De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

14 minuten leestijd

Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet. Mattheüs 25 vers 6b.

DE WEDERKOMST DES HEEREN.
Het leerstuk van de Wederkomst des Heeren bekleedt niet die plaats in het leven der Christengemeente onzer dagen, waar het in werkelijkheid recht op heeft. Zoo goed als geen invloed gaat er van uit op het leven en denken van de Christenen van onzen tijd. Wel vinden wij in de buitenkerkelijke secten en stroomingen de teekenen der tijden in den breede besproken. Het is echter veelal niet een vrucht van het geloofsleven, maar een stuk wereldbeschouwing, het zij dan een Christelijke.Het is een theorie, die men aanhangt, maar in de practijk der godzaligheid treedt zij geheel op den achtergrond.
Dat dit zoo is, blijkt wel uit het feit dat de teekenen der tijden meer in het middelpunt staan dan de komst van den Zoon des menschen zelf.
Hoe anders was dit in de eerste Christengemeente. Paulus raakt in geestdrift, als hij beschrijft den dag, den grooten dag der wederkomst van onzen Heere Jezus Christus, de komst van den Bruidegom. Hij spreekt over haar als een dag van vreugde, als de kroon des Roems van den Koning der koningen. Dit is een levend geloof, gegrond in het geloof in de redding van zijn ziel door den algenoegzamen Zaligmaker.
De Heidelbergsche Catechismus, ons dit levend geloof vertolkende in Zondag 19, vraagt: „Wat troost u de wederkomst des Heeren ? ”
En het antwoord luidt: „Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde „even Denzelfde, Die Zich te voren om mijnent-„wille voor Gods gericht gesteld en al den vloek „van mij weggenomen heeft, tot eenen Rechte*" „uit den hemel verwachte, Die al Zijne en mijne „vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, „maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de „hemelsche blijdschap en heerlijkheid nemen zal”
Dus kortom : De wetenschap verlost te zijn door het bloed des kruises van Golgotha, geeft een tweede wetenschap : gerechtvaardigd te worden in het oordeel bij Zijn komst op de wolken des hemels. En nu mag de ziel daaruit dien troost smaken en die verwachting koesteren, dat hij met alle uitverkorenen de hemelsche blijdschap en heerlijkheid ontvangen zal.
Dit is een levend geloof, haar bron vindende in de verkiezing der genade.
In dit licht moet ook ons tekstwoord verklaard worden : „Ziet, de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet.”

I. Ziet, de Bruidegom komt.
In de gelijkenis van de vijf wijze en vijf dwaze maagden worden wij gevoerd naar een dorpsbruiloft, zooals er vele in Palestina voorkwamen. Aan den avond van den feestdag verlaat de bruidegom met zijn vrienden zijn woning en begeeft zich, meestal te paard, naar het huis van de bruid, om haar heen te leiden naar den kostelijken bruiloftsmaaltijd. De vriendinnen van de bruid zijn vol verwachting uitziende naar zijne komst. Bij het fakkellicht, dat het donker van den avondhemel verlicht, wachten en waken zij om in te gaan en om te deelen in het feestelijk eerbetoon ter eere van den bruidegom. Zoodra de stilte van den nacht verbroken wordt door het geroep : „Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet", staan zij op en mengen zich in het feestlied en gaan achter hem de feestzaal binnen.
Christus is de Bruidegom, die in den dag der dagen Zijn Bruidskerk komt leiden als een maagdenstoet in Zijn kostelijk paleis, om hun den eeuwigen bruiloftsmaaltijd des Lams voor te zetten.
In dien dag des oordeels treedt Hij naar voren, niet als de Rechter die hen voor eeuwig veroordeelt en verstoot van voor Zijn aangezicht, maar als de liefhebbende Bruidegom, die Zijn Bruid omgeeft met de kostelijke nardusolie van Zijne deugden in liefde en barmhartigheid.
Hij, die in hun leven den Trooster, den Heiligen Geest, als een kostelijk genadegeschenk had geschonken, komt hen nu den eeuwigen troost als een nog grooter gave Gods aan te bieden.
Een eeuwige band der gemeenschap is nu zoo hecht gesmeed, dat zij nooit en te nimmer verbroken zal kunnen worden.
Deze Bruidegom spreekt in het heden aldus tot Zijn Bruid : „Ik zal u geen weezen laten, ik kom weder tot u, gij kunt nu wel bedroefd zijn, maar nog een kleinen tijd en ik zal u tot mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar ik ben.”
Welk een liefde ! Welk een zondaarsliefde! spreekt uit dien gezegenden mond van den Zaligmaker. Een volk, dat het altijd bederft en altijd weder verzondigt, vindt genade door Christus Jezus bij den rechterstoel Gods.
