GEESTELIJKE OPBOUW
DE ADVENTISTEN. 1)
Dr. Hoedemaker begon een lezing over „Kerk en Secten" op deze manier :
»Wanneer men 's avonds bij helder weer het oog naar boven richt, vindt men den hemel met sterren bezaaid. Hoe langer men staart, hoe meer lichtende punten dan tegen de blauwe diepte u tegenfonkelen.«
Dat was om in beeldspraak zijn hoorders duidelijk te maken, dat er voor ons oog in den tegenwoordigen tijd, hoe meer we op de dingen acht geven, hoe langer hoe meer secten zich gaan vertoonen. Eerst hooren we van deze beweging en dan vernemen we weer van een andere geestelijke strooming, en iets later wordt onze aandacht weer gevraagd voor die secte — en zoo blijft het aan den gang. 't Is of er geen eind aan komt; net als wanneer we 's avonds naar den sterrenhemel blikken, waar de hemellichten steeds maar vermeerderen in getal, eindeloos !
Nu valt er van den sterrenhemel ook dit te leeren. Dat er onder die talloos vele hemellichten toch een zekere eenheid is te bespeuren. Sterrengroepen en sterrenbeelden staan er tegen het azuren hemeldak afgeteekend. 't Zevengesternte ook. Onderling verband ligt er tusschen de nachtlichten aan 's hemels trans. En de kenner kan ze in kaart brengen, kan ze afteekenen op bol en vlak.
Zoo ook onder de Secten. Er zijn groepen van sectarische stroomingen, met onderling verband. Dezelfde leeringen (voor ons dwalingen) doen zich telkens voor, al zijn ze bij den één weer wat anders ingesteld dan bij den ander. Zoo hebben we de Sabbathisten, de Baptisten, de Darbisten, de Methodisten, de Mormonen — en ook de Adventisten.
’t Zijn al dwalingen, eenzijdige leeringen, bij den een van méér ingrijpenden aard dan bij den ander. Bij den een minder, bij den ander meer gruwelijk en leugenachtig. Alles éénzijdig en daarom zoo gevaarlijk, omdat een bijzaak in de plaats geschoven wordt van de hoofdzaak; omdat tenslotte Christus van Zijn plaats gestooten wordt en de mensch z'n eigen zaligmaker wordt, langs een ladder opklimmend, welke door hem zelf is opgericht.
Door alle eeuwen vindt men dat sectewezen, waarbij de geestelijke strooming in verkeerde banen gaat. Maar in de laatste eeuw is het wel buitengewoon toegenomen, en de een voor den ander komt een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, n.l. Jezus Christus en dien gekruisigd.
Bij de Sabbathisten zien we, dat alle ellende en alle straffen gevolg genoemd worden van het niet houden van den zevenden dag als rustdag; en bij deze Secte ontspringt alle zaligheid daar, waar de mensch de dwaling van den eersten dag der week verlaat, om weder te keeren tot de viering van den Joodschen sabbath. De gang van Gods genadeverbond wordt niet gekend, Gods Woord als een wetboek opgeslagen en het heil in Christus, die gestorven is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, wordt over 't hoofd gezien, 't Is de Sabbath, de Sabbath, die als de zevendedaagsche rustdag, vrede en vreugd en zaligheid moet brengen !
De historische ontwikkeling der waarheid wordt niet verstaan en als eigengerechtige mensch blijft men staan bij het „raakt niet en smaakt niet en roert niet aan.”
Zoo ook de Baptisten, die met verwerping van den kinderdoop en veronachtzaming van het genadeverbond, tot den doop der volwassenen teruggekeerd zijn, om alles te leggen in den geloovigen mensch, die zich op bepaalde wijze laat doopen. Wie niet tot die Secte toetreedt, kan niet zalig worden.
Zoo vinden we ook, dat de Mormonen een eigen profetie zich hebben toegeëigend, om den mensch te verheffen boven Gods Woord, om dan in een eigen gekozen land een Sion zich op te richten, waar men in veelvoudig huwelijk, als levenden met de dooden omgaat en zich goden maakt, die den menschen gelijk zijn en menschen, die straks goden worden zullen, als zij zich tenminste bij de Mormoonsche Secte hebben gevoegd.
