemeten worden naar de getrouwheid aan de leer."
Hieruit vloeit voort, dat de Gemeente weet wat waarheid is. Want de Heilige Geest openbaart haar die waarheid en doet haar die waarheid ethisch, zedelijk, levend verstaan. Niet met allerlei woorden en dogma's en formules, maar zedelijk, ethisch, met „geest en leven", de waarheid in liefde betrachtend.
Wat dan die waarheid is?
Waarheid is wat men zelf als waarheid leert kennen en als waarheid leert ervaren. Dat leert de Heilige Geest aan de geloovigen en die waarheid gaat door ieder persoonlijk heen. Men moet „profeet" zijn. En tot die profetische waarheid der geloovigen moet men opgevoerd worden. Dat kan niet gebeuren door Confessie of Kerkvorm. Dat kan alleen geestelijk geschieden. Daarom moet men ook niet spreken over Kerkvorm of Kerkorganisatie. Veel minder over Kerkherstel. Ook niet over Confessie of belijdenis. Veel minder over leertucht. Dat zijn allemaal knellende banden, waardoor men het leven beschadigt en benadeelt en waardoor men de waarheid toch niet dient.
Wel wil men de betrekkelijke waarde van de Confessie erkennen. Daardoor is in den loop der historie de uitdrukking van het geloofsleven der Kerk verkregen. Maar daarbij moet het dan ook blijven. Men mag het heden niet binden aan het verleden. Het heden heeft een eigen leiding des Geestes en een eigen beleving der waarheid. Elke tijd heeft z'n eigen geloofservaring en z'n eigen beleven der waarheid. Dat is het geloofsbezit van de Gemeente. En van die waarheid moet de Gemeente getuigen. Verder moet men niet gaan. En die men eenigszins kan bereiken, moet men in de Gemeente betrekken. Ieder moet daarbij vrij blijven. Men kan elkander toch niet geestelijk binden. De Geest laat zich niet binden. De waarheid is vrij.
Van „handhaving der belijdenis" wil men niet weten. Dat verburgert de Kerk. Dat geeft juridische processen en daarvoor is de Kerk, de Gemeente des Heeren, niet te vinden, als ze geestelijk is en uit de waarheid leeft. Alleen door getuigenis en prediking, alleen langs medischen weg moet de Gemeente komen tot een beteren verschijningsvorm en dien beteren vorm zal de Heilige Geest Zelf geven.
Over het algemeen wil men van Ethische zijde dan een zelfstandig bestaan van de Kerk naast den Staat (Vinet) ; maar dan zóó, dat in dien Staat (wat Nederland betreft) de Ned. Hervormde Kerk de voornaamste plaats inneemt als Volkskerk; want van haar bloei of ondergang hangt de bloei of ondergang van het volk en van het Vaderland af.
Men legt dus allen nadruk op de Gemeente, als de vergadering der geloovigen, de draagster der Waarheid, aan welke de Heilige Geest gegeven is, om haar te leiden en de waarheid te doen verstaan. Verder wil men niet gaan. De Kerk moet een zedelijk lichaam zijn, waar zooveel mogelijk vrije beweging moet zijn, onder menschen, die uit de waarheid leven en zedelijk verantwoordelijk zijn. Het gezag in de Kerk moet dan ook een zedelijk gezag zijn. Het moet tenslotte aan de consciëntie van ieder overgelaten worden. Van een juridisch-confessioneel gezag, waarbij Gods Woord en de Confessie der Kerk binnen de grenzen der Kerk gezag krijgt, willen de Ethischen doorgaans niet weten. En van bevoorrechting van de orthodoxen boven de modernen wil men niet hooren. De een is niets beter dan de ander. Die door de Kerk veroordeeld en uitgeworpen worden, zijn dikwijls lang niet de slechtste ; dat kunnen wel de meest getrouwe zijn in de waarheid, de meest oprechte geloovigen, de liefste kinderen Gods, alleen zijn ze het niet eens met de belijdenis, doch 't gaat ook niet om de leer, maar om den Heer, niet om de belijdenis, maar om het leven.
De Ethischen verwachten hier de volkomenheid der Kerk niet; die ligt in de toekomst; hier is het onvolmaakt en gebrekkig, en dat moeten we zoo dragen. Er moet vrijheid van beweging zijn en de Kerk moet zich bewust zijn alles niet in volkomenheid te weten. De vrijheid der consciëntie moet ongerept blijven. De Kerk moet niet zelfgenoegzaam worden, 't Moeten geen farizeërs zijn, die de Kerk willen regeeren.
