KERKELIJKE RONDSCHOUW
ONS GEBED VOOR HET KONINKLIJK HUIS.
Zoo de Heere wil zal Hare Majesteit onze Koningin deze week haar verjaardag mogen vieren. Of zij het in den vreemde doen zal, ver van huis of dat zij in den Haag of op het Loo zal zijn, weten we niet op 't oogenblik dat we dit schrijven. Misschien zet onze geliefde Vorstin haar vacantietijd nog wat voort en zal zij 31 Augustus buitenslands vertoeven. Want als we goed ingelicht zijn laat de gezondheidstoestand van Hare Majesteit den laatsten tijd nogal wat te wenschen over. Zij schijnt overspannen te zijn, en haar zenuwgestel schijnt zoodanig te zijn geschokt, dat zij eenigen tijd absolute rust moet hebben. Er is ook zooveel gebeurd de laatste maanden. Eerst is Haar Koninklijke Moeder, die haar zoo lief en dierbaar was, gestorven en kort daarop, op 't alleronverwachts, is Z.K.H, de Prins-Gemaal door den dood weggerukt, zóó onverwacht, dat zelfs Prinses Juliana, die zooveel van Haar Vader hield, niet bij het sterven is tegenwoordig geweest, in Engeland vertoevend.
Geweldige dingen zijn er gebeurd, en alles is in zoo'n kort tijdsbestek geschied, zoodat het ons geen oogenblik kan verwonderen, dat Hare Majesteit onze geliefde Koningin buitengewoon onder den indruk verkeert van al dat droeve gebeuren, zóó dat haar zenuwgestel veel te lijden heeft.
Daarbij komt de zorg van het leven, dat voor Volk en Vaderland zoo moeilijk is, welke zorg onze geëerbiedigde Landsvrouwe altijd' met volle belangstelling draagt en wel dag aan dag, nu weken en maanden en jaren reeds.
Dit alles gaat bijzonder aan onze aandacht voorbij nu D.V. deze week op den bekenden datum van 31 Augustus, Koninginneverjaardag zal zijn.
Het Koninklijk huis in zware rouw. Het Koninklijk paleis zoo droevig ledig. De Koningin zelve vol zorgen, waaronder Haar gezondheid lijdt, zoodat het medisch advies is, dat zij absoluut rust moet hebben. Noch de zee, noch de bergen hebben hier het gewenschte resultaat gehad; slapeloosheid blijft Haar kwellen. En ziet, dat doet ons nu, nu de verjaardag van Hare Majesteit in 't zicht is, bijzonder spreken van „Ons gebed voor het Koninklijk Huis". Want we voelen zoo, dat hier alleen door den Heere, den God des hemels en der aarde, hulp en troost, raad en sterkte kan worden geschonken, waarom wij dan ook des Heeren aangezicht willen zoeken met onze gebeden; waarbij wij hopen en wenschen en verwachten, dat bij zonderlijk in de gezinnen waar men bidden geleerd heeft en in onze Kerken, waar op den dag des Heeren de Gemeente samenkomt, smeekingen zullen opgaan tot den Allerhoogste, bij Wiens gratie onze Koningin over ons land en volk regeert.
Het is een weldaad, een gratievolle zegen, dat we onze geliefde Koningin hebben mogen. Nog hebben mogen. Daarvoor mag, moet en zal zeer zeker vooral in deze dagen gedankt worden. Het is een zegen, een gratievolle weldaad van den hemel, aan ons Nederlandsche volk geschonken ; een weldaad ook geschonken aan de Koningin zelve.
Wanneer wij aan andere landen denken en we vergelijken de toestanden daar met wat óns Volk en Vaderland mag genieten, dan moeten we het uitroepen : „wij zijn geringer dan al deze weldaden, o Heere !" Daarom zullen we danken, danken vooral nu en op den 31sten Augustus bijzonder. Maar we willen dan ook bidden, persoonlijk, in den huiselijken kring en niet 't minst in de vergadering van de Gemeente op onze Zondagen, als we in het huis des Heeren mogen samenkomen, dat de Heere Oranje en Nederland mag sparen en bewaren, dat Hij Vorstin en Vaderland mag zegenen naar den rijkdom Zijner genade, met verzoening van onze zonden en betooning van Zijn gunstrijk ontfermen.
Dat ons Volk en Vaderland bewaard moge worden voor den geest van revolutie, dat de afval van God en Zijn dienst moge worden bezworen door den Geest Zijner genade. En dat ons Koninklijk Huis met ons volk moge deelen in de weldaden Zijns heils, om gewillig ons te begeven in den dienst van den Koning der Koningen, onze kracht en onze wijsheid zoekend en vindend bij den Potentaat der potentaten, bij den God des verbonds. Die Neêrland en Oranje heeft verkoren naar Zijn Raad; bij den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.
