GEESTELIJKE OPBOUW
ERASMUS.
„De naam van Erasmus zal nooit ondergaan", heeft een zijner vrienden en bevwonderaars, de geleerde John Colet, gezegd. En dat zit 'm waarlijk niet in het standbeeld, dat Rotterdam heeft opgericht voor „Desiderius Erasmus van Rotterdam", zooals hij zichzelf zoo gaarne noemde. Maar dat zit 'm in z'n groote beteekenis als geleerde en schrijver, die met z'n vruchtbare pen de wereld verrast heeft met een aantal boeken, die 10 folio-deelen vormen, met ruim 12000 kolommen druks (uitgave van Clericus, Leiden, 1703—1706).
Over de geboorte van Erasmus (die eigenlijk Geert of Gerard Geertsz heet) ligt een donkere schaduw, waarvan deze wereldberoemde geleerde, die, onrustig van ; aard als hij was en die telkens verhuisde, om van land tot land te trekken, altijd hinder gehad heeft. Hij zag het levenslicht te Rotterdam en had als vader een Zuid-Hollandsch pastoor. Zijn moeder, die ongehuwd was, heette Margaretha, een doktersdochter. Dat hij 28 October ten huize van de ouders van Margriet is geboren, staat vast. Maar of het in 1467 is geweest, zooals op het standbeeld te Rotterdam staat, is niet heelemaal zeker. Het kan ook wel zijn dat het jaartal 1466 moet wezen, want 12 Juli 1536 stierf hij te Basel op 70-jarigen leeftijd.
Erasmus werd door zijn moeder (die uit dezelfde ongeoorloofde verbintenis met den pastoor (van Gouda ? ) nog een zoon had, ouder dan Geert) op negen-jarigen leeftijd op de school van de „broeders des gemeenen levens" te Deventer gedaan. Rudolf Agricola, die hem daar ontmoette, voorspelde hem, dat hij eens een groot man zou worden. Van Deventer verhuisde hij naar Gouda (na den dood van zijn moeder, die in 1480 als slachtoffer van de pestziekte, die te Deventer woedde, viel) en daarna ging hij met z'n ouderen broer (toen ook hun beider vader overleden was) naar de kloosterschool in Den Bosch. Over die school spreekt Erasmus later met de grootste minachting. Het was hem daar te „onbeschaafd." Op 17-jarigen leeftijd laat hij zich door zijn voogden, die slecht voor zijn bezittingen hadden gezorgd, overhalen tot het afleggen van de kloostergelofte en gaat wonen in het Augustijner-klooster te Steyn, bij Gouda. Later blijkt wel uit zijn schrijven, dat hij er niet met veel genoegen is geweest. Hij noemt het „het grootste ongeluk van zijn leven". Hij had een afkeer van ceremoniën en beminde de vrijheid. Toch is de kloostertijd voor hem van groote beteekenis geweest, omdat hij gelegenheid had zich veel bezig te houden met de studie van Latijn en het lezen van vele Latijnsche schrijvers. Theologische werken konden hem echter niet bekoren. Nadat hij 25 April 1492 de priesterwijding ontvangen had, verlaat hij in 1493 het klooster, waarin liij nimmer zou terugkeeren. Reizen en trekken was z'n lust en z'n leven. Maar hij was altijd arm, had altijd geldgebrek. Door onderwijs geven voorzag hij zoo goed mogelijk in z'n levensonderhoud. Langzamerhand begon hij ook christelijke schrijvers te lezen en zoo werden z'n studiën meer theologisch en niet meer uitsluitend humanistisch. Door allerlei publicaties in Latijnsch dicht en proza, maakte hij zich naam en kreeg vele kennissen en vrienden, in Parijs en Engeland (John Colet, deken van St. Paul, Thomas More e.a.Een beroemd werk van Erasmus, uit die dagen, is een verzameling, achthonderd in getal, van Latijnsche spreekwoorden, waarvoor hij ongelooflijk veel had moeten lezen. Hij oefende daardoor groeten invloed uit op de verbreiding der classieke beschaving. Later heeft hij dat werk (Adagia) nog uitgebreid met Grieksche spreekwijzen, welk boek toen te Venetië, waar hij vertoefde, bij Aldus Manutius, een beroemden drukker in die dagen, is uitgegeven. In Bologna, Venetië en Padua vinden we hem dan in dien tijd en door de meest gevierde humanisten werd hij geëerd (o.a. door den lateren Paus Leo X). Toen beleefde hij, de onrustige zwerver, een zeer gelukkigen tijd. Hij had voor het kunstleven weinig gevoel, hij was de geleerde ; voor wat buiten de literatuur viel had hij geen oog en geen oor. Met da Vinci, Michel Angelo, Raphael had hij geen gemeenschap. Ook trof hem de majesteit van Rome's groote ruïnen niet. Zelfs de Alpen maakten geen indruk op hem. Bij de Alpen maakte hij zijn boek gereed : „De lof der zotheid", vol spot met de kerk, de geestelijken, de monniken enz. Zijn indrukken van het geestelijk en kerkelijk leven te Rome waren bitter ongunstig en met weinig achting en eerbied voor de geestelijken in Italië verlaat hij in 1509 dat land, om weer naar Engeland te gaan, echter met een onuitroeibaar heimwee naar het heerlijke Italië, het land van de bibliotheken en geleerden!