Ziende op dat groote wonder van ontferming, kan de dag van 's Heeren wederkomst voor Gods Kerk geen dag van smart, geen dag van rouw zijn, maar moet een dag van vreugde en lofgeschal zijn ter eere van het Lam van Golgotha.
Zonder te vergeten dat zij in dit tijdelijk leven een roeping te vervullen heeft, namelijk om getuige te zijn van den Naam des Heeren, zoo is het de Kerk Gods toch wel eens vergund uit te zien naar dien grooten dag, in blijde verwachting roepende : „Kom haastelijk, Heere Jezus, ja kom." En als zij in dit geloof staan mag, dan is ook haar vreugderoep te midden dezer wereld van zonde en ongerechtigheid, te midden van deze wereld van strijd en lijden, elkander versterkende en vertroostende: „Ziet, de Bruidegom komt!" Dit is zeker en gewis. Er is geen twijfel mogelijk. De Heere is een waarmaker van Zijn Woord. Wat Hij belooft, zal Hij ook doen. Hij zal Zijn Kerk verlossen van zonde en ongerechtigheid en In het oordeel vrijspreken en eens opnemen in heerlijkheid.
»Laat al de stroomen vrooiijk zingen. De handen klappen naar omhoog; 't Gebergte, vol van vreugde, springen En hupp'len voor des Heeren oog ; Hij komt. Hij komt om d' aard te richten De wereld in gerechtigheid. Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten, Wordt in rechtmatigheid geleid.«
Maar waaraan weten wij, dat de komst des Heeren nabij is ? De Heere wil toch niet, dat dit geheel en al verborgen blijft ?
Een preciese bepaling zal door geen menschenkind ooit te geven zijn. De Heere Jezus spreekt zelf van „een dief in den nacht", „van den bliksem, die uitgaat van het Oosten en schijnt tot het Westen.”
Zoo onverwachts, zoo ongedacht, zoo snel zal de toekomst van den Zoon des menschen zijn.
Toch is deze verborgenheid niet geheel toegesloten. Evenals het gerommel van den donder en het bliksemvuur ons aankondigen een naderend onweder, zoo heeft de Heere ons teekenen gegeven, teekenen der tijden, die ons Zijn komst voorspellen.
Het zijn de voetstappen van den Zoon des menschen, die ons zeggen : Hij nadert al dichter en dichter bij om Zijn Rechterstoel te beklimmen en te oordeelen de levenden en de dooden.
Deze teekenen der tijden zijn in de allereerste plaats : De groote afval. „Er zullen optreden valsche profeten, die het volk verleiden. Velen zullen komen onder Mijnen Naam, zeggende : Ik ben de Christus.”
Wij behoeven niet ver rond te zien om te weten dat de grootste crisis, die de wereld en ook ons land getroffen heeft, niet is de economische moeilijkheden, waaronder velen gebukt gaan.
Het is vooral de afval van God, zich uitende in een zedelijk verval, in een anti-kerkelijke strooming, in een revolutiegeest, die zich keert tegen de Overheid, van Godswege geroepen haar gezag uit te oefenen bij de gratie Gods. Het zou ons te ver voeren dit zedelijk verval te ontleden en in al haar uitingen u voor oogen te stellen, maar dit zij u duidelijk, dat dit verval ons allen, ook kerkelijke godsdienstige menschen betreft, die wij betitelen met den naam van medechristenen.
Een tweede teeken des tijds: Oorlogen en geruchten van oorlogen. De voorspelling zegt ons : Het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan en het ééne koninkrijk tegen het andere koninkrijk.”
Ook dit is toepasselijk op het wereldgebeuren van onzen tijd.
Een oorlogsstemming heeft zich meester gemaakt van alle volken. Een wedijver van bewapening vinden wij bij volken, die het hardste roepen van vrede. Al de vredespogingen moesten mislukken, omdat het weder duidelijk is gebleken, dat de mensch boos is en een hater van zijn naaste. Mussolini, één der grootste Staatshoofden van deze eeuw, kenschetste den geest der volken met de vreeselijke woorden : De oorlog maakt pas den man. Eén vonk is slechts noodig om het buskruit, waarmede de wereldhemel gevuld is, te doen ontbranden.
Wij staan voor een donkere toekomst, die ons met bezorgdheid doet staren op het kroost, ons geschonken. De werktuigen, uitgevonden tot vernietiging der menschheid, zijn door den satan den mensch geleerd.
