KERKELIJKE RONDSCHOUW
OVER HET TELEGRAM.
Heel de pers — de groote en de kleine pers — is het eigenlijk hierover eens, dat de Amsterdamsche predikanten, die hun naam gegeven hebben voor het bekende telegram aan den Minister-President dr. H. Colijn, waarin werd aangedrongen om de steunverlaging in te trekken, ontactisch en onverantwoordelijk hebben gehandeld.
Over de steunverlaging was reeds lang door de Regeering, met name door Z.Ex. Slotemaker de Bruine gesproken. Conferenties hadden plaats gehad. Breed was een onderzoek naar alle zijden ingesteld. In de twee Kamers der Staten-Generaal was de zaak besproken. Tenslotte dwong de noodzakelijkheid om tot verlaging over te gaan, waarbij een bepaalde methode gevolgd is geworden en de Kamers hebben het goed gevonden en het is Ingegaan 1 Juli onder de strengste controle der Regeering, die zooveel mogelijk elk geval afzonderlijk wil behandeld zien.
Toen heeft men in Amsterdam de revolutie geproclameerd, om de Regeering, om ons land en ons volk, in den afgrond te helpen. Opstand, muiterij, moord en doodslag was aan de orde. De roode haan wilde men zetten op bruggen en gebouwen. Straten werden opgebroken, lantaarns omvergeworpen, de politie werd gesard.
En toen verzonden een 18-tal Hervormde predikanten van Amsterdam een telegram aan de Regeering : trek de steunverlaging in en verhoog dan maar de belasting !
Had dan de Regeering niet na breed onderzoek, na veel overleg, door noodzaak gedwongen, in samenwerking met de Kamers, gehandeld ?
Was de Regeering wild, woest, wreed, onrechtvaardig opgetreden ?
De 18 Hervormde predikanten deden net, alsof Z.Ex. prof. Slotemaker de Bruine en de Kamers der Staten-Generaal maar ondoordacht, lukraak, hardvochtig en onrechtvaardig hadden gehandeld ; en deden alsof er het zoo gemakkelijk anders had kunnen worden beschikt, dan nu gedaan was.
En dat, waar ieder weet, dat het tegendeel waarheid is.
Zóó kon ieder toch begrijpen, dat geen enkele regeering, en zeker niet déze regeering, aan het verzoek van de 18 Hervormde predikanten van Amsterdam kon voldoen. Geen enkele regeering, die nog eenig zelfrespect heeft en zich ook maar voor 't minst bewust is met ernst de zaken te behartigen, kan aan zoo'n verzoek voldoen. Dan moet zoo'n regéering onherroepelijk wèg gaan. Dan is 't eenige dat zij een verklaring aflegt: wij hebben naar ons beste weten gehandeld — wij kunnen en mogen niet anders — laat dan een andere regeering de dingen maar anders doen.
En dat zou 't zelfde zijn, als arme stumperds, arme gezinnen, hulpbehoevende families overgeven aan de grootste ellende, om ze te doen vallen in handen van menschen, die geen verantwoordelijkheidsgevoel kennen en ons volk en Vaderland naar den afgrond helpen, zonder blikken of blozen.
Dat hadden die 18 Hervormde predikanten moeten voelen, moeten weten, moeten bedenken. En ze hadden de regeering niet in den rug moeten aanvallen, niet een stok tusschen de beenen moeten steken op een van de moeilijkste oogenblikken voor een Minister van Sociale Zaken, die een hóóg plichtsgevoel heeft en ook als Christen zich oefent om gerechtigheid te oefenen met wijs beleid.
Weet men niet, dat 's lands financiën in de grootste moeilijkheden verkeeren ; en straks in nóg grooter moeilijkheden zullen komen?
Weet men het niet, dat de grootste nood aanstaande is, welke nood onze tegenwoordige regeering met de grootste zorgen verwijt ?
De dienaren der Kerk hadden anders behooren op te treden.
Maar dat kan misschien nóg.
