KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE SYNODE VAN 1934. 1)
De Haagsche Synode heeft voor de 119de maal (sinds 1816) vergaderd, en dit jaar is ze 21 dagen bijeen geweest (de „een en twintigdaagsche" van 1934). Men kan dus niet zeggen, dat de Synode het niet lang heeft weten uit te houden : 119 jaar! Misschien is dat wel zoo ongeveer de voornaamste eigenschap van dit wondere bestuurslichaam, bestaande uit 19 leden, dat ze „taai" van levensduur is. Want men kan niet zeggen, dat men niet ontelbare malen getracht heeft dit hoogste bestuurslichaam en rechtsprekende macht uit te roeien, zooals men onkruid uitroeien wil, maar „taai" als ze is, staat ze er nog en doet gewoonlijk alsof het zoo maar het allerbeste is voor ons kerkelijk leven, voor de Ned. Hervormde Kerk als zoodanig, en eigenlijk voor heel het kerkelijk leven van Nederland in de lengte en in de breedte. Waar is een lichaam en een macht gelijk zij is ? Nergens ! En welgedaan en goedmoedig gaat men weer verder. Na de 119de maal gaat het naar de 120ste, en immer verder!
Van Kronos spreekt de oude Grieksche fabelleer als van iemand, die z'n eigen kinderen opat. „De tragische Kronos, die z'n eigen kinderen verslindt." Dat kan men ook weer zeggen van de Synode van 1934. Want veel van hetgeen zij in 1933 heeft opgesteld en om advies heeft voorgelegd aan de Kerk — ter bespreking op de Classicale Vergaderingen van Juni j.l. — heeft zij zelve nu in 1934 weer om hals gebracht, daar zij, bij nader inzien, maar beter vond, om het voorgestelde in te trekken ! En men heeft dit minder vroolijke werk altijd nogal met groote blijmoedigheid gedaan. Men vond het gewoonlijk „algemeen" nog al goed, om het werk van 1933 maar ongedaan te maken ! Wat niet pleit tegen het goed inzicht der Synodale heeren.
Natuurlijk is er wel oogst binnengehaald. Maar eigenlijk is 't maar mager. Tweeërlei is die oogst. Want men had de vaststelling van de voorloopig aangenomen wetsvoorstellen èn men had de formuleering van nieuwe wetsvoorstellen, die in 1935 bij de Classicale Vergaderingen zullen komen.
Om met dit laatste te beginnen : de nieuwe legislatieve of wetgevende oogst is drieledig. De Classicale Vergaderingen van 1935 zullen hebben te handelen:1. over enkele voorstellen (van weinig beteekenis) in zake verbetering-van de predikantsopleidingr; 2. over een paar ondergeschikte wijzigingen in het Reglement op de predikantstractementen (de tweejaarlijksche verhoogingen, die in 1934 voorloopig: oor een jaar zijn verminderd van f 160.— op ƒ 120.—, wat dus voor alle predikanten met 25 dienstjaren en meer een verlaging van ƒ 480.— per jaar beteekent, zullen nu voor vast gebracht worden op ƒ 120.—. De voorloopige salarisvermindering is dus van korten duur geweest; men heeft nu maar ineens gezegd : 't moet zoo blijven) ; 3. over een Reglement op de Suppletiebeurs voor weduwen en weezen van predikanten.
Over deze verplichte aanvulling weduwen-en weezenbeurs diene het volgende :
„Deze beurs zal zich" (aldus Herv. Zond. blad) „ten doel stellen het totaal der bijzondere weduwenbeurzen aan te vullen tot ƒ 1000.—. Alle dienstdoende predikanten zijn verplicht" (in het belang van eigen vrouw en kinderen en van de gemeenschap) lid te worden (contributie ƒ 2.50). De aandeelhebbende leden van 45—55 jaar (leeftijd bij hun inschrijving) betalen bovendien een extra-quotum van 10% en de nog ouderen (55 jaar en daarboven) een extra quotum van 20%. De bestaande beurzen blijven zelfstandig en de toetreding er toe wordt vergemakkelijkt. De opzet van het ontwerp loopt parallel met dien van de aanvullingspensioenkas. Toch is het een beurs en geen kas. Want er wordt een fonds gevormd, dat na 40 jaren ƒ 1.250.000.— moet bedragen. Alle cijfers en berekeningen berusten — blijkens de toelichting — op eene nauwgezette bestudeering van feiten en verhoudingen in de laatste 40 jaren.
