WAT DE PERS ER VAN ZEGT
In één van zyn „Brieven zonder adres" schreef de heer J. Hollander eens het volgende : »Ergens las ik, dat de Satan onder zyn knechten er vier heeft, die vooral veel kwaad doen aan jonge menschen.
De eerste heet: „daar is geen gevaar."
Ja, dien vyand kennen ook de ouderen wel. Wie op den smallen weg wenscht te wandelen, moet goed uitzien, de oogen en de ooren goed open hebben en zyn geestelyke zintuigen oefenen. Die moet z'n vyanden niet te klein en te gering achten, want juist als hy meent, daar is geen gevaar, dan is het dikwyls heel dicht by.
Er is juist altyd gevaar. Gevaar van buiten niet alleen, maar ook van binnen. Wy moeten goed op de signalen langs den weg letten.
Daarom is voor jonge (en ook voor oudere !) menschen zoo goed het biddend onderzoek der Schrift. Daarin liggen alle gevaren aangewezen, daarin staat ook zoo duidelyk en klaar, dat er voor wien op den smallen weg wenscht te wandelen, nooit een moment is, waarop hij kan zeggen, daar is geen gevaar. Wie dat telkens weer zegt, toont daardoor een schromelijk gebrek aan zelfkennis en ook, dat hy de bezwaren van den weg niet kent. De weg naar den hemel is geen glybaan, men gaat maar niet makkelijk zitten en komt er vanzelf. Neen, die weg is er een van stryd en moeite, niet zoo nu en dan eens, maar eiken dag weer.
Daarom is die mynheer : daar is geen gevaar, een eigen dienaar van satan, die gemeden moet worden, al is z'n gezicht nog zoo vriendelyk en al zyn z'n manieren nog zoo innemend. Houdt hem buiten uw huis, want als hy er eenmaal in is, hebt ge hem er nog niet weer uit en zal hy alle mogelyke moeite doen, om u onder de bekoring van zyn schoon-schynende drogredenen te houden.
De tweede knecht van Satan, die vooral aan jonge menschen veel kwaad doet, heet: alleen maar eens.
Wat hindert dat nu : eens één keer ? Daar zal een mensch toch niets van krygen, zoo eens even één keer kyken, zoo eens even één keer proeven, zoo eens even één keer „genieten". Is dat nu zoo erg?
Eens één keer gaan daar, waar men zelf voelt niet te hooren. Een keer te doen, wat men zelf weet niet te mogen doen. Altyd zoo nauw leven is toch niet noodig ? Satan kent ons wel en stuurt dien mynheer: „alleen maar eens", op ons af, en wy vinden, dat hy toch feitelijk wel gelyk heeft. Zeker, het moet geen regel worden, geen gewoonte, maar zoo eens één keer, dat kan toch geen kwaad.
Houdt ook dien mynheer uit uw huis en hoe meer ge hem gelijk gaat geven, doe des te steviger de deur op slot, want als hy er in is, huurt hy kamers by u en denkt aan geen vertrekken. De derde is ook een fyne sinjeur.
Dat is mynheer : ieder doet het.
Laten we maar heel eerlijk wezen, we zouden mogelijk er niet zoo spoedig toe overgaan, om als christen iets te doen, als we niet konden zeggen : iedereen doet het. Dat is zoo'n mooi excuus en wij vinden het zoo echt geldend. In de oorlogsjaren hebben we b.v. daar heel wat van meegemaakt, ook onder christenen. Als er van die dingen waren, die een christen toch feitelijk niet kon doen, en men wees daarop, dan was het bescheid : iedereen doet het! Nu is dat: iedereen doet het! dikwijls een heel goedkoop en een erg doorzichtig vijgeblad. In het gewone leven zouden we het onder de prullaria rangschikken.
Maar 't is toch wel eens gemakkelijk. En dat begrip „iedereen" is zoo heerlijk rekbaar, dat is zoo elastisch. Toen ik nog een jongen was, hadden we ieder jaar kermis en omdat „iedereen" naar de kermis ging, vond ik het juist vreeselijk, dat wij niet mochten. Later werd het me wel duidelijk, dat „iedereen" niet ging, maar het is toch heel gemakkelijk iets te doen, omdat iedereen het doet. Soms verbeelden we ons ook, dat we het aan onzen „stand" of aan ons „intellect" verplicht zijn, want „iedereen" doet het toch.
Ook geestelijk moeten we er voor waken, om kudde-dieren te wezen, om mee te gaan met wat met een zwaar woord dan in den regel aangeduidt wordt als „de massa." Treurig genoeg, als op ons toepasselijk is het verske :
Wees uzelf, zei ik tot iemand. Maar hij kon niet, hij was niemand !
Dan is er nog een vierde mijnheer : straks, of platter gezegd : strakkies.
Dien kennen we allemaal, tot zelfs onze jongens en meisjes toe. Als moeder zegt iets te doen, dan is het: strakkies — en als het huiswerk gemaakt moet worden, dan is het weer : strakkies.
In het gaan op den smallen weg wordt ook dat „straks" gekend.
Zeker, zoo moet het, zoo wil God het, het kan niet anders. En 't komt ook wel zoo, doch niet nu dadelijk ineens, doch : straks.