Eénzijdige leeringen vinden we overal bij de Secten ; leeringen, die de hoofdzaak der zaligheid in de schaduw zetten en veelszins een andere zaligheid prediken, dan in het Evangelie des kruises is gelegen. Waarbij dan een ijver aan den dag gelegd wordt, een betere zaak waardig.
Vele van de Secten stellen het ook voor, dat zij over de gaven der profetie hebben te beschikken. Ook hebben ze de gaven der gezondmaking. En terwijl de Kerk, in het oog der Secten, alles mist, wat voor een mensch noodig is voor tijd en eeuwigheid, kan ieder bij de Secten terecht, om daar te ontvangen alles wat hij weten wil en alles wat hij overigens noodig heeft.
Met de Kerk staat het zoo anders. Die heeft niet over alles te beschikken ; die weet ook niet alles van hetgeen gebeuren zal; die komt ook niet met één bepaalde zaak, één bepaald gevoelen naar voren, om daarover altijd te spreken. De Kerk heeft een belijdenis, en van die belijdenis is Jezus Christus het middelpunt, en Gods Woord is wet en regel voor leer en leven — wat alles veel breeder opzet dan het Sectewezen geeft en heeft; maar daarom juist bij de Sectemenschen niet geliefd en niet gewild.
Heeft dus de Kerk tot uitgangspunt en vormend element de belijdenis van den Naam des Heeren, de Secte dankt haar ontstaan aan de speciale meening of opvatting, die voor haar het middelpunt van haar godsdienstig leven en denken is geworden. Het zwaartepunt is dus bij de Secte van het centrum, Jezus Christus, paar den omtrek verlegd ; middenpunt is bij haar de eene of andere meening, waarvan ziel en zaligheid afhankelijk is. Hartstocht voor een bepaalde zaak is dan ook het karakter van een Secte ; hartstocht met zeldzame eenzijdigheid en een ijver zonder verstand.
Zoo wordt bij de Sabbathisten de zaligheid afhankelijk gemaakt van het onderhouden van den 7den dag der week en het middel om alle kwalen te genezen in de wereld is : den Sabbath op Zaterdag te houden. Zoo trotsch zijn de sectemenschen op hun vondst, dat ze tegenspraak niet kunnen dulden en aanstonds gereed zijn met hun vervloeking. Hartstochtelijk ijveren voor het ééne lievelingsdenkbeeld, strijden ze ook hartstochtelijk tegen alles wat van een andere meening in deze is. De hemel wordt voor de tegensprekers gesloten en de hel wijd opengezet.
Zóó de Mormonen met hun eigen gefantaseerde leeringen en schandelijke uitvindingen, op het gebied van geloof en leven. Niemand, die niet-Mormoon is, kan zalig worden.
Daarbij is de Secte altijd bezig om de leden aan de Kerk af te troggelen, zieltjes winnend, niet voor Christus, maar voor eigen lievelingsgedachte en eigengekozen practijken. De Secten leven van de krachten der Kerk, die, vooral in dagen dat de Kerk niet sterk is, door de Secten wordt uitgeput. Alleen als de Kerk zelve opwaakt en in krachten toeneemt en kloek het zwaard des Geestes, zijnde Gods Woord, hanteert, kan de Kerk de Secten van zich afschudden, zich die Secten van het lijf houden en die Secten krachteloos maken. Maar helaas is de Kerk in onze dagen wat dat betreft niet in een conditie, dat we blij kunnen roemen. De Kerk zelve is in verval en laat zoo dikwijls na, wat noodig is tot zaligheid, helder en klaar en krachtig te verkondigen. En dan groeien de Secten als paddestoelen. Waarbij ook dit komt, dat de sleutel der kennis bij velen verloren is gegaan. De gave der onderscheiding missen velen. Groote onbekendheid met de dingen van Gods Koninkrijk heerscht alom. En men is maar zoo zelden thuis in de Schriften, die van Christus getuigen en die ons willen zijn als een lamp voor den voet en een licht op ons pad. Dat maakt het voor het Sectewezen zoo gemakkelijk. Zóó komt het, dat de tractaatjes en geschriften bij zoovelen een luisterend oor vinden. En vooral wanneer dan iets naar voren gebracht wordt, wat toch als christelijk aangevoeld wordt.