31 Augustus zij een van God gezegende dag! Moge het zijn nu en nog vele, vele jaren !
Waarbij de Heere ook genadiglijk sture het leven van de Koninklijke Dochter, van onze veel geliefde Prinses Juliana !
DE BENOEMING TE UTRECHT.
Prof. dr. M. van Rhijn, tot dusver kerkelijk hoogleeraar te Utrecht vanwege de Ned. Hervormde Kerk, is in de plaats van prof. dr. J. A. Cramer, die den leeftijd van 70 jaar heeft bereikt, tot gewoon hoogleeraar bij de faculteit der godgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit te Utrecht benoemd. Hij zal de geschiedenis van de Christelijke Kerk hebben te onderwijzen.
Prof. dr. M. van Rhijn is in 1888 te Groningen als zoon van wijlen den theol. professor dr. Van Rhijn, geboren en heeft ook te Groningen gestudeerd, waar hij in 1917 gepromoveerd is op een proefschrift over Wessel Gansfort. Van 1916 tot 1926 is hij secretaris der N.C.S.V. geweest; In Juli 1926 predikant te Groesbeek geworden. In hetzelfde jaar volgde zijn benoeming tot kerkelijk hoogleeraar vanwege de Ned. Hervormde Kerk als opvolger van prof. dr. J. R. Slotemaker de Bruïne.
Eenerzijds is op die benoeming niets aan te merken. Prof. Van Rhijn is, dat bleek al uit zijn proefschrift, een knap en kundig Kerkhistoricus. Hij is bovendien een man, die algemeen geacht is, ook om zijn velen arbeid in Gods Koninkrijk, niet het minst om zijn werk onder de studenten, die over het algemeen dan ook hooge achting hebben voor hun professor. In zooverre is dus alles in orde. En wat den persoon èn het wenk van prof. Van Rhijn aangaat, verheugen we ons met hem bij deze zoo eervolle benoeming. Als opvolger van prof. Cramer is hij de rechte man op de rechte plaats. Daarop Is waarlijk geen enkele aanmerking te maken en geen verwijt te doen b.v. aan den Minister van Onderwijs of aan de Regeering. Veel pijnlijker heeft ons b.v. indertijd, onder het ministerschap van mr. Terpstra, de benoeming van een niet-Hervormd modern predikant te Leiden, in de plaats van den sympathiekem hoogleeraar dr. Eekhof, zoo vroeg en zoo plotseling door den dood weggenomen, getroffen! Daar had het anders kunnen en moeten zijn gegaan.
Maar al is de benoeming te Utrecht in de vac. prof. Cramer in zooverre „in de lijn" en betreft het hier bovendien iemand, die als kerkelijk hoogleeraar z'n sporen verdiend heeft en zich een pofessoraat alleszins waardig heeft betoond, toch doet het ons leed, dat het aantal hoogleeraren aan de Rijks-Universiteiten, wat de theologische faculteit betreft, niet met een van Gereformeerde Confessie is vermeerderd, wat waarlijk geen overtollige weelde zou zijn geweest en niet onbillijk zou zijn te achten.
In Utrecht hebben we nog prof. Noordtzij en hebben we in de vacature prof. Visscher gekregen prof. Severijn. Maar prof. Van Leeuwen is niet meer en prof. Plooy is in zijn plaats gekomen. Prof. Eekhof is niet meer en prof. Van Holk, modern niet-Hervormd predikant zijnde, is in zijn plaats benoemd!
En het aantal Gereformeerde professoren is uiterst klein nu.
Nu moeten we eerlijk zijn. Want het mag niet worden verheeld, dat er onder de Herv. Geref. predikanten niet 200 héél veel gevonden worden, die uitmunten door wetenschappelijken arbeid. Sterker moeten we ons helaas ! uitdrukken. Er zijn er heel weinig, er is zoo ongeveer niemand. Het zou dan ook heel moeilijk zijn om de leerstoelen voor Oud-en Nieuw Testament, voor Kerkgeschiedenis ook, door Gereformeerd Hervormden te bezetten.
Alleen — juist voor Kerkgeschiedenis zou het niet onmogelijk geweest zijn iemand uit den kring van de Confessioneele groep te vinden. En juist de Confessioneelen, die in den loop der jaren, die achter ons liggen, waarlijk wel respectabele theologen hadden, zijn altijd gepasseerd, wat niet recht en billijk is geweest. En wat wij niet gaarne willen dat óns geschieden zou, mogen we ook anderen niet heimelijk of in 't openbaar toewenschen.
