De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE REFORMATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE REFORMATIE

IN DE CLASSIS NEDER-VELUWE VAN 1592—1620

6 minuten leestijd

Dat er predikanten waren zonder kerkeraad, ligt bij nader inzien voor de hand. Immers de Roomsche Kerk kent geen kerkeraad. In geestelijke zaken heeft de leek niets te zeggen, te adviseeren of ook maar te wenken. Daarbij waren de „kerspel luyden" uiterst eenvoudig, ja in doorsnede dom. Dat was hun schuld niet, want op vele plaatsen ontbrak het ten eenenmale aan onderwijs, ja, ook de geestelijkheid was slecht ontwikkeld. Geen wonder, dat in den eersten tijd de boeren en ambachtsgezellen voor een ambt als van ouderling en diaken terugdeinsden. Verreweg de meesten konden niet schrijven, en zoodra ze verplicht waren hun naam te moeten zetten, plaatsten ze een teekentje, waarbij de dominee dan b.v. zette : „dit is het merck van Jan Gisbertsz.”
Zoo waren er ook vele jaren predikanten zonder gemeente, en die ergens bij een der burgers gehuisvest waren, zoo de pastoor in de pastorie woonde, en aldaar door den Roomschen Schout gehandhaafd bleef. Was de pastoor vertrokken, doch de gemeente nog niet gereformeerd, dan moest de „losse" predikant, die zich daar dikwerf eigener beweging gevestigd had, een „gemeinte samelen." Dit duurde soms jaren, en kwam het een enkele maal voor, dat de Classis hem zonder bevestiging maar aanvaardde als lid van de Classis. Zij verschenen „zonder credentz" (geloofsbrief) ter Classicale vergadering.
Deze predikanten waren verplicht om minstens ééns per jaar het H. Avondmaal te gebruiken ter naast gelegene plaats, waar het des Zondags werd uitgedeeld, en zoo zij in eigen plaats, lidmaten kregen, die begeerden aan te zitten, mochten zij des Heeren H. Avondmaal vieren met genoodigden van naburige dorpen of steden.
Eigenaardig treft ons, dat sommige predikanten zich aan een gemeente verbonden voor een bepaalden tijd, b.v. voor één, twee of drie jaren. Dan werd hij wel ter vergadering toegelaten, doch niet bevestigd, voor en aleer hij wist of beloofde, daar te zullen blijven. Hier zat een tractementskwestie achter, waarover nader.
De beroeping geschiedde door den kerkeraad, en zoo deze er niet was, door de Classis. De manslidmaten droegen dan iemand aan de Classis voor. Deze onderzocht de attestaties, die soms lang niet voldoende waren en geruimen tijd op zich lieten wachten. Oaandeweg kwam hier meer lijn in. 't Gebeurde, dat men van een „geheime" gemeente kwam uit Oost-Friesland en Pruisen, waaruit men naar Nederland gevlucht was. Zoo werden ook wel predikanten van verdachte plaatsen afgewezen. De predikanten die b.v. te Leiden gestudeerd hadden, deden praeparatoir (voorbereidend) examen in de Classis, en in latere jaren peremptoir examen (het laatste) in de Classis, dikwijls ter plaatse waar zij beroepen waren, voor een Class. Commissie of op een Extra-ordinaire Class, vergadering. Vóór dit laatste examen werd aan het Hof handopening gevraagd, ten einde het tractement verzekerd zou zijn. Dit bedroeg omstreeks 1600 de som van ƒ 300.—.