Want het is te onnoozel om er lang bij stil te staan, als men zegt, dat degenen die het optreden van de 18 Amsterdamsche predikanten veroordeelen — en dat zijn er niet weinigen — de steunverlaging toejuichen en van oordeel zijn. dat de steuntrekkenden zich maar moeten vergenoegen met de verlaging zonder meer.
Wie zóó redeneert, is er geheel en al naast.
Maar wij willen niet, dat degenen die steun noodig hebben, door onverstandig optreden van dominees vervallen zullen in handen van een regeering, die volk en vaderland naar den afgrond helpen. Daarom willen wij deze regeering steunen en gaat ons gebed voor haar op tot God, om in deze zware en moeilijke tijden wijsheid en sterkte te mogen schenken.
Dan moet de Kerk ook iets anders doen, dan de regeering door een telegram het regeeren onmogelijk maken. Zij moet zich van critiek op regeeringsdaden als deze, waarbij zooveel practische aangelegenheden in het spel zijn, onthouden ; en vooral te midden van revolutiegevaren geen ondoordachte, ontactische onverantwoordelijke dingen uithalen.
Maar — nóg eens — dat is niet het zelfde, als dat we nu de steunverlaging maar mooi en goed moeten vinden, zonder meer. Dat we verder ons van deze dingen maar niets moeten aantrekken en aJles laten zooals het nu is.
Geenszins !
Wat er dan gedaan moet worden door de Kerk?
Door de Kerk moet niet aan het volk de gedachte worden bijgebracht, „de regeering doet jullie onrecht, de regeering is onbarmhartig en meedoogenloos te werk gegaan, en nu moet de regeering haar daad weer ongedaan maken en moet weer terugkeeren van haar dwaalweg, moet haar fout weer herstellen." Als de Kerk zooiets zou doen, zou dat verschrikkelijk zijn.
Maar de Kerk moet aan het volk bijbrengen de gedachte : de omstandigheden zijn buitengewoon moeilijk en de regeering doet wat zij kan. Doch nu is de regeeringssteun voor velen — wat ernstig onderzocht moet worden — niet voldoende. En nu moet de Kerk aan 't werk. Nu moeten de Christenen onderling zich beraden, wat er in dezen te doen is. N u moet kerkelijk. Christelijk hulpbetoon komen. Want vele gezinnen verarmen en hebben gebrek. En als straks de winter komt zal dat niet beter en niet minder worden, maar erger en nog meer benauwend.
En natuurlijk is 't dan niet zoo makkelijk voor de Kerk om dadelijk te weten wat en hoe er hier iets gedaan kan worden. Want elke ondersteuning grijpt dadelijk in den regeeringssteun in.
Maar we hebben nu juist een regeering — we noemen maar weer den naam van prof. Slotemaker de Bruine — waarmee we praten kunnen ; die zelf ook over deze dingen denkt en in deze richting zich ook al min of meer heeft uitgelaten.
Hier heeft de Kerk een taak en een roeping.
En we moeten dat niet afschuiven van ónze schouders op de schouders van de regeering, zoo maar even met een paar woorden in een telegram zeggend : „dan moet Ge de belastingen maar verhoogen en de groote vermogens maar meer aanpakken" (heeft de Kerk recht om deze dingen aan de regeering voor de voeten te werpen ? Heeft de regeering zelve hier niet getoond waarlijk over deze dingen wel met vollen ernst te hebben nagedacht ? )
Neen, de Kerk moet haar vingers thuis houden bij deze dingen (trouwens, het was de Kerk niet die telegrafeerde, 't waren een 18-tal dominees, die het deden) en de Kerk moet liever nu zelve, op eigen terrein blijvend, vragen : „Wat kunnen wij, als Kerk, nu doen om te helpen, waar de regeering niet verder helpen kan? ”
Kan de Kerk hier b.v. iets doen in betrekking tot bepaalde uitgaven die elk gezin heeft ? We noemen : de wekelijksche bijdrage voor de doktersbus, de wekelijksche huur der woning, verschaffen van brandstof, kleeding, of iets dergelijks ?