Hier had men waarlijk aan onze Rijks-universiteiten wel anders kunnen en moeten handelen, wat een aanklacht inhoudt aan de hoogleeraren van de faculteit, aan de Curatoren der Universiteiten, aan de Ministers der Kroon, aan de Regeering ! Juist omdat het Rijks-Universiteiten zijn, had men anders behooren te handelen !
In Utrecht voor de vacature prof. Cramer heeft men nu althans voor, dat men „in de lijn" is gebleven.
Dat men dat in Leiden indertijd niet gedaan heeft, kunnen we nog maar niet vergeten, en ook niet vergeven.
De Utrechtsche benoeming brengt nu mee, dat er een vacature als kerkelijk hoogleeraar komt. De Commissie van Voordracht en de Synode hebben hier alles in handen. En vooral dat eerste College boezemt ons weinig vertrouwen in. De laatste voordracht in de vac. prof. Knappert, van Leiden, is ons nog niet uit het geheugen weggewischt. Rechts en Links spelen hier een belangrijke rol. En de verhouding is op 't oogenblik angstig en zorgwekkend !
Gereformeerden en Confessioneelen maken weinig kans. Dat durven we wel op een briefje te geven.
Misschien valt het overigens nog mee. We zullen maar 't beste hopen !
Dat het gebed voor onze Hervormde Kerk vermeerdere, juist omdat er zooveel is, dat niet recht is.
HET OORDEEL VAN PROF. HAITJEMA
over het Reorg-anisatie-Rapport van de Vereeniging: »Kerkopbouw.«
In de komende maanden zal ieder die belang stelt in het kerkelijk vraagstuk en die zoo gaarne zou willen medewerken, om de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk, die in 1816 onder de fatale Synodale Besturen Organisatie gekomen is, weder uit haar diepen val op te richten en haar weer een plaats te verschaffen in het midden van het volksleven, zich natuurlijk pok bezig houden met het Reorganisatie-Rapport van de Vereeniging »Kerkopbouw.« Twee professoren van naam hebben er den laatsten tijd hun gedachten over gezegd en hun oordeel min of meer geformuleerd in een vorm, waardoor het ons; mogelijk wordt te weten hoe zij er tegenover staan. Waarbij de voordeelen en de nadeelen duidelijk zijn omschreven. De twee professoren die wij bedoelen zijn beide hoogleeraren in de godgeleerdheid te Groningen, 't Zijn prof. Aalders en prof. Haitjema. De laatste heeft een artikel geschreven voor het Orgaan der Amsterdamsche Vereeniging van Hervormden (16 Juni 1934) ; de eerste heeft op de Hemmensche Conferentie, 11 en 12 Juni j.l., gesproken over de vraag : »Wat nu ? « We nemen ditmaal het artikel van prof. Haitjema over. Het draagt tot titel:
Verantwoordelijkheid en Kerkopbouw.
„»Kerkherstel« verlangt vurig, dat er van dit „Kerkopbouw-rapport" een blijvende vrucht gezien mocht worden voor de hernieuwing van ons kerkelijk leven. Wij willen uit dit voorstel veel aanvaarden, wat er toe bijdragen kan, het schip onzer kerk, om met ds. Noordmans te spreken, althans weer vlot te brengen, zoodat het het ruime sop kiezen kan. Wij zouden desnoods willen heenstappen over allerlei punten, die voor ons niet boven bedenking verheven zijn.
Men eische echter niet van ons, dat wij medehelpen een dé-formatie van ons kerkelijk leven te bestendigen of zelfs vaster vormen te doen aannemen, onder den schoonen schijn van een „reorganisatie" der kerk verkregen te hebben. Ons verantwoordelijkheidsgevoel zegt ons ook dit, dat wij angstvallig hebben zorg te dragen, dat het vlotgebrachte schip der kerk niet stuurloos wordt prijsgegeven aan wind en golven. »Kerkherstel« kan en mag niet vergeten, dat er aan boord van het schip onzer Kerk allerlei stuurlieden en stuurmansleerllngen rondloopen, die het over de richting, waarin het vlot gekomen schip zal moeten gaan koers zetten, wanhopig en radicaal oneens zijn. Voor Kerkherstel kan alleen een reorganisatie acceptabel zijn, die „naar de beginselen der belijdenis" verloopt, zooals prof. Gunning dat meermalen kernachtig uitdrukte.