Bij den somberen aanblik der tijden weer een nieuwe last, gelukkig echter, dat de predikanten het zelf moeten betalen voor hun vrouwen en kinderen.”
Hoewel wij zelf op 't oogenblik dit voorstel nog niet kunnen overzien (alle gegevens ontbreken ons momenteel) juichen wij de pogingen, die worden aangewend om te komen tot een behoorlijke verzorging van predikantsweduwen en weezen, van harte toe ! Dan kan b.v. de Oudejaarsavondcollecte ook verdwijnen!
D.V. zullen we dus in 1935 niet zoo héél veel te doen hebben op de Classicale Vergadering. Wat wellicht in verband staat met de algemeen gemaakte opmerking van dit jaar : dat de Synode nu eens ophouden moet met allerlei pietluttige reglementswijzigingen èn waarbij ook wel in aanmerking mag komen het feit, dat we in 1935 waarschijnlijk wel het Voorstel tot reorganisatie der Kerk van de Vereeniging „Kerkopbouw" te bespreken zullen krijgen, als het, al of niet gewijzigd, door de buitengewone Synode, die in Januari a.s. samenkomt, zal zijn aangenomen (wat wij verwachten).
Naast de dingen, die ons door de Synode voor de toekomst zijn voorgelegd ter bespreking in 1935 — komt nu in de tweede plaats wat door de Synode nu uiteindelijk vastgesteld is, in betrekking tot de wetsvoorstellen, die op de Classicale Vergaderingen, die achter ons liggen, zijn behandeld en waarover „consideraties" en „adviezen" zijn gegeven door de Kerk.
Daar was een voorstel aangaande het toevoegen van administratieve gegevens bij de attestatie, wanneer een lid der gemeente gaat verhuizen.
Dan waren er voorstellen om art. 14 Reglem. Kerkeraden verder aan te vullen met bepalingen aangaande Wijkindeeling door den Kerkeraad, met aanwijzing van den predikant voor elke Wijk en het ontwerpen der regelingen voor het herderlijk werk, het godsdienstonderwijs en de vacantie der predikanten door den Kerkeraad.
Ook was er een voorstel inzake de liggers der Diaconie (act. 16) en wat betreft de administratie der Diaconie (art. 27)).
In betrekking tot de pensioenpremie van de predikanten en ook wat de subsidie voor noodlijdende kerken aangaat waren er voorstellen.
En dan een geheel nieuw reglement van 13 artikelen voor de samenwerking der groote gemeenten.
De oogst die hier is binnengehaald door de 19 vroede mannen van 1934, die in Synode 21 dagen zijn saamgeweest, is al bitter klein en gering te noemen. Want alle voorstellen, die met den Kerkeraad en het predikantswerk en de groote stad in verband stonden, zijn afgewezen. Men heeft gelukkig gevoeld, dat men langs dezen weg niet kan bereiken, wat men zich had voorgesteld: En alles wat in dit verband voorgesteld was en in de pers en op de Classicale Vergaderingen zoo druk besproken is geworden, is van de baan !
En ja, behalve deze voorstellen rakende Kerkeraad, predikantswerk, groote-stads-probleem, was er niet veel bijzonders. Toch liggen hier de successen van de „een en twintig daagsche." Want bij de attestatie zullen nu moeten worden verstrekt allerlei gegevens, die men door middel van den Burgerlijken Stand weet (als 't tenminste gebeurt) ; de Diaconierekening moet goed in orde zijn (wat al lang voorgeschreven was), de ligger moet ingediend worden (wat steeds geschieden moest) en de dominees moeten him premie voor het pensioenfonds betalen (wat ook al bepaald was).
Wat dat laatste betreft: de verplichting om aan pensioenfonds èn kas voor aanvulling Rijksemeritaatspensioen mee te doen, is nu zóó geregeld, dat men om een aangenomen beroep te kunnen opvolgen, de bewijzen moet overleggen van de betaalde premies aan beide kassen. De betaling was ook nu verplicht, maar nu werd wel eens gemarchandeerd.
Na 1 Januari 1935 is dat uit. Vooral voor oudere predikanten, die niet betaalden en nog eens zouden wülen verhuizen, kan dit een moeilijk ding worden!
Gelukkig intusschen, dat de pensionneering van predikanten en de verzorging van predikantsweduwen en weezen de volle aandacht der Kerk heeft.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's