Zijn zwakke gezondheid begint hem meer en meer te plagen. Oud voor zijn tijd, voelt hij zich zwak en moe, als de Reformatie-strijd ontbrandt. Zijn glorie klimt, zijn geluk gaat een einde nemen. Zijn armoede is groot, maar hij ontwikkelt een buitengewone werkzaamheid, die zijn naam door heel de geleerde wereld klinken deed en hem op het toppunt van zijn roem bracht. Dan verschijnt ook in 't Latijn zijn boek : „De lof der zotheid." (In de wereldbibliotheek is een nieuwe Nederl. vertaling verschenen van wijlen dr. J. B. Kan). De zotheid houdt daarin een lofrede op zichzelf en kent zich de eer toe, het gansche bestaan der menschen te beheerschen en de bron te zijn van alle levensvreugde. Allerlei maatschappelijke en kerkelijke misbruiken worden gehekeld; het aantrekken van ordekleederen en het opzeggen van vele gebeden enz. ontkomt niet aan den spot; paus en oorlog en aflaathandel worden door zijn satire gegeeseld. Na 1514 brak de toorn over Erasmus los (door een nieuwe uitgave met aanteekeningen). De geestelijkheid, vooral de monniken, waren woedend. En intusschen hekelde Erasmus hun domheid en vormendienst!
Naar Brussel, Antwerpen, Basel reisde Erasmus weer. In Basel werkte hij samen met den beroemden Hebraïcus Reuchlin, en door hem werden toen de werken van Hieronymus uitgegeven. Zwlngll komt naar Basel om den beroemden geleerde te zien. Oecolampadius, die te Basel woonde, behoorde onder zijn bewonderaars.
1 Maart 1516 verschijnt van zijn hand het Nieuwe Testament in 't Grieksch, het eerste dat in druk werd uitgegeven ! Nevens den Griekschen tekst was een Latijnsche vertaling van Erasmus' hand afgedrukt, terwijl het geheel voorzien was van korte aanteekeningen. In 1519 verschijnt reeds een 2de druk, die ook door Luther is gebruikt voor zijn vertaling van het N. T. in het Duitsch. In zijn aanteekeningen maakte Erasmus vele scherpe opmerkingen aan 't adres van de kerk, de geestelijken en de monniken, wat den haat van velen opwekte. In 1522 verscheen een 3de, in 1527 een 4de, in 1535 een 5de druk. Ook voor de Statenvertaling is deze uitgave van Erasmus van groote beteekenis geweest.
Velen hadden gedacht, dat Erasmus zich aan de zijde van Luther zou scharen. Rome had hij tegen zich opgejaagd, de Reformatie zou hij nu toevallen, dacht men. Maar men rekende mis. Met Rome, dat Erasmus hekelde en geeselde, was en bleef hij verbonden. Van de Reformatie, waartoe ook hij (zei Rome) had bijgedragen, moest hij niets hebben.
Luther zelf heeft aanstonds gevoeld, dat Erasmus zijn man niet was, dat zij niet op één weg wandelden. En als hij aanraking met hem zoekt, doet hij het uiterst voorzichtig (28 Maart 1519). Erasmus antwoordt (30 Mei 1519), dat hij Luthers geschriften niet kent; hij maakt er zich van af ; maar tusschen de regels door is duidelijk leesbaar, dat hy van Luther en zijn optreden niets moet hebben. Hij is dan voor heel andere dingen, die veel zachter en vriendelijker zijn!
Hij wilde wel de misbruiken der Kerk bestrijden, maar een geloofsheld was Erasmus niet. Hij was niet gesneden van het hout, waarvan martelaren gemaakt worden. „Anderen mogen het martelaarschap begeeren, " schrijft hij, „ik acht mij zulk een eer niet waardig" (Dec. 1520). En later: „Ik heb toch geen lust mijn hoofd voor de waarheid te wagen. Niet allen zijn sterk genoeg voor het martelaarschap" (Juli 1524). Maar het grondverschll tusschen Erasmus en Luther is : Erasmus leefde voor de studie, Luther leefde uit het geloof en streed voor 't geloof. En Erasmus schrijft zelf : „Wat heeft de studie en de wetenschap met het geloof van doen ? " (Nov. 1519).
Aan Paus Leo X schrijft hij : Luther ken ik niet, nooit heb ik zijn boeken gelezen, behalve misschien enkele bladzijden en dan nog maar terloops ze doorbladerend (Sept. 1520).
Voor een schrijven tegen Luther was hij niet te vinden. Paus Adriaan VI, na Leo's dood tot paus verkozen, en uit Leuven met Erasmus bekend, deed hem 't verzoek de pen tegen Luther op te nemen en naar Rome te komen. Maar Erasmus weet zich er uit te praten ! Veel bladzijden met allerlei vlijeryen had hij er voor over om buiten schot te blijven. Toen Clemens VII in 1524 tot paus verheven was, schreef Erasmus ook dezen kerkvorst een brief vol vleierij. Van de aanhangers van „het nieuwe Evangelie" schreef hij, dat het „onbeschaamde, huichelachtige verraders" waren, door „het nieuwe Evangelie uitgebroed!”
Voor de Reformatie was niets van Erasmus te hopen.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's