Door heel onze vaderlandsche kerkgeschiedenis heen zijn sinds 1816 eigenlijk telkens en telkens weer twee soorten van reorganisatie-pogingen te onderscheiden. De eerste soort is deze, dat men de Ned. Hervormde Kerk óók in hare kerkorde weer ondubbelzinnig wil doen aansluiten bij de Hervormde Kerk der klassieke belijdenis, bij de Kerk, die haar wezen niet in de reglementen, maar in de geloofsbelijdenis tot uitdrukking brengt. Dat zijn de reorganisatie-pogingen, waarin bewust erkend wordt, dat uit de belijdenis van het wezen der Kerk (b.v. volgens antw. 54 van onzen Heidelb. Catechismus) consequenties voortvloeien voor de beginselen van onze kerkorde. De tweede soort van reorganisatie-pogingen evenwel, die zich probeerden breed te maken in den strijd voor „geest en hoofdzaak, voor schrapping van de handhaving der leer en niet minder in den strijd voor de principieele erkenning van de rechten der z.g.n. minderheden, moet op geheel tegenovergestelde wijze worden getypeerd : men is er daarbij op uit, om zoo stelselmatig als 't maar kan de belijdenis-grondslagen onzer Kerk van vóór den Franschen tijd buiten hunne natuurlijke functie te zetten en derhalve juist te doen, als begon de Ned. Hervormde Kerk als „volkskerk" eerst in 1816 te ontstaan en als kon men hare geboorte-acte uit de reglementen van 1816 aflezen.
Nu is het Ontwerp-1929, voor welks hoofdlijnen »Kerkherstel« nog immer met overtuiging pleit, ongetwijfeld een plan tot organisatie te achten, dat bij de eerste soort van pogingen moet worden ondergebracht. Het biedt een proeve van reorganisatie naar de beginselen der belijdenis. Het »Kerkopbouw-rapport« daarentegen kan tot die eerste soort niet gerekend worden. Ik beweer niet, dat het tot de tweede groep behoort. Daarmede zou ik de goede bedoelingen van dit ontwerp onrecht doen.
Neen, het is met dit Kerkopbouw-voorstel anders gelegen. Het is een proeve van reorganisatie, die precies tusschen de beide geschetste reeksen van mogelijke reorganisatieplannen in ligt.
Eenerzijds is daar in dit plan meer dan één belangrijk onderdeel, dat in zijn schetslijnen het herbouw-plan van »Kerkherstel« vrijwel dekt.
Anderzijds echter is ook een niet gering deel van dit bouwplan van »Kerkopbouw« zóó zeer over de schreef heen ontworpen en naar den kant der averechtsche reorganisatie uitgeschetst, dat nuchtere objectiviteit moet doen zeggen: wie volgens dit gedeelte van het bouwplan in de huidige werkelijkheid van ons kerkelijk leven aan het werk tijgt, muren gaat optrekken, deurkozijnen gaat plaatsen, enz. enz., die zal niet anders kunnen bouwen dan zóó, dat onze Kerk in deze uitbouwvormen voorgoed hare eer van een belijdende Kerk van Christus te zijn, zal blijken te hebben prijsgegeven. Ik zinspeel hier natuurlijk vooral op het huisgemeenten-stelsel, zooals het in dit »Kerkopbouw-ontwerp« gecodificeerd is. Al denk ik ook aan de uitschakeling van het ouderling-ambt en van de classicale vergaderingen, waarin dit ouderling-ambt juist het meest organisch zijne beteekenis doet gevoelen.
En het is uit verantwoordelijkheidsbesef, dat wij het moeten uitspreken : gij moogt niet van ons verwadhten, dat wij wat anders zullen doen dan ernstig pogen, dit deel van het bouwplan, dat over de schreef gaat naar den kant der averechtsche organisatie, door onze Kerk verworpen te krijgen....... «
DE MODERNEN EN HET REORGANISATIE-ONTWERP
We willen nóg een „persstem" overnemen inzake het Reorganisatie-Voorstel van de Vereeniging »Kerkopbouw«. Men weet, dat ook van de Modernen aan het ontwerpen en samenstellen van het Rapport van »Kerkopbouw« hebben medegewerkt o. a. ds. Beversluis, van Zutphen. Van de Modernen en van de Evangelischen en van de Ethischen zijn er, die sympathiek staan tegenover het ingediende Voorstel. Maar wat de Modernen betreft zal het zéér de vraag zijn of ze ten slotte met »Kerkopbouw« zullen meegaan. De discussie, op de laatste jaarvergadering van de Vrijzinnig Hervormden over deze zaak gevoerd, doet niet ^Ike hoopvolle gedachten opkomen bij iemand die zooiets in de courant leest. Als men ten minste van „hoopvol" spreken kan. Velen van de Modernen zullen straks zeker tegen stemmen en van de Ethischen zullen er óók wel zijn, naar we vermoeden. Dan nog van de Confessioneelen en ook van de Gereformeerden
Doch laat ons hierop niet vooruitloopen. We nemen nu slechts enkele „persstemmen." En dan voor 't oogenblik een beoordeeling en verklaring van ds. H. van Lunzen, modem predikant te Hoorn ; iemand, dien wij nooit voor „vol" nemen en die ook door vele Modernen niet voor 100% wordt aangeslagen, maar die intusschen z'n beschouwingen de wereld in stuurt in z'n blaadje „Ons Godsdienstig Leven.”