En kan de Kerk — niet een paar dominees en ook zelfs niet de Hervormde Kerk alléén, maar de Kerken saam — geen overleg plegen met de regeering, dat hetgeen de Kerk b.v. in natura geeft (levensmiddelen, kleeding, vuur, licht of iets dergelijks) niet van den wekelljkschen steun zal worden afgetrokken?
We weten, dat hier moeilijkheden zich zullen voordoen, maar de moeilijkheden zijn er juist om te worden overwonnen.
En het zou heerlijk zijn, als de Kerk van Nederland nu In deze bange tijden iets zou kunnen doen, om de regeering te steunen en om tal van gezinnen, ouden van dagen, maar ook gezinnen met kinderen, te helpen.
Moge dit de vrucht zijn van het telegram. Dan kan uit het kwade nog iets goeds voortkomen, naar den rijkdom van Gods barmhartigheid.
De Kerk moet hier aan 't werk en we moeten saam — alle Kerken saam — naar middelen en wegen zoeken, om te helpen, waar 't noodig en waar 't mogelijk is.
VERWARRING VAN DENKBEELDEN.
Naar aanleiding van de laatst gehouden Classicale Vergaderingen is er door meer dan een geklaagd, dat de besprekingen weinig zaaks hebben opgeleverd, 't Was overal „de dood in den pot." En we zijn 't er roerend mee eens. 't Is ook belachelijk, dat men niets anders doet vanwege de Synode dan piet-peuterig gedoe ter tafel te brengen, verandering van dit artikel en wijziging van dat artikel in de Reglementen en anders niet. En als er soms iets boven het meest kleine gedoe uitgaat, loopt dat weer vast op de belijdenis-kwestie. Men wil niet het voornaamste het eerst ter hand nemen ; 't is maar lijmen en krammen en pappen en meer niet. En zoo gaat de Hervormde Kerk naar den kelder.
’t Is de dood in den pot.
Nu zegt men van moderne en van ethische zijde, dat de Geest ontbreekt. En als de Geest ontbreekt helpt een andere organisatie toch niet. Terwijl, „als de Geest vaardig wordt, deze toch spreken zal, ook al stonden alle Classicale Vergaderingen kerkrechtelijk op den kop." (Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur).
Natuurlijk is en blijft het eerste wat de Kerk noodig heeft, dat de Geest des Heeren vaardig over haar wordt.
Maar het is niets meer of minder dan verwarring van denkbeelden, als men zegt, dat de Classicale Vergaderingen en geheel de kerkelijke organisatie dan wel zoolang „kerkrechtelijk op den kop kunnen blijven staan, " want dat de Geest zich niet laat verhinderen door kerkrechtelijke monsters.
Er is ook nog zooiets als : den Heiligen Geest bedroeven, tegenstaan en uitblusschen.
Als iemand bijna stikt, is het noodig dat de ramen opengedaan worden. En daarmee moet men dan niet te lang wachten. Men moet niet zeggen : „als de levensgeesten er zijn en vaardig worden, komt het wel terecht, ook al blijven de ramen gesloten." Want dan spreekt men woorden van wijsheid en dwaasheid tegelijk. Net zoo goed als wanneer men zegt: „als de dood is ingetreden, geeft het geen zier of men de ramen al open doet.”
Men moest niet zoo geweldig wijs redeneeren, om tot dwaasheid te vervallen.
Men moest liever heel eenvoudig, nuchter, verstandig blijven en doen wat noodig is voor de Kerk, ook voor onze Ned. Hervormde Kerk. Alle filosofie kan dan op stal blijven.
Als de nuchtere, eenvoudige, klare wijsheid maar haar woord wilde spreken. De Heere zegt: „Ken Mij in al uwe wegen en heb vrede." Zouden we dien weg niet zoeken, vooral nu land en volk in zoo grooten nood is ?
Wee, die den Geest Gods tegenstaat, bedroeft, uitbluscht. En dat doen we, ook als Kerk, Indien we weigeren in de wegen des Heeren, die ons in Zijn Woord zijn bekend gemaakt, te wandelen.