Zoo komt het, dat de Adventisten dikwijls een gereeden ingang vinden bij vele menschen. De Adventisten toch spreken over de wederkomst van Christus. En immers, de verwachting, dat de Christus zal wederkomen om te oordeelen de levenden en de dooden, is algemeen Christelijk en vindt, evenals geheel de leer aangaande de laatste dingen, bij christenen gehoor, wanneer er over wordt gehandeld in woord of in geschrift.
Maar we behoeven 't elkaar niet te zeggen : deze verwachting aangaande de wederkomst des Heeren leeft veel te weinig in de gemeente, 't Is dikwijls dood kapitaal; een som, op de balans pro memorie uitgetrokken, 't Staat geheel buiten ons denken, buiten ons werken, buiten ons spreken, buiten ons bidden, buiten ons verachten. Dat is het jammere in deze. Want zoo'n geloof is een dood geloof en zoo'n belijdenis verschrompelt en sterft weg, verbleekt en verkwijnt. Men rekent er eigenlijk niet mee. Men raakt 't kwijt en men weet straks niet meer, dat het er geweest is.
Zóó met de gedachte aan de wederkomst van Christus op de wolken; met de toekomstverwachting aangaande het Koninkrijk Gods in zijn nieuwe openbaring straks; met het geloof aan de komst van een nieuwen hemel en een nieuwe aarde, nadat alles wat nu is, brandend zal zijn vergaan.
Dat alles leeft niet in het midden van de Gemeente.
Men heeft er geen organisch gevormde en ordelijk samengestelde voorstelling van. De levende, de komende Christus staat niet in het centrum, in het middelpunt van 's Heeren Gemeente. Daar is geen opschorten Van de lendenen en daar zijn geen brandende lampen, 't Is niet zoo dat de een den ander toeroept: „de Bruidegom komt!" 't Is niet zóó, dat er is een waken en bidden en vasten, waarbij een geroep uitgaat: „Kom, Heere Jezus, ja, kom haastiglijk !”
En dan komt zoo'n waarheid van een anderen kant naar voren. Buiten de Kerk om. Naar voren geschoven met kracht, maar helaas ! bedekt en vermengd mei: allerlei fantasie, onware, onwezenlijke, valsche, leugenachtige voorstelling. En dan zóó, dat er een stokpaardje van gemaakt wordt, waarop men altijd rijden wil en waarmee men aldoor verder draaft, kunstig verdichte fabelen najage; : met een ijver en liefde, die boven alle beschrijving gaat.
O ! het lijkt dan zoo mooi. Dan gaat Christus in Zijn toekomst weer leven, zegt men. Maar het is niet zoo. Want wat leeft, is niet Christus, maar allerlei fantastische voorstelling aangaande de toekomst, waarin men dan z'n lievelingsdroomerijen uitdraagt, om anderen daarvoor te winnen, gaande van kwaad tot erger.
Dat kunnen we bizonderlijk zeggen aangaande de Adventisten en hun leer en levenspractijken.
Adventisten, menschen die over de toekomst van Christus en de wederkomst des Heeren met alles wat daaraan vast zit, gesproken hebben en daaromtrent allerlei geleerd, zijn er altijd geweest. Natuurlijk ! Want die toekomst des Heeren, die wederkomst van Christus hoort immers bij ons Christelijk geloof en dus moet er van den beginne af aan over gesproken, over geschreven zijn geworden ; in het midden van Christus' Kerk gelijk we dan ook b.v. wel bemerken uit de brieven van de Apostelen Paulus en Petrus, om van de Evangeliën nu niet te spreken.
Maar, dat noemen we op zichzelf genomen nog geen Adventisme. Daarvan gaan we spreken, als dat bepaalde leerstuk aangaande de toekomende of laatste dingen een zóó eenzijdige belichting, behandeling en propageering vindt, dat het waarlijk 't een en 't al gaat worden, alsof er niets anders ter wereld was om over te spreken en voor te ijveren dan voor de wederkomst van Christus op de wolken en de toekomende dingen van Gods Koninkrijk ; en dan nog op zeer eigenaardige, wonderlijke wijze belicht. Dat éénzijdig leeren en ijveren dateert uit de vorige eeuw. Toen is een bepaalde leer aangaande deze dingen uitgedacht; een bepaalde secte van Adventisten is ontstaan en sinds ijveren de Adventisten voort in dezelfde richting, al is 't helaas ! ook hier waar, dat de scheuringen onder de Adventisten legio zijn en daardoor de verschilpunten onder de Adventisten in grooten getale voorkomen.