Het Ned. Chr. Persbureau geeft ons het volgende stuk:
Onaanvaardbaar.
»In „Ons Godsdienstig Leven", vrijzinnig Christelijk weekblad, verklaart de redacteur ds. H. van Lunzen in een breeder artikel, dat het Kerkopbouw-reorganisatieontwerp voor de vrijzinnigen volkomen onaanvaardbaar is, en wel:
1. Omdat in artikel 1 gezegd wordt, dat de Ned. Hervormde Kerk „gebouwd is op Jezus Christus als eenig fundament" en zij tot doel heeft „in aansluiting aan haar historische belijdenis het Woord Gods te verkondigen." Dit artikel is „van specifiek orthodoxen geest doortrokken en staat lijnrecht tegenover datgene wat het recht heeft zich vrijzinnig Christendom te noemen.”
In de tweede plaats : „Het gansche reglementcomplex is vol van zuijver orthodoxe ideologie en terminologie.”
Ten 3e : Allerlei wijzigingen in de bestuurssamenstelling zouden tengevolge hebben, dat de vrijzinnige invloed „sterk teruggeschakeld" werd. Ten 4e : Art. 2 : 4 noemt als een hoofdstuk der kerk „de zorg voor de belijdenis."
Ten 5 : „Ook de Zending heet een hoofdtaak der Kerk, zoodat de vrijzinnigen gedwongen zouden worden „tot het in stand helpen houden der geheel-orthodoxe Zending."
Ten 6e : „Er wordt leertucht ingesteld, bij welke „de chef den naam moderator krijgt en verschillende volmachten, die, naar wij meenen, bisschoppen in Rome's Kerk niet eens hebben", bijgestaan „door een tiental provinciale helpers, die hun roeping hebben te vervullen overeenkomstig het wezen en de historische belijdenis der Kerk.”
Ten 7e : Doop en Avondmaal zouden moeten worden bediend „overeenkomstig de daarop betrekkelijke liturgische voorschriften", welke — gezien art. 1 en het vorig reeds genoemde — door vrijzinnigen niet zouden 'kunnen worden aanvaard.
Ten 8e : Er worden hulsgemeenten gevormd, die overigens geen enkel recht krijgen, „geen enkele kerkbeurt, geen predikant, geen gulden teruggave uit de kerkvoogdij Is, " zoodat het hier om een „zeer doode musch" gaat.
„De vrijzinnig hervormde beweging" — aldus concludeert de redacteur, „zal ze haar-zelf, haar heiligste beginselen trouw zijn, moet deze voorstellen onaanvaardbaar verklaren. Met klaar en duidelijik geluid. Doet ze dat niet, dan kan ze althans haar beginsel-organisatie wel gaan opheffen.*
Tot zoover ds. H. van Lunzen, die niet gewoon Is er „doekjes om te winden" en gewoonlijk geen „blad voor de mond" neemt.
Als dus de Modernen straks wellicht in de Synode „vóór" zullen stemmen (Januari 1935) zal dit geen bewijs zijn, dat ze werkelijk „voor" dit Ontwerp van »Kerkopbouw« zijn, maar zullen ze dat doen, opdat het Voorstel in en door de Kerk zelve (op de Classicale Vergaderingen en in de Provinciale Kerkbesturen) zal kunnen worden besproken (wat we toejuichen). Als echter in Juli—Aug. 1935 in de Synode de „echte" stemming zal vallen, zullen ze waarschijnlijk wel „tegen" stemmen.
Intusschen heeft voor ons de verklaring en de mótiveerlng van ds. Van Lunzen deze waarde, dat het nog eens heel, héél duidelijk wordt, dat de Modernen a la ds. Van Lunzen niet in de Hervormde Kerk thuis hooren, noch principieel, noch reglementair. Ze stellen zich zelf geheel en al bulten den geest en de hoofdzaak onzer kerkelijke belijdenis en ze zijn in alle opzichten in strijd met den aard, het karakter, het wezen van onze Hervormde Kerk, met haar Confessie, haar prediking, haar Sacramentsbediening, haar reglementen zelfs !
