GRETSKE „DE FREULE"
EEN LEVENSTRAGEDIE
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
ZWARTE KA.
Het werd een prachtavond, zooals dat wezen kan na een zoelen zomerdag. Als de zon, gelijk een groote vuurbol in het Westen is neergezonken, om over eenige uren in het Oosten aan den helderen hemel te verrijzen, uitgaande als een sieraad uit hare slaapkamer om als een held het pad te loopen. Eigenlijk was om dezen tijd de dag bijna niet van den hemel en raakte dé avond aan den morgenstond. Slechts een matte schemering in het diepe nachtelijke uur, waarop al weer heel spoedig de eerste lichtstrepen van oen komenden dageraad zichtbaar werden.
Nu de groote hitte van den dag was afgetrokken, kwamen de menschen naar buiten om rustig te genieten van het vredig avonduur. Overal zag men ze in groepjes bijeen de buren, die elkander de nieuwtjes van den dag vertelden, of de huishoudelijke zaken met elkander gingen Bespreken, wijl de kleine kinderen naar bed waren en de grootere, half gekleed, nog een weinig ravotten, of met den hengel een vischje zochten te verschalken.
Ook op Lombok hetzelfde tooneel. Gewoonlijk was men hier 's avonds nooit vroeg en zocht men, als dit slechts om de weersgesteldheid kon, altijd zijn heil buiten de deur, maar vooral om dezen tijd van 't jaar, als het daar binnen zoo benauwd was en de gezelligheid daar buiten niet ontbrak.
Dien eigen middag waren een paar woonwagens aangekomen, — de eene met een groot waarorgel, waarbij het piepend en krakend instrument van het Sabelbeen wegviel, de andere met eenige straat-acrobaten, die tegen een aantal centen op het kleed hun krachttoeren of behendige goochelstukjes uitvoerden, tot niet geringe verbazing van het kijkgrage publiek en vooral van de jeugd. Voor een deel waren het oude bekenden, voor een deel nieuwe persoonlijkheden op Lombok, zoodat er heel wat te zien en te hooren en te vertellen viel. Geen wonder dus, dat niemand op het appèl ontbrak, anders niet dan natuurlijk „de freule", zooals spottend door de Scheele werd opgemerkt, en ditmaal ook Ka.
In den morgen was de dokter even op de fiets aan komen rijden en had een vluchtig onderzoek ingesteld. Nog al wat koorts en benauwdheid op de borst. Zuiver was het daar binnen niet. Hoe of zij aan die hoofdwond gekomen was ? Maar daar wist Ka niets van. Ze begreep van alles niets. Wie die vreemde heer was, en wat hij hier deed ? Zij wist alleen dat zij dorst had, en dan die vermoeidheid. O, zij was zoo moê ! Toen had hij vlug een recept geschreven en op tafel gelegd, — een der buurtjes zou het wel vinden om er dan even meê naar den armmeester te gaan en het daar te doen afstempelen en dan naar den apotheker te brengen. Maar van dat alles hoorde Ka niets. Wèg was hij al weer, even vlug als hij gekomen was, om elders weer hetzelfde werk bij een ander te doen.
Daarop is Trui gekomen, om met dat papiertje te verdwijnen, en overal aan elk die het weten wilde, te vertellen, dat oude Ka zoo ziek was en de arme sloof zoo'n behoefte aan iets verkwikkends, bijv. iets hartigs had, een stukje vleesch, of een bordje soep, of een brokje zoetemelksche kaas. Zij wilde het wel even voor de stakkerd halen.
Een enkele maal is zij daarop nog eens naar haar gaan kijken, om te vragen of zij ook iets voor haar doen kon, of ergens behoefte aan was. Maar toen daarop die mooie avond kwam met zijn verfrisschende koelte, terwijl uit de omliggende velden heerlijke geuren opstegen en de vogels in de hooge elken of de oude iepen hun avondlied zongen, wilde niemand van de buurt dit avondgenot missen, en was oude Ka, althans een paar uren, uit aller gedachten.
Toen was het dat Gretske aan het verzoek van den armmeester dien morgen, en aan haar eigen voornemen, uitvoering gaf.
Zonder dat de anderen het merkten, die lachend en giegelend en zwetsend om de wagens der nieuw aangekomenen stonden of zaten, om naar hunne kwinkslagen te luisteren, sloot Gretske hare deur, om even voorzichtig die van Ka, welke op een kier stond, binnen te gaan. In hare hand droeg zij een trekpot met melk.
’t Was donker in het vertrek, waar een onaangename geur hing. Voorzichtig schoof zij het gescheurde gordijn, hetwelk voor de bedstede hing, op zij, en daar lag Ka, bijna nog gelijk als toen in het morgenuur Trui en de Scheele haar gezien hadden, alleen het gelaat nog meer ingezonken en de ademhaling moeilijker.
„Hoe is 't, buurvrouw ? ”
Met deze vraag zocht Gretske haar te doen weten dat zij er was. Langzaam openden zich de oogen en zochten haar te zien.
„Is 't Gretske ? " vroeg een klagende stem.
„Ja ; ben je ook wat beter ? ”
„’k Weet niet; 'k ben zoo ziek en zoo moe.”
„’k Heb hier wat warme melk voor je ; heb je daar trek in ? ”
En zonder het antwoord af te wachten, schonk zij haar een weinig van den drank, dien voor Gretske de eenigste verkwikking was, wanneer zij bij uitzondering eens van den regel afweek en geen koffie of thee wenschte na afgelegde dagtaak. Toen moest Ka eens probeeren in zittende houding te komen. Zie zoo. Nu het kussen tegen den rug voor steun, en nu maar eens gedronken.
„Smaakt het je ? ”
„Niet lekker.”
’t Volgend oogenblik vertoonden zich verschijnselen, dat de kranke weer even spoedig wilde terug geven, wat zij ontvangen had.
„’t Komt van die poeders", klaagde zij. „'t Is alsof ik een storm in mijn hoofd heb." En een weinig later : „Waarom speelt het Sabelbeen ieder keer ? ”
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's