In de jaren kort vóór de Dordtsche Synode moest men herhaaldelijk toezien op de rechtzinnigheid der candidaten, en derhalve vergaderden de Classes Over-en Neder-Veluwe in 1612 gecombineerd te Barneveld, alwaar men allen zonder uitzondering, in het Acta boek de besluiten onderteekende, om bij de Ned. Geloofsbelijdenis en Heidelb. Catechismus te blijven. De predikanten die na dien tijd inkwamen, moesten benevens genoemde belijdenisschriften, ook deze besluiten onderteekenen, na opnieuw te zijn geëxamineerd. Dit werd een oorzaak van oneenigheid met de Remonstrantsch gezinde Classes van Tiel en Zalt-Bommel, en zoo heeft het Hof van Gelre te Arnhem het houden van de jaarlijksche Provinciale Synode van 1612 tot 1618 verboden en daadwerkelijk tegengehouden.
De Classicale vergadering duurde gemiddeld drie dagen. In 1594 besloot men, dat voortaan een der broeders de vergadering na opening zou aanvangen met een predikatie. In den beginne werd de tekst ook opgegeven, en zoo werd aan ds. Joh. Luntius van Voorthuizen opgedragen te prediken over Joh. 3 vs. 16 : Alzoo lief heeft God de wereld gehad, enz. Deze prediking geschiedde publiek in de kerk.
Echter maakte men met pastoors en jonge predikanten ook wel uitzondering, en mochten deze de preek houden bij wijze van proefpreek met gesloten deuren. Dit overkwam b.v. de pastoor van Oosterwolde Johannes Nuckius. Soms was die preek lang niet goed en werd de bevestiging uitgesteld, gelijk dat met den predikant van Heerde het geval was.
Men mocht geen kinderen doopen zonder predikatie, en zoo men door de week doopen wilde, kon dit geschieden liefst op Vrijdag, den sterfdag des Heeren. Ook mocht men niet alleen op den Goeden Vrijdag alleen de lijdensgeschiedenis prediken, doch dit moest plaats vinden in alle zeven lijdensweken.
In 1598 worden de predikanten der dorpen vermaand om den Catechismus in te voeren, zoo in de kerk als op de scholen. Op beide plaatsen moet de Catechismus door de jeugd opgezegd worden, en waar dit onderbroken is, als te Harderwijk, moet dit weer hersteld worden. Het blijkt later dat dit voorschrift nauwkeurig Is opgevolgd.
De verandering van standplaats had veel voeten in de aarde. Niet alleen dat de Schout er in betrokken was om den dag der bevestiging te bepalen, of dat de Classis de vacante gemeente verzorgde, of dat het Hof het tractement moest verzekeren, maar ook, en dat veel meer, dat de Classis het vertrek van een predikant moest goedkeuren. Al toonde een predikant genegenheid om te vertrekken, dan beoordeelde de Classis daarvan de wenschelijkheid. Zoo mocht b.v. ds. Voskuyl de gemeente Epe niet verlaten, om zijn beroep naar Steenwijk op te volgen, doch hij stoorde er zich niet aan en vertrok zonder approbatie. Desgelijks ontving ds. Jacobus Medenbach een beroep van Garderen naar Ermelo, hetwelk hij aannam. Zijn vertrek werd goedgevonden omdat die van Garderen hem geen behoorlijk onderhoud verschaften. In 1609 kreeg ds. Ellardus van Mehen een beroep naar Delft, maar de Classis oordeelde, dat hij te Harderwijk blijven moest. Deze predikant was in 1618-'19 onze afgevaardigde te Dordrecht op de Nationale Synode. In 1619 kreeg hij een beroep naar Amsterdam. Genegen daar heen te gaan, vanwege de „roeringe der consciëntie", liet de Classis hem wel vrij, doch smeekte hem te blijven. De Amsterdamsche Commissie verscheen te Harderwijk en er werd apart over vergaderd. Beurtelings werden zij binnengeroepen. De Classis overwoog alles, en oordeelde dat ds. Ellardus behoorde te blijven. De Commissie ging in hooger beroep bij de Prov. Synode en ook deze besloot in denzelfden geest. (Reitsma en v. Veen Acta IV bl. 346— 349). (Wordt vervolgd).)

Vaassen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE REFORMATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's