Ieder voelt toch, dat de Kerk, ook onze Hervormde Kerk, een eigen karakter moet hebben, een eigen Confessie heeft, een eigen leer verkondigt, een eigen Evangelie brengt. Onze Hervormde Kerk is iets eigens en moet iets eigens zijn in het midden van ons volk en Vaderland. En in aard en wezen is ze ook iets eigens : de Nederlandsche Hervormde Kerk, die niet Roomsch, niet Luthersch, niet Doopsgezind, niet Remonstrantsch is. maar de Nederlandsche Hervormde of Gereformeerde Kerk met een eigen belijdenis, een eigen Catechismus, een eigen Woordprediking, een eigen Sacramentsbediening, een eigen ambtelijk leven, een eigen organisatie. En met alles, alles is het Modernisme vierkant in strijd. Als dat nu maar hoe langer hoe meer bij alle richtingen mag doordringen — en er zijn hoopvolle teekenen voor — dan komen we In de goede richting voor onze Hervormde Kerk als zoodanig. Zij is en moet zijn — en meer en meer worden — de Kerk naar uitwijzen van haar eigen belijdenis. De Gereformeerde Kerk van Nederland.
DE SYNODE VAN 1934. 2)
We moeten nog even terugkomen op hetgeen de Synode besloten heeft (in eerste instantie) inzake de betere verzorging van predikantsweduwen en - weezen. Want daaromtrent lazen we enkele nadere bijzonderheden, die we hier niet willen terughouden.
Uit een vergadering van ± 40 quaestoren van Classicale Weduwenbeurzen enz., is een conceptreglement op een aanvulling van Weduwenbeurzen tot ƒ 1000.— bij de Synode ingezonden. Vooral ds. Boer, de secretaris van den Predikantenbond en van den Pensioenraad, heeft zich daarbij verdienstelijk gemaakt. Liefst over de laatste veertig jaren heeft hij het gaan en komen der predikanten nageplozen, om te berekenen hoeveel pensioen ieder predikant zich voor zijn weduwe uit Classicale-enz. beurzen heeft kunnen verzekeren. Een geweldige prestatie ! En naar bevind van zaken heeft hij nu een project van Weduweribeurs bij de Synode ingezonden, dat, naar het oordeel van deskundigen, levensvatbaar is. De deelname zal verplicht zijn ; doch dwangmiddelen zijn er niet; er wordt gerekend op het solidariteitsgevoel der dominees onderling. Maar de kosten ? De premie-betallng is niet gering. Heeft een domlné uit Classicale beurzen etc. zijn weduwe b.v. voor ƒ 400.— verzekerd, dan zal hij voor de resteerende ƒ 600.—, indien hij tot de klasse der jongsten behoort, 10%.x /' 60.—, indien tot de klasse der middelbaren 2 X ƒ 60.—, indien tot de oudsten 3 X ƒ 60.— ^-f 180.— te betalen hebben. Een dominé zal verder behandeld worden alsof hij zich voor alle beurzen verzekerd had, waarvoor hij zich verzekeren kon.
Wie dus niet in de gelegenheid is geweest toe te treden tot eenige beurs, zal 10% of 20 of 30% van ƒ 1000.— moeten betalen. Dat wordt een groot bedrag op een aanvangstractement van ƒ 2500.—, waar dan ook nog de verplichte premie van ƒ 284.— voor het Pensioenfonds en misschien ook nog de ƒ 54.— voor het aanvulllngsfonds Rijksemeritaatspensioen af moet! „Wat blijft er over", zoo zegt de Synodale briefschrijver In „Kerk en Wereld" (modern) „om van te leven ? En wat blijft er in het bijzonder over om van te leven, als men ook nog in een gemeente zit, die dispensatie heeft en — zooals nog zoovele — nog geen ƒ 2000.— tractement uitkeert ? Het is — met alle respect voor de schoone bedoeling — een waagstuk, waarbij men zijn hart over de schrale domlneesportemonnaletjes angstig vasthoudt. De Synode heeft intusschen besloten, de Kerk er over te laten beslissen.«
We hebben een jaar tijd om over deze dingen na te denken. Laten we het óók doen !
Ook over het Pensioenfonds lazen we nadere bijzonderheden. In verband met de verlaging der tractementen vermeerderen de moeilijkheden. De wiskundige adviseur, prof. Van Haaften (de eenige Hervormde hoogleeraar aan de Vrye Universiteit), heeft uitgerekend, dat het wetenschappelijk evenwicht in de risico's beter beveiligd dient te blijven voor de toekomst. Zeker ook daarom heeft de Synode nu de premiebetaling méér nog verplichtend gesteld.