Gods Kerk vreeze echter niet, want ook dit teeken des tijds zegt haar : Ziet, de Bruidegom komt.. En al deze dingen moeten geschieden, naar den heiligen Raad des Heeren ook tot voordeel van Gods Kerk. De Palm moet groeien onder den druk en dan kan zij zingen :
»In de grootste smarten, Blijven onze harten In den Heer' gerust.«
De Raad van Christus zelf is dan ook deze : „Ziet toe, wordt niet verschrikt.”
Nog meerdere teekenen der tijden komen openbaar. Er zullen zijn hongersnooden, pestilentiën en aardbevingen in verscheidene plaatsen. Doch al die dingen zijn een beginsel der smarten.
De Kerk des Heeren gaat echter een bijzonderen drukweg tegemoet. De geloofsvervolgingen zullen als nooit te voren ooit geschied is, in hevigheid ontbranden. Het geloof zal beproefd worden. De marteldood zal veler deel zijn. Het geloof zal echter des te heerlijker uitblinken in deze dagen van loutering. In Rusland en in Duitschland gaat de Kerk des Heeren gebukt onder een zwaar juk. De marteldood is door velen ondergaan, staande in een verzekerd geloof. Het bloed der martelaren blijkt ook: daar te zijn het zaad der Kerk. God werkt er door Zijn onwederstandelijken Geest tot zaligheid. Het is geen verkeerd pessimisme, waardoor wij ons in deze overdenking van Gods Woord lieten leiden. Het is de Schrift zelf, die ons deze woorden in den mond legde, en daarom zij u geen toekomst geteekend, waar de schoonste rozen uw levenspad bedekken zullen, maar zij u de werkelijkheid geteekend in haar onloochenbare ontwikkeling der feiten.
Op één ding zij nog de nadruk gelegd. De Heere zal in genade nederblikken op Zijn Kerk. Hij belooft, dat Hij om der uitverkorenentwille deze vreeselijke dagen verkorten zal. Dit zij dan ook de troost voor al Gods kinderen. Hij zal hen wel doen lijden, maar met mate.
II. Ziet, de Bruidegom komt: Gaat uit Hem tegemoet.
De gelijkenis zegt ons, hoe de duistere avondhemel verlicht wordt door de fakkels van de vijf wijze en vijf dwaze maagden. Deze tien zijn allen uitgegaan, wachtende zonder uitzondering, starende in het donker en elkander vragende : Zou Hij nog niet komen ? Daarnaast wil ik u voeren in de plaats uwer inwoning op den rustdag in het huis des Heeren. Het plechtig klokgelui is verstomd en de kerkgangers zijn ieder, klein en groot, op hun plaats teneder gezeten. De leeraar staat gereed den zegen op de gemeente neder te leggen. Terwijl ik dit aanschouw, zie ik den maagdenstoet in uw kerkgebouw, mijn lezer, en ik zie u ook daar te midden van terneder zitten. Er is ook een uitgaan uit uw wereldsche leven, een losmaken van banden der aarde.
Gij zijt allen één in het luisteren naar het woord van den leeraar.
Eén in het nederzitten, schouder aan schouder.
Eén in het psalmen zingen tot Gods eer.
Eén in het handen vouwen en in het oogen sluiten.
Eén in een ootmoedig smeekgebed tot God. Allen gaan uit om iets mede te nemen van den akker, waar de oogst rijp is. Dit is de uitwendige aanblik. Doch er is een zichtbare Kerk en een onzichtbare Kerk. Er is een dooplid-zijn, een belijdend-lid zijn. Daartegenover staat een levend lid zijn van de ééne Algemeene Christelijke Kerk.
En nu zie ik onder die kerkgangers een scheiding komen. Er zijn wijze en dwaze maagden onder. Ook dit is voorzegd : „Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden.”
„Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ééne zal aangenomen en de andere zal verlaten worden.”
Onderzoekt u eens, mijn lezer, hoe het met u staat, of uw uitgaan slechts is een vorm, den Bruidegom tegemoet, of dat het in werkelijkheid een uitgaan des harten is.
De dwaze maagden stelden zich tevreden met de lampen, namen geen olie met zich. Aldus doen ook de geestelijk dwazen. Zij zijn tevreden met een Gereformeerden leeraar, met een Gereformeerde preek. Zij zijn tevreden met zichzelf, als trouwe kerkgangers of als belijdende leden. Maar wat hebt ge aan zilveren of koperen schalen, als er de olie der goddelijke levenskracht aan ontbreekt ? Zij namen geen olie met zich, zoo staat er, maar de wijze namen olie in hare vaten met hare lampen. Bij de wijzen kwam het aan op de olie. Zij verwachten het van genade alleen. Zij verwachten het van de goddelijke levenskracht. De gerechtigheid van Christus is een beter kleed als de zelfgemaakte rokken van de eigengerechtigheid.