Het is de vraag, of er voor ons ooit nog een „straks" komt.
Er zijn menschen, die meenen, dat ze al heel wat presteeren, als ze zeggen : straks !
Maar 't is een satanische prestatie, de duivel vindt dat uitstel best, want van afstel komt uitstel.
Daarom : weg met dien mijnheer straks ! Indien uw rechterhand u ergert, kap hem af, indien uw oog u ergert, trekt het uit en zeg niet : eerst dit nog en dan dat nog en dan straks. De Schrift kent hier maar één woord : heden. Het is de vraag, of er voor ons ooit nog een „straks" komt.
Zeker, de Bijbel spreekt ook van straks, maar dat is niet die mijnheer straks, die in dienst van den duivel is. Dat straks der Schrift ziet op een heimwee, op een vurig verlangen naar wat eens wezen zal. Wie zoo straks zegt, denkt niet aan uitgesteld werk, maar aan uitgesteld genade-loon.
Wie dat straks het liefelijkst voelt roepen in zijn hart, zal dat andere, dat satanische straks geen aankijken waard keuren.
Als daar dat viertal : daar is geen gevaar; alleen maar eens ; ieder doet het; straks — of één ervan in uw leven zoekt in te dringen en intrek te nemen, grijp dan het beste wapen, dat ge hebt en sla er op, drijf ze weg, zoo ver mogelijk. Want als er eenmaal één van in uw huis is, dan haalt hij ook de andere er in en dan houden ze feest. En dan is de laatste dwaling erger dan de eerste.
TEEKENEN DES TIJDS.
Ds. Boerkool schrijft in de Watergraafsmeersche Kerkbode:
»In Rusland is alles gecollectiviseerd. Het vrije bedrijf bestaat er niet meer. Althans In den landbouw is iedere boer staatsarbeider ; de opbrengst van zijn land is staatseigendom, wordt ingezameld en gedistribueerd door de Overheid. Hardnekkig is de tegenstand der boeren geweest. Een boer heeft een sterk onafhankelijkheidsgevoel; voelt zich baas op zijn erf en grond. Het verzet heeft niet gebaat. De „kulakie" zijn in „kolchozen" ondergebracht.
Maar telkens komt het nog voor, dat de boeren graan achterhouden. Zoó vaak geschiedt dit, dat op het niet-inleveren van graan zware straffen werden gesteld. De doodstraf zelfs. En om deze bedreiging effectief te doen zijn, looft de regeering geld uit aan ieder, die zulk een misdrijf bekend maakt.
Over het onttrekken van graan spreek ik nu niet. Dat hangt samen met het in Rusland wel zeer nijpende probleem, wanneer en in hoeverre men een Overheid, wier bewind een zekere stabiliteit heeft verkregen, moet en mag erkennen ; en ook, waar de scheidingslijn ligt tusschen het gehoorzamen aan God en gehoorzaamheid aan de Overheid.
Maar in geen geval kan over zulke gevallen oordeelen een knaap van 13 jaar. Wat zulk een knaap deed, mag wel even gesignaleerd worden. Pronja Kolibin dan heeft een prijs ontvangen, omdat hij iemand van dit misdrijf had aangeklaagd. En dat was — zijn eigen moeder. Een arme vrouw, die wat koren voor zichzelf en haar gezin, ook voor Pronja, had achtergehouden, omdat ze anders niet leven kon. De honger dreigde. Pronja had een vers geschreven, dat aan makkers laten lezen, en zoo was de misdaad openbaar geworden. Er stond o.a. deze regel in : Gij zijt een schandelijk wezen, een ontaarde moeder ; met u kan ik niet leven.
Ook in Duitschland is iets dergelijks voorgekomen.
Scholieren, die hun onderwijzers aanbrachten, omdat deze critiek oefenden op het Nationaal-Socialisme.
Opgroeiende kinderen, die hun ouders er mee dreigden.
Teekenen der tijden, waarop we moeten letten. De kinderen zullen opstaan tegen de ouders, voorspelde Jezus.
En Paulus schreef aan Timotheüs : weet dit, dat er in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de menschen zullen zijn de ouderen ongehoorzaam, ondankbaar zonder natuurlijke liefde.« *
NET ANDERSOM.
In de Sociaal-Democratische pers, die alles aandurft, wordt de moeilijkheid geteekend van de werkloozen om met hun ondersteuning rond te komen, en dan komt de giftige conclusie : „Minister Slotemaker de Bruine ziet hier het resultaat van een bewind, dat het cijfer belangrijker acht den den levenden mensch."
Die revolutionaire pers weet natuurlijk zeer wel, dat de Regeering en dat genoemde Minister juist andersom den levenden mensch stelt boven het cijfer.
De lage laster in zulke beschuldiging maakt het lot van den werklooze nog erger. Zij beneemt hem het recht gezicht op de daden der Regeering, die juist in zijn belang worden genomen. De Sociaal-Democratische politiek zou voor ons volk niet dan ellende brengen.
Trouwens — bewijst de practijk niet al den dag, hoe weinig het wezenlijk belang van den mensch een rol speelt in de overleggingen van den revolutionair ?
(De Standaard).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's