De beveiliging van het instituut Pensioenfonds vereischt het.
Dan nog iets over het Reglement op de Predlkantstractementen. De Raad van Beheer — dat is wel gebleken — zit stevig in elkaar. Dat kegelt men maar zoo niet om ! Had de Commissie voor de herziening van het Reglement op de Predikantstractementen een viertal voorstellen ingediend om te komen tot een andere schaal van predikantstractementen — het eind is geworden, dat slechts twee kleine wijzigingen zullen plaats hebben. Inzake de tweejaarlijksche verhoogingen is nu voor vast voorgeschreven, dat ƒ 160.-zal worden ƒ 120.—. En de Synode zal zeggenschap krijgen in het Huishoudelijk Reglement. Dat is alles wat aangenomen is Inzake het Reglement op de predikantstractementen ! De opzet van het Reglement in het algemeen en van het werk van den Raad van Beheer werd geoordeeld goed te zijn.
Wel was óók voorgesteld de gemeenten van 100—200 zielen uit te schakelen, wat het minimum tractement aangaat; en in de tweede plaats : de predikanten van 40 dienstjaren successievelijk hun verhoogingen te ontnemen, om zoo hen te dwingen emeritaat te nemen en plaats te maken voor de jongeren. Maar de Synode heeft noch het eene, noch het andere gewild. Aangenomen is 1. de zeggenschap van de Synode in het Huishoudelijik Reglement en 2. de terugzetting van de tweejaarlijksche verhoogingen van ƒ160.— op ƒ120.—. „Hoe noodlg dit laatste is" — schrijft de Synodale briefschrijver van „Kerk en Wereld" — „blijkt uit het verslag van den Raad van Beheer, dat met cijfers aantoont, dat bij het behoud van de verhoogingen van f 160.— het schip 1 Januari 1936 aan den grond gezeten hebben zou. Of toet nu vlot zal blijven ? De commissie voor samenspreking met den Raad van Beheer heeft nog eens op basis van 120-guldensverhoogingen een jaar verder doorgerekend en is tot het ontstellend resultaat gekomen, dat bü gelijkblijvende betaalkracht en betaal wil — ook met 120-guMensverhoogingen op 1 Januari 1937 de reserves, om de verhoogingen op het thans bereikte peil van minstens 50 pCt. (van 160 ; d.i. 662/3 pCt. van ƒ 120.—) te houden, niet meer toereikend zullen zijn. Men leze straks de Handelingen der Synode, waarin 't verslag van den Raad van Beheer en de rapporten en alles is opgenomen, eens zeer aandachtig na. Men zal dan eerbied krijgen voor het werk, door den Raad van Beheer verricht, maar men zal dan ook tot 't Inzicht komen, dat de toestand ernstig is." Ja, de tijden zijn moeitevol. En het laat zich niet aanzien, dat het leven het in de eerste jaren gemakkelijker zal krijgen !
We gaan nu tot een ander onderwerp over. We willen eerst nu vertellen wat de Synode zooal verworpen heeft. En dat is niet weinig. Verworpen is door de Synode een voorstel om vanwege de Kerk te ageeren tegen eventueele opneming van Rusland in den Volkenbond. De politieke zijde, die hieraan vastzit, doet het voorstel verwerpen.
Verworpen wordt ook de poging van de Alle-dag-Kerk beweging om deze over het geheele land te bevorderen.
Evenzoo wordt verworpen een voorstel Brielle om de quota der diaconie, jaarlijks te voldoen om mee de onkosten voor het bestuur der Kerk te dragen, te verhoogen. Men wil de diaconieën in deze niet zwaarder belasten.
Overigens werd verworpen een voorstel om het aanzienlijk bedrag van niet-betaalde quota der kerkeraden, te verlagen.
Ook werd verworpen een verzoek, om de bevestiging van her-kozen kerkeraadsleden niet verplichtend te stellen. De her-bevestiging blijft, omdat men het èn voor de gemeente èn voor de ambtsdragers nuttig en noodig acht.
Verworpen werd ook het verleden jaar voorloopig aangenomen voorstel No. II: dat gemeenten met twee en meer predlkantsplaatsen In wijken moeten worden verdeeld. De practiscbe bezwaren bleken, volgens de adviezen der Kerk, zóó groot, dat deze Synode nu verwierp, wat de vorige Synode voorloopig goedkeurde. De wijkverdeeling enz. blijft aan de predikanten. Ook wordt verworpen de voorloopig aangenomen toevoeging aan art. 14 Reglement Kerkeraden, voorstel No. m sub 17" : „het ontwerpen van regelingen voor het herderlijk werk, het godsdienstonderwijs en de vacantie der predikanten, welke regelingen de goedkeuring behoeven van het Classlcaal Bestuur"). Dit voorstel had zóó weinig instemming in de Kerk gevonden, dat 14 leden van de Synode nu tegen stemden. Vrijwel alle Prov. Kerkbesturen hadden zich tegen verklaard.
