DE REFORMATIE
IN DE CLASSIS NEDER-VELUWE VAN 1592—1620
1. Hattem.
In 1917 is uitgegeven deel IV van de „Voorloopige lijst der Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst", bevattende een korte beschrijving der oude gebouwen in Gelderland. Daar lezen wij op blz. 101 dat de kerk te Hattem was gewijd aan de Heilige Andreas en Catharina. Voorts heeft de heer F. A. Hoefer over oud-Hattem een boek geschreven. Wat hier verder volgt is opgediept uit het oudste Acta-boek der Classis Neder-Veluwe of Harderwijk.
Het blijkt dan, dat Hattem in 1592 reeds gereformeerd was; de gemeente had een kerkeraad, terwijl bij het ons bekende examen van de opgeroepen pastoors te Harderwijk uit Hattem vertegenwoordigd waren de Magistraat Melchior Kreefft en verder ds. Johannes Sanderi, voorheen pastoor te Zalk, met zijn ouderling Henrich Cornelessen.
Classicale vergaderingen werden te Hattem gehouden in 1595, 1601, 1608, 1615 en 1620. Op eerstgenoemde was de pastor loci de voorzitter.
Op drie onderscheidene vergaderingen klaagde de predikant over zijn sober tractement; deze kwestie werd in 1592 verwezen naar den Raad van Hattem, en in 1596 naar het Hof van Gelderland.
Ook vraagt men in 1592 aan den Raad der Stad of de koster-schoolmeester de gerfkamer (consistoriekamer) mag gebruiken en of men hem een jaarwedde wil toeleggen.
In 1600 klaagt de predikant, dat de toestand van kerk en school nog al wat te wenschen overlaat. Hij kon het met den Schoolmeester Martinus Vultzius niet vinden. Deze had zijn beklag schriftelijk ingediend, doch ter vergadering geroepen, zijn beide partijen ernstig vermaand en hebben „met handtastinge" elkaar vriendschap beloofd.
In 1595 verscheen de predikant zonder ouderling ter Classicale vergadering, waarover hij berispt werd, gelijk ook in 1603 de geloofsbrief niet accoord werd bevonden, daar de kerkeraad met een politieke en niet met een kerkelijke afvaardiging verscheen. Dit kan verband gehouden hebben met het overlijden van ds. Joh. Sanderi, dien wij tot 1602 ontmoeten, daar hij in 1603 blijkt opgevolgd te zijn door ds. Joh. Urbanus.
Over de goedkeuring van dit beroep Is veel kwestie gerezen, daar ten eerste de Magistraat er zich in gemoeid had, zonder voorkennis van de Classis. De bevestiging werd evenwel opgedragen aan ds. Winandius Johannis van Elburg. Inmiddels zou hij zorgen, dat zijne stukken bij de hand waren om die te toonen.
In 1605 werd echter met groot leedwezen zijn verleden bekend. Hij had n.l. te Heidelberg gestudeerd, en eens tot een vechtpartij uitgedaagd, een mede-student doodgeslagen. Daarna had hij zijn zinnen verzet met brasserij, dronkenschap en onzedelijk leven. De Classis eischte nu van hem een bewijs van goed gedrag uit handen van ds. Paraeus, waarin moest staan of hij inderdaad die doodelijke wond had toegebracht. Zelf behoefde hij niet naar Heidelberg te gaan, doch mocht in den aanstaanden zomer door middel van een bode het bewijs bijbrengen, dat de kerk van Christus te Hattem niet langer in opspraak kwame.
Na in 1606 deze vermaning nogmaals gehad te hebben, deelde hij in 1607 mede, dat hij wegens de ongunst der tijden niet in staat was geweest om het bewijs zijner onschuld bij te brengen, doch hij toonde een zeker getuigschrift van ds. Anthonius Wilhelmi „pastoor" te Hallum, waardoor zijn zaak er eenigszins gunstiger voor kwam te staan. De Classis, verstaande dat hij de kerk van Hattem in alle eer en deugd diende, oordeelde hem te handhaven, zoolang hij dit voorbeeldig leven bleef leiden, waarmee deze kwestie was opgelost.
Na eenige moeilijke huwelijkskwesties te hebben meegemaakt in de gemeente, werd in 1609 bekend dat hij een geschrift had uitgegeven tegen Bellarminus, zonder toestemming der Provinciale Synode en ondanks de waarschuwing der Classis. Hij werd hierover gecensureerd, terwijl de Classis aan de Synode verzocht om alle verdere verwikkelingen te voorkomen, zoo daar geschriften tegen Urbanus zouden verschijnen. (Zie ook Reitsma en Van Veen, Acta IV, blz. 175).
Men mocht n.l. geen godsdienstige geschriften uitgeven, dan met Classicale toestemming. Bellarminus (1542—1621) was een strijdlustig figuur, R.K. professor te Leuven, in 1602 bisschop van Capua, terwijl hij in het laatst van zijn leven den pauselijken stoel verdedigde tegen Jacobus I, van Engeland. Zijn Catechismus is beroemd geworden, en wordt in Italië nog gebruikt. In de 17e eeuw is hij doorloopend door de Protestanten bestreden. Hoe goed nu ds. Urbanus het ook bedoelde, de Classis veroordeelde zijn strijdschrift op formeele gronden.
In 1611 kreeg hij op aanhoudend verzoek verlof om met vacantie naar Duitschland te gaan, teneinde zijn ouders te bezoeken, mits kerkeraad en Magistraat hem dit ook vergunden.
De dienst werd intusschen waargenomen door de predikanten van Oldebroek, Epe, Vaassen en Doornspijk.
(Wordt vervolgd).
Vaassen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's