Dwaas is de handelsman, die een zaak wil beginnen zonder geld; alzoo dwaas is de mensch, die meent zelf zijn zaligheid te kunnen verwerven.
III. Ziet, de Bruidegom komt : Gaat uit Hem tegemoet.
In den bevelenden woord uitgesproken.
Waarom dat zoo ? Om de lakschheid van den mensch. Er staat: „Als nu de bruidegom vertoefde, zoo werden zij allen sluimerig en vielen in slaap.”
In een blijde opgewektheid en jubelzang zijn allen uitgegaan. Wachten duurt lang, en het verwekt slaperigheid.
Zoo staat ook hier. Allen vielen in slaap, in een geestelijken slaap. Het is juist ook in onze dagen, dat wij klagen dat er geen getuigenis uitgaat van de Kerk des Heeren. Zij ligt verdeeld en verbrokkeld.
Van de wereld kan geen getuigenis uitgaan, maar voor de Kerk des Heeren ligt dit als een plicht op haar. In ons, godsdienstig Nederland zien wij aan de ééne zijde de verwereldlijking, aan de andere zijde de jammerlijke verdeeldheid. Het mag niet gaan ten koste van de Waarheid Gods, dat wij éénheid zoeken. En toch, in den hemel zal het openbaar Worden, dat er maar één geloof, één hoop, één Zaligmaker, één Kerk is. De Heere heeft ook dit voorspeld. „In het laatste der dagen zal de liefde verkouden.”
En zoo is er een zwijgen, waar er een spreken moest zijn, en een spreken, waar er een zwijgen moest zijn. De Kerk spreke ééne taal. Op Gods bevel moeten zij getuigen van Zijn Naam, en zij moet zwijgen, waar het eigen ik op den troon wil zitten in eigen hart.
Doch eens zal al het menschelijk zondige op de aarde worden achtergelaten, dan gaan zij in in de vreugde des Heeren. Als de roepstem gehoord wordt: Gaat uit Hem tegemoet, dan zullen de wijzen hun lampen nog kunnen vullen met de olie der kruiken. En zij zullen ingaan achter den Bruidegom, aangegord met de kracht uit de hoogte. Maar de dwazen zullen niet binnen kunnen gaan ; immers hun lampen zijn uit. Hun belijdenis, hun godsdienstig meeleven, is op dit oogenblik als een stroovuur vergaan. Het was geen waar geloof, alleen een bewogenheid des harten en geen hartgrondige bekeering.
En nu is het te laat: de wijzen kunnen hen niet helpen, de verkoopers evenmin, want intusschen gaat de deur toe en zij zijn voor eeuwig buitengesloten. Het sterfbed van menigeen zegt ons, hoe tot het laatste oogenblik uitgesteld wordt, en dan zou men den Heere wel willen zoeken, maar men kan Hem niet vinden. Noch Christen, noch leeraar kan hem de zaligheid geven. En zonder olie kunnen zij niet binnengaan. Dit is onmogelijk.
Mijn lezer. De wederkomst des Heeren bracht ons bij onzer ziele zaligheid.
Wordt eens uit uw sluimerigheid wakker. De wereld, waarop wij leven, is als een krater, die elk oogenblik haar vloeiende lava over hare wanden dreigt heen te storten.
Zoo is het voor een, die Chiristus niet kent, ook. Elk oogenblik kan het ook tot u gezegd worden : „Voorwaar zeg Ik u, Ik heb u nooit gekend." En dan zult gij roepen : Heere, Heere, doe ons open, maar het te laat, de deur is gesloten, is dan een voldongen feit geworden.
Waakt dan, het is nog niet te laat.
De Heere klopt aan uw hart met kracht. Vol teed're zondaarsmin. Hij roept: Ik heb reeds lang gewacht. Laat gij Mij eindlijk in.
En voor u, kinderen Gods: de klok der eeuwigheid gaat door; wellicht is het de 9e, 10e of 11e ure, dichtbij middernacht.
Hoort de roepstem : de Bruidegom komt. De Heere heeft het zelf voorzegd. Het einde is nabij. Uw roeping is nu : „Gaat uit. Hem tegemoet!" Spreekt over Hem, getuigt van Hem, die uw ziele liefheeft. En ziet, dat de tak van den vijgeboom teeder wordt en de zomer nabij is.
Gij zult eens hooren mogen uit den mond van Christus uw Koning Zelf, bij Zijn wederkomst, de gezegende woorden: „Komt, gij gezegenden Mijns Vaders ! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.
Amen.

Veenendaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1934

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's