Verworpen wordt een voorstel van Gouda, dat de Ringen invloed zouden krijgen op het goedkeuren van een beroep.
Verworpen wordt by vernieuwing een voorstel, om het aan predikanten met een vaste gemeente mogelijk te maken om „op beroep te preeken." 't Mag niet.
Afgewezen wordt een voorstel, om vacante gemeenten, die vacant zijn, omdat men er niet voldoet aan den Raad van Beheer, te straffen met mindere bediening door den Ring.
Verworpen wordt een voorstel van het vrijiz. lid der Synode ds. A. v. Krevelen van Deinum, in zake wijziging van art. 25 van het Reglement op de Vacaturen betreffende het voorgaan van vrouwelijke hulp predikers in de godsdienstoefeningen. De Algemeene Synodale Commissie zal deze zaak nader onder de oogen zien!
Verworpen wordt een voorstel van het Classlcaal Bestuur van Dordrecht, dat art. 11 van het Reglement op het godsdienstonderwijs gewijzigd wil zien waardoor aan godsdlenstonderwijzers niet dan met uitdrukkelijke toestemming van de plaatselijke predikanten verlof wordt verleend om bijbellezingen of oefeningen te houden. De Synode wilde dezen radicalen weg niet op.
Verworpen worden de Voorstellen no. Vin inzake het groote-stads probleem, door de Synode van 1933 bijna zonder bespreking voorloopig aangenomen en aan de Classicale Vergaderingen voor advies toegezonden. De voorstellen beoogden maatregelen te treffen
voor samenwerking van kerkelijke gemeenten met meer dan 100.000 inwoners. Een grootestadsraad zou er komen, terwijl er verder een groote-stedenraad zou worden ingesteld over die gezamenlijke (groote) gemeenten. De Algemeene Synodale Commissie zal nog eens bijzondere aandacht schenken aan het vraagstuk van de grootestads-gemeenten.
Verworpen is een voorstel om de derde predikantsplaats te Nijkerk o/d Veluwe op te heffen. De bestaande vacature blijft dus bestaan en het beroepingswerk zal moeten worden begonnen.
Ook is verworpen een aanvrage, dat ds. J. Keiler, vroeger Ned. Herv. pred. te IJsselmuiden (die zich intusschen aan de Ned. Hervormde Kerk had onttrokken en tot een „andere" Kerk (? ) was overgegaan) in zijn ambt zou worden hersteld. Dat zal ook niet geschieden met ds. Reeser, vroeger predikant te Winterswijk. Die twee heeren zullen dus in de Hervormde Kerk wel niet meer op den kansel komen.
(Wordt voortgezet).
EEN BELANGRIJKE VERGADERING TE UTRECHT.
Wij bedoelen de 13de vergadering van Herv. Geref. predikanten te Utrecht, op Donderdag 13 September a.s., waar predikanten van verschillende groepeering, maar ten slotte allen staande op de basis der Gereformeerde Confessie, bij elkaar plachten te komen. Dat zijn altijd vergaderingen waar men wat opsteekt en het doet goed voor een mensch, die niet uit een sectegeest wenscht te leven, maar de Kerk lief heeft, om elkander te ontmoeten en naar elkaar te luisteren en met elkaar van gedachten te wisselen. Daarom hopen we, dat weer vele predikanten, vooral ook van de jongeren (ook theol. candldaten zijn welkom) 13 September naar Utrecht zullen komen, waarbij we den wensch en de bede uitspreken, dat het een gezegend samenzijn zal wezen.
De leiding berust als altijd bij dr. Kromsigt, van Amsterdam, die daar jure suo de man voor is. Ds. Roscam Abbing, van Arnhem, zal 's morgens een inleidend woord spreken, daarna zal ds. J. G. Woelderink, van Ouderkerk a/d IJssel, een referaat houden over »de practijk der Godzaligheid* ; terwijl 's middags dr. J. Ch. Kromsigt zal spreken over »de Buchmann-beweging.« Een uitgezocht program, waarbij de sprekers waarborg zijn, dat we iets goeds te hooren krijgen. Het kan tot groot nut zijn, indien we bij deze dingen stil luisteren, om van elkander te leeren en vriendschappelijk discusslëeren tot verheldering van onze begrippen en nadere omschrijving van onze geloofsvoorstellingen en onze belijdenis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's