OM VAN TE SCHRIKKEN.
De Regeering heeft een wetsontwerp ingediend daartoe strekkende, om de onderwijzeres, die in het huwelijk treedt, te ontslaan. Men wenscht het niet te bevorderen, dat de gehuwde vrouw als onderwijzeres voor de klas staat; zij behoort in het gezin te leven en niet in de school te werken. Dubbele inkomens zijn bovendien niet aanbevelenswaardig, vooral in den tegenwoordigen tijd niet, nu er zooveel jonge onderwijskrachten zijn, die geen plaats kunnen krijgen.
Natuurlijk zijn er menschen, die de daad van de Regeering afkeuren. Er zijn er, die zeggen : menschen die hun leven op een dubbel inkomen hebben ingericht of willen inrichten, mag men dat niet verhinderen !
Maar erger wordt het als men gaat redeneeren, zooals er waarlijk onder de Kamerleden gevonden worden, blijkens het „Voorloopig Verslag", dat op de indiening van het wetsontwerp gevolgd is en waarop nu de Minister zal hebben te antwoorden.
Volgens dat „Voorloopig Verslag" hebben „eenige leden" het voorstel bestreden met dit argument : dat deze maatregel er toe zou kunnen leiden, dat de onderwijzeres, die wil gaan trouwen, in concubinaat gaat leven.”
Openlijk wordt het dus uitgesproken, dat vele onderwijzeressen daar niet tegen op zullen zien, om dan maar „ongehuwd" toch als „getrouwde menschen" met elkaar te gaan saam leven ! Ja, sommige Kamerleden gaan nog verder in hun veronderstellingen en zeggen : dat, als de wet ook op de reeds gehuwde onderwijzeressen toepasselijk mocht worden gemaakt, of als de gehuwde onderwijzeres naar een andere plaats wil solliciteeren, gefingeerde scheiding er het gevolg van zou zijn.”
Hier wordt het dus openlijk door „eenige Kamerleden" uitgesproken, dat onderwijzeressen, die geroepen zijn de jeugd te onderwijzen en op te voeden en voor een groot gedeelte de taak der ouders ten opzichte van de kinderen over te nemen, tot zulke lage en gemeene dingen in staat worden geacht. Ongehuwd gaat men rustig samen hokken, en gehuwd zijnde, laat men zich scheiden (gefingeerde scheiding), om dan toch verder saam te leven als te voren — alles om een betrekking als onderwijzeres te kunnen verkrijgen of te kunnen behouden.
Zouden we reeds zóó ver zijn in het midden van 't Nederlandsche volk, dat deze dingen heel gewoon worden geacht en dat men zich niet meer ergert aan zulke schandelijke levensverhoudingen ?
Prof. Wagenaar zegt in „Ev. Zondagsblad" dat het is „om van te schrikken", en wij zeggen het hem van harte na.
„Zijn we” — zoo vraagt hij — „zijn we zóó ver heen, dat dergelijke dingen al geen aanstoot meer geven, dat ze gewoon worden geaccepteerd, omdat ze bij een deel van het volk gebruikelijk zijn geworden ? Maar dan vraag ik : wordt het niet hoog tijd nauwkeuriger toe te zien aan wie wij de opvoeding van onze kinderen toevertrouwen ?
En verder : „Het is nu wel een tijd om er voor te waken, dat de oude palen niet verzet worden, die de Vaderen gemaakt hebben.”
„Mij dunkt, daar moest uit de onderwijswereld een vlammend protest komen tegen dergelijke insinuaties of tegen hen, die aan dergelijke beleedigende onderstellingen grond geven. Ook hier geldt het: als het zout smakeloos is, waarmede zal het gezouten worden ?
Wij kunnen in dezen met prof. Wagenaar hartelijk instemmen.
Alleen vreezen we, dat het vlammend protest uit de onderwijswereld wel zal uitblijven, omdat er veel te veel grond gegeven wordt voor hetgeen hier verondersteld wordt.
En dat is juist het vreeselijke van heel deze geschiedenis.
’t Is „om van te schrikken.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's