Wat de Modernen betreft, er moet een beroep op hun geweten worden gedaan. Zij zoeken de waarheid net zoo goed als de Orthodoxen. Zij kunnen den Geest van Christus net zoo goed hebben als de Confessioneelen, ja, misschien méér en beter dan deze.
't Gaat om het individueele geloofsleven en er moet in de Kerk de grootst mogelijke tuimte gelaten worden voor de werking des Heiligen Geestes. Er mag geen instemming worden geeischt met de formulieren, die uit een vorigen tijd dagteekenen. Dat zou een binden van het geloofsleven, een binden van de waarheid zijn, aan menschelijke formules uit vervlogen tijden. Dan zou aan de Kerk van Christus geweld worden aangedaan. Niet kerkrechtelijke handhaving der belijdenis is de roeping der Kerk, maar bearbeiding der Gemeente door het Evangelie.
De Ethischen beweren niet zelden, dat alles wat men nu van de Kerk vertelt en als taak en roeping van de Kerk noemt menschelijke uitvinding is, daar het N. Testament niets van de Kerk als instituut en organisatie leert. Het N. Testament — zegt men — kent wel de Gemeente als vergadering van geloovigen, die als geestelijke menschen de waarheid betrachten in liefde; maar het N. Testament — zegt men — weet niets en zegt niets van de Kerk en van kerkelijk leven en van kerkelijke organisatie. Dat hebben de menschen later zelf uitgedacht. De kerkelijke organisatie is dan ook — zegt men — door den Bijbel niet geboden. Men stelt dan Christus tegenover de Kerk. En met prof. Jonker zegt men : „wij denken hoog van Christus en verwachten alles van Hem, omdat wij van de Kerk, als surrogaat van Christus, laag denken en van haar niets verwachten."
De Ethischen doen vaak dan het goddelijk karakter van de Kerk afbreuk. Men verheft de Gemeente als vergadering der geloovigen heel hoog en men vernedert de Kerk als menschelijk instituut heel laag.
Dat de Heilige Schrift ons andere dingen leert wist het Gereformeerd Protestantisme van over lang. De Bijbel kent wel degelijk een Christelijke Kerk. Het N. T. spreekt wel degelijk van een georganiseerd kerkelijk leven. Wanneer de Heiland in Matth. 16 : 18 zegt, dat Hij op de petra of rotssteen der waarachtige belijdenis van den Christus, als Zone Gods, Zijn Gemeente zal bouwen, laat Hij er duidelijk op volgen, dat dit dan geen pneumatisch of geestelijk anarchisme zal zijn, maar dat het zich zal moeten openbaren en handhaven in een geordend kerkelijk leven. Want Hij spreekt tot Zijn discipelen van „de sleutelmacht", welke immers zonder de ambten en de organisatie der Kerk ondenkbaar en onbestaanbaar is.
Het Nieuwe Testament kent de scheiding en de tegenstelling tusschen Gemeente en Kerk niet. 't Gaat in het N. T. over Gemeente en Kerk, die beide dezelfde beteekenis hebben.
Het is een diepgaande fout van de Ethischen om scheiding te maken tusschen Gemeente als geestelijk gezelschap en Kerk als menschelijk instituut, waaruit geboren wordt de verwerping, de minachting, de verwaarloozing van de Kerk, met haar ambten en haar organisatie, en de verheffing van de Gemeente als geestelijk gezelschap.
Men trekt zich terug van alles wat kerkelijke ambten, kerkelijke organisatie, kerkelijke tucht enz. raakt. Dat is menschelijk, uitwendig, gevaarlijk, farizeeuwsch gedoe.
't Gaat om het leven, niet om de confessie ; om het wezen, niet om den vorm ; om den Heer, niet om de leer.
En bij alle kerkelijk getob komt men niet hooger en niet verder, dan om alle pogingen van Kerkherstel of Kerkopbouw te verachten en hoog geestelijk te spreken van de onvolkomenheden hier en de volkomenheid in de toekomst.
Van Christus verwacht men alles, van de Kerk niets.
Doch — zooals gezegd is — niet alle Ethischen spreken in deze op dezelfde manier. Toch vindt men dezen zelfden draad veelal gemakkelijk terug wanneer men acht geeft op 't geen Ethische mannen van vroeger en nu in zake de Kerk en het kerkelijk vraagstuk zeggen of schrijven.
Van Gunning Sr., die vooral de laatste jaren van zijn leven veel voor reorganisatie of Kerkherstel voelde, zegt men dan ook, dat hij daarin minder „ethisch" was dan vroeger. Zóó weinig wil men er, in den grond van de zaak aan, om zich in te laten met vragen rakende Kerk, Kerkorganisatie en Kerkherstel.
Men is zoo bang den Geest en de Waarheid te binden !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 juli 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's