De man, die aan de secte der Adventisten het leven schonk, was een Amerikaan (haast zouden we zeggen „natuurlijk een Amerikaan. Hij heette William Miller, geboren in 1782, gesproten uit een boerenfamilie, oorspronkelijk behoorend tot de vrijzinnige richting der Deïsten, die, zooals we weten, nog wel spreken van een God en van de schepping, maar dan zóó, dat God zich nu niet meer met de schepping bemoeit, en de schepping als een uurwerk als van zelf loopt, naar vaste natuurwetten, zijnde een groot mechanisme, dat straks kapot stoeten zal, zonder dat men weet wat er van over blijven zal. William Miller moest in zijn jeugd de bitterheid der armoede verdragen. Vrijheidlievend van natuur voelde hij voor den strijd der opstandelingen, in welken strijd zijn vader als kapitein in het leger diende. Zijn moeder was een degelijke, godvruchtige vrouw, die grooten invloed op haar zoon had en tot zijn mannelijken leeftijd verkeerde William Miller alzoo onder streng geloovige invloeden. 'Zijn dorst naar kennis was groot, hij las en studeerde veel, maar de kleine middelen van zijn ouders waren een belemmering een wetenschappelijke loopbaan te kiezen. Als kapitein In het leger treffen we hem in 1812 aan, toen de strijd tusschen Engelschen en Amerikanen woedde, en in de verste verte is dan bij hem nog niets te bespeuren van 't geen waarvan hij later zou getuigen.
Door de losbandigheid in het leger kreeg hij hoe langer hoe meer een tegenzin in den militairen dienst en als de oorlog voorbij is trekt hij de kapiteinsjas uit, om er nooit meer naar om te zien. Dan krijgen we het groote moment in zijn leven ; zijn bekeering, in den kring van de Baptisten, waartoe zijn familie behoorde. Wat hij te voren geloofd had gaf hem geen vrede, 't Was zoo koud, zoo kil, zoo star, zoo dood. Wat eeuwigheid was, wist hij niet. Wat dood was, wist hij niet. Wat de toekomst brengen zou, wist hij niet. Hij treurde zonder hoop, hij geloofde zonder vrede. Maar plotseling veranderde dat nu. Den Heiland leerde hij kennen, zooals hij een Heiland noodig had. En de Schriften werden voor hem een openbaring Gods.
In het openbaar beleed hij zijn geloof. En bij de vele moeilijkheden, die voor hem nog bestonden, bestudeerde hij de Schriften. Bizonder werd hij daarbij geboeid door het boek Daniël en de Openbaring van Johannes. Alles kon worden verklaard met getallen, beelden, gelijkenissen, meende hij. Niets was hem meer verborgen. En helder zag hij nu de toekomst voor zich, de toekomst van hemel en aarde, de toekomst van den Zoon des menschen, de toekomst van het Koninkrijk Gods, met het toekomstig lot voor geloovigen en ongeloovigen, voor engelen en duivelen.
Als een wijd panorama ontrolde zich alles voor zijn oogen en hij, de helderziende profeet nu, sprak altijd van de wederkomst van Christus en de toekomst des Heeren, met 't geen in de laatste dagen zou geschieden. Dat werd met getallen, beelden en gelijkenissen uit Daniël en het boek de Openbaring duidelijk gemaakt en bewezen en spoedig wist hij, dat tusschen 31 Maart 1843 en 31 Maart 1844 de wereld zou vergaan en Christus op de wolken zou verschijnen, om te oordeelen de levenden en de dooden. Dat had hij zóó uitgerekend : In Dan. 8 : . 14 had hij gelezen „dat het Heiligdom tot 2300 avonden en morgens toe zou worden gerechtvaardigd." Dat beteekende volgens William Miller, dat 2300 jaar na den wederopbouw van den tempel, die in 457 vóór Christus had plaats gehad, het Koninkrijk Gods op aarde zou worden gesticht en Christus zou - wederkomen op aarde 2300 jaar na 457 voor Christus is 1843 na Christus. In dat jaar zou dus de wereld vergaan en de Christus op de wolken verschijnen ten oordeel.
