De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

EEN MOEDGEVENDE BELOFTE.

6 minuten leestijd

Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste. Openb. 1 vers 11a.

Dit woord verplaatst ons in den geest naar het eiland Patmos, waarheen de apostel Johannes verbannen was om het Woord Gods en de getuigenis van Jezus Christus. Daar kon hij zingen : „Eenzaam ben ik en verschoven, ja, de ellende drukt mij neer." Maar daar mocht hij het ook ervaren, dat God Zijn lieve volk vertroost in ellende en druk.
Daar toch ontvangt hij een majesteitelijke verschijning.
Hij wordt verwaardigd zijn Borg en Middelaar te zien in Zijn hemelsche glorie. Hij mag Christus aanschouwen in Zijn Priester-Koninklijke heerlijkheid. Zijn lichaam, eens bedekt met het heilig verzoeningsbloed, was thans omhangen met een lang kleed ; de borst, waarin een Middelaarshart voor Zijn arme volk klopt, was omgord met een gouden gordel; Zijn hoofdhaar, eenmaal bedauwd met Zijn bloed, veroorzaakt door de scherpe doornenkroon, was gelijk witte wol, gelijk sneeuw; Zijn oogen, eens parelend van borgtochtelijke tranen, schoten nu als vuurvlammen uit; Zijn voeten, voorheen gehavend en wreed doornageld, waren blinkend koper gelijk, gereed om Zijn vijanden te vertreden.
En dat niet alleen Johannes hoort den verheerlijkten Zaligmaker ook spreken in het woord, dat hierboven staat: „Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste.”
Onder welk een heerlijk schoonen naam doet de Heere zich hier aan Johannes en in hem aan Zijn gansche duur gekochte bruidskerk kennen : „De Alfa en de Omega, de eerste en de laatste.”
Het wil zeggen, dat Hij de eerste en de laatste is in het genadeleven. Dat genadeleven vindt in Hem zijn oorsprong, het wordt door Hem in stand gehouden. Gods kind, dat het leven deelachtig is, heeft er zelf niets aan toegebracht.
O, hoe kwam het tot het eerste gezicht van eigen zondeschuld; van de breuke tusschen God en de ziel ? Vanwaar het eerste gezicht op de oorzaak der breuke, n.l. onze ongerechtigheden ? Vanwaar dat eerste gevoel van onvrede, van onrust ? Wie wekte de droefheid over de zonde en de smart over dien jammerstaat ? Wie wrocht de eerste schuldbelijdenis en de eerste bede om genade ? Wie was het, die Gods kind het eerste gezicht op den schuldovernemenden Borg gaf ? Vanwaar die eerste straal der hope in de ziel, dat er nog mogelijkheid van redding was ?
Was het niet door Hem, die zich hier aan Johannes openbaart als de Alfa en de Omega ?
Ja, ook de Omega ! De laatste !
Die voleindigen zal, wat Hij begon, opdat Zijn naam. Zijn werk. Zijn roem schittere. Nimmer laat Hij varen het werk Zijner handen. Wat Hij zaait, doet Hij opwassen; wat Hij plant, doet Hij groeien. Wat is dat een troostvolle gedachte voor het hart, dat zijn eigen onbetrouwbaarheid bij den dag meer leert kennen !
Wat een moedgevende gedachte voor u, kind des Heeren, die, ziende op uzelf, menigmaal moet zeggen : „O, hoe zal ik er nog ooit komen !" Wat brengt gij er van terecht ? Niets. Wat is uw wandelen op 's Heeren wegen; uw dienen van God ; uw liefhebben van Hem ? Wat is uw geloof ; uw trouw ?
Moet niet alles u veroordeelen ? Erkent gij niet bij pijnlijke ervaring: „Ik ben, o, Heere, tot hinken en tot zinken ieder oogenblik gereed." „Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont." „Hetgeen ik wil, dat doe ik niet, en hetgeen ik niet wil, dat doe ik." Neen, het is geen wonder, dat gij meer dan eens moedeloos neerzinkt.
Welnu, lees nu eens' rustig, wat Christus hier van Zichzelf getuigt en vraag ootmoedig den Heere, om het ook voor u geloovig te aanvaarden. „Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste.”
De Heere zorgt voor Zijn eigen werk. De zaligheid van Gods volk en de zekerheid daarvan ligt niet aan hun vasthouden van den Heere, maar aan Zijn vasthouden van hen. Het is In Zijn koninklijke Middelaarshand veilig bewaard. In Zijn naam, waarmede Hij zich hier aan Zijn dienstknecht openbaart, ligt de waarborg, dat hunne zaak zeker is. Wel moeten zij worstelen. Heel het leven der genade en der heiligmaking is een gedurige worsteling, maar de eindoverwinning is zeker, want die de Alfa is, is ook de Omega.
In verwerving en toepassing der zaligheid is Hij de Eerste, dan zal Hij ook de Laatste zijn, de Voleinder.
Hij oorzaak en doel, o Sioniet, van uw geestelijk leven.
Daarom is ook de dood niet het laatste voor u, maar straks bij den uitgang van uw levenstijd staat de Omega om u op eeuwige armen te dragen in het Vaderhuis', waar al Gods lieve kinderen vergaderd worden aan het Avondmaal van de bruiloft des Lams !
Zalig uitzicht! Dan zal het u een eeuwige verwondering baren, dat zoo'n wegbederver als gij zijt, het Vaderhuis zijt binnengekomen, maar dan zult gij ook tot lof en prijs van den Drieeenige met alle uitverkorenen zingen :
»Het is door U, door IJ alleen. Om 't eeuwig welbehagen !«
» Mijn lezer, wat is uw uitzicht ?
Geef eens rekenschap van de hope, die in u is. Mocht gij alle valsche verwachting eens laten varen. Weet het, wat Christus niet is, beschaamt. In den oordeelsdag zal niet gevraagd worden naar uw werk. Gij zult het niet kunnen toonen. want het is niet vol bevonden voor God. Straks in den oordeelsdag zal alleen gevraagd worden naar Christus en diens borggerechtigheid.
Daarom, onvernieuwde mensch, God make u door Zijn Woord en Geest eens onrustig over uw staat; Hij doe u eens zien, welk jammerlot u wacht in de plaats der buitenste duisternis, als gij onbekeerd sterft; Hij make u van een zoogenaamd gelukkig, eens een ongelukkig mensch en doe u bij Christus zoeken, wat alleen waren vrede en troost schenkt.
En als gij zucht onder uw zondelast, moet gij met heilige jaloerschheid uitroepen : „Wat is dat volk van God gelukkig, het is met God verzoend, naar Zijn beeld hersteld." Is het heil van dat gunstvolk u meer waard dan alle genietingen dezer wereld, weet het dan : de Heere kent ze, wier ziele kleeft aan het stof. Hij, die de Alfa is, is ook de Omega ! Hij zal Zijn hand tot de kleinen wenden. Hij begint, maar zet ook voort en voltooit.
Laat uw verzuchting maar ten hemel rijzen:
»Verlaat niet, wat Uw hand begon,
O, Levensbron, Wil bijstand zenden !«
Groot-Ammers.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's