Met de getallen van Daniël werkte de nieuwe profeet vlug en gemakkelijk. Zoo is er in Dan. 9 : 24 sprake van 70 weken. Dat moeten volgens hem 70 jaarweken zijn en dus 70X7 jaar. Wanneer men die 490 jaar ook weer optelt bij dat jaar 457 voor Christus, het jaar van des tempels wederopbouw, komt men aan het jaar 33 na Christus en dat is precies het sterftejaar van den Heiland, wat prachtig uitkomt!
William Miller had dus alles voor elkaar. In het jaar 1831, vijftig jaar oud zijnde, wist hij dus precies, dat tusschen 21 Maart 1843 en 21 Maart 1844 de wereld zou vergaan en Christus zou komen op de wolken met Zijne duizende engelen, om de rechtvaardigen en de goddeloozen te oordeelen en het Koninkrijk der heerlijkheid te stichten.
Die Adventistische beweging, welke gericht was op de wederkomst van Christus, trok vele mannen en vrouwen in Amerika aan. En sinds spreekt men van Adventisten. Men bleef in de Baptistische Kerk en men propageerde dus tegelijk den doop der volwassenen, met verwerping van den kinderdoop. Daarbij begonnen zich allerlei gedachten te uiten aangaande een duizendjarig vrederijk. Want de komst van Christus zou een voorloopig karakter dragen, om later in zijn tweede komst voleindigd te worden. Allerlei leeringen omtrent de opstandig des vleesches werden verzonden. Ook waren er, die leerden, dat wel rechtvaardigen en goddeloozen zouden geoordeeld worden, maar dat de rechtvaardigen alleen eeuwig zouden voortleven, maar dat de goddeloozen zouden vernietigd worden en niet zouden voortbestaan. Daarbij kwam ook allerlei wondere voorstelling aangaande den toestand der zielen na den dood, waarbij men van een zieleslaap sprak.
Tegenover de Kerk stond men schier onverschillig ; elke kerkformatie was te veroordeelen ; van een kerkelijke belijdenis wilden ze niet weten. Toch bleven in de dagen van Miller die hem volgden in de Baptisten-kerk omdat het eigenlijk de moeite niet waard was om zich nog af te scheiden, want over een paar jaar zou toch alles hier een einde nemen en zou al het bestaande ineenzakken en worden weggevaagd van den aardbodem. Toch werden alle kerken minachtend „Babel” gescholden.
Rondom Miller verzamelt zich een groote menigte langzamerhand, die niets anders doen dan spreken over de wederkomst van Christus, Een geestelijke opwaking gaat door de gelederen, waarvan de meesten Baptisten zijn. Het eind der wereld vervulde hoofden en harten. Om huis en haard gaf men niet meer ; have en goed gaf men weg aan de ongeloovigen, die niet met hun toekomstdroomerijen instemden. In witte kleederen tooide men zich meestal, om nacht en dag té waken en te wachten op den Bruidegom, die komende was. Eindelijk kwam de nacht van 21 Maart 1844, dat was de laatste nacht volgens de profetie, — maar er gebeurde niets bizonders; de Heiland kwam niet; de wereld verging niet; de morgen brak aan en al de profetieën bleken ijdel, al het wachten tevergeefs en alles wat men verwaarloosd of verkocht of weggeschonken had riep als een stil verwijt, dat men zich had laten bedriegen door een valschen profeet. Velen vielen toen af en verlieten William Miller. Maar dat werden de zwaksten, de ontrouwen, de valschen onder de broederen genoemd. En de Adventistische beweging als zoodanig bleef bestaan. William Miller bekende zich vergist te hebben; hij had blijkbaar een fout in zijn berekening gemaakt. Maar Adventistische couranten, die reeds verschenen waren, zetten de actie voort en met nieuwe berekeningen werd de parousie of verschijning des Heeren nader vastgesteld op 22 October 1844. Velen geloofden het. Men haalde den oogst zelfs niet van 't land, 't diende immers nergens toe ; aan alles zou nu toch een einde komen ; en dan kwam het Koninkrijk Gods op aarde ! De ontgoocheling was groot toen de groote dag 22 October 1844 kwam, zonder den Christus te brengen. In Januari 1845 werd aan Miller en zijn getrouwen het lidmaatschap der Baptistische gemeente ontnomen en de groepen Adventisten vergaderden afzonderlijk. Van een kerk stichten wilden ze niet weten, de eenige band die hen bond was de gedachte aan de spoedige wederkomst des Heeren, Miller zelf overleefde dit alles niet lang, want I hij stierf 20 December 1849.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's