WAT DE PERS ER VAN ZEGT
IS ONGELOOF ZONDE?
IS ONGELOOF ZONDE?
We hebben pas herdacht hoe voor honderd jaren Spurgeon, de prediker bij de gratie Gods, de vorst der predikers, geboren werd ; hij, de onvermoeide, de steeds bezielde en bezielende, de verkondiger van de souvereine, vrije genade Gods, verschenen in Christus Jezus, Gods Zoon, onzen Heere.
Deze Spurgeon was zeldzaam, geloovig. Dat kwam in heel z'n leven uit.
’n Anecdote daaromtrent vertelt ds. Barkey Wolf in zijn mooie boek : „C. H. Spurgeon en zijn boodschap aan ons" (Den Haag, Voorhoeve, 1934), bl. 84, als hij daar schrijft :
„Wel werd het geloof soms zwaar beproefd en deed God het water tot aan de lippen komen. Toen Spurgeon eens met dr. Broek en eenige andere predikanten het middagmaal gebruikte en de dokter hem naar de stand van zaken met het berkgebouw vroeg — de nieuwe eigen kerk, ruimte biedend aan bijna zes duizend personen, die Spurgeon bezig was te bouwen ! — antwoordde Spurgeon : „Het gaat heel goed ; maar voor het eind van de week moeten wij nog duizend pond (ƒ12.000 gulden !) hebben om den architect te kunnen betalen" (zulk 'n onmisbaar heerschap werd dus in dien tijd niet met 'n jodenfooi de laan uitgestuurd !). „Maar", voegde hij er optimistisch aan toe, „de Heere zal ook hierin voorzien." Waarop de dokter antwoordde : „Voorzichtig dominee, er ligt maar één stap tusschen geloof en overmoed”.
Terwijl zij nog aan tafel zaten, werd er een telegram voor Spurgeon binnengebracht. Hij las het voor zichzelf en overhandigde het daarna aan den dokter. Deze las : „Duizend pond ontvangen voor een nieuw gebouw." Dr. Broek legde daarop zijn mes en vork neer en zei: „Broeders, het komt mij voor, dat wij nu moeten opstaan en samen de „Doxologie" (lofzang tot Gods eer) zingen”.
Zulk ’n man, die zoozeer, in de kracht Gods het geloof stelde tot beginsel zijns levens en hopen in zijn strijd, móést wel het ongeloof haten.
In zijn : „Korenaren tusschen de schoven opgelezen" (uitgave Adama van Scheltema, bl. 57) heeft hij 'n artikeltje over : De zonde des ongeloofs.
Het begint aldus.
„Twijfel aan Gods liefde wordt door sommigen voor een kleine zonde gehouden, zelfs heeft men de twijfelingen en vrees van Gods kinderen wel vruchten der genade genoemd en teekenen van grooten vooruitgang in de ervaring." Maar dan verklaart Spurgeon daartegenover : „Aan Gods vriendelijkheid, getrouwheid en liefde te twijfelen, is een snoode beleediging. Het kan geen lichte zonde zijn, die God tot een leugenaar maakt en juist het ongeloof brengt de waarachtigheid van den Heilige Israels in schandelijke verdenking. Het kan geen geringe beleediging zijn, die den Schepper van hemel en aarde van meineed beticht; en toch, indien in Zijn eed wantrouw. Zijn belofte, met het bloed van Zijn eigen Zoon bezegeld, niet wil gelooven, dan acht ik Gods eed mijn vertrouwen onwaardig en beschuldig dus inderdaad den Koning des hemels van valschheid aangaande Zijn verbond en belofte.”
Dat is niet te sterk gesproken. Overigens moeten we bij ongeloof wel onderscheiden tusschen de principiëele, volstrekte, hardnekkige ongeloovigheid van den mensch dezer wereld, die weigert om te gelooven, die den inhoud des geloofs volslagen verwerpt — én de ongeloovigheden van Gods volk, die aan de kracht van het ware, zaligmakende geloof, helaas, nog zooveel afbreuk doen.
Het ongeloof der wereld is hare wortelzonde. Alle andere bomen uit haar voort. Volgt er geen beheering, dan wordt we wereldling om zijn ongeloof veroordeeld, verdoemd. Zoo zegt het Jezus Christus zelf, Joh. 3 vers 18 : „Die in Hem — den Zoon — gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alreede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den naam des eeniggeboren Zoons van God.”
Van het ongeloof, waaraan de geloovige zich nog schuldig maakt, geldt gelukkig dat het, met alle andere zonde, die ook bij hem uit dit ongeloof voortkomt, hem zal vergeven worden, om Christus' wil.
Maar niettemin : zijn ongeloof moet hem een hem schuldigstellend kwaad zijn, dat hij al meer leert haten èn laten. Het wórdt vergeven, ja, zoo Christus onze Borg en Middelaar is. Maar deze zekerheid mag ons zeker er niet toe uitdrijven om nu de ongeloofszonden van den geloovige licht te achten. Integendeel. Ze moeten ons te meer tot schuld worden,
naarmate ze méér vloeken tegen het geloof dat God ons door Zijn genade en Geest geschonken heeft.
In hoe rijker genadesfeer God de Heere, in Zijn vrijmachtig welbehagen, ons, zoovelen wij Zijne kinderen zijn, heeft willen overplanten, hoe meer al wat in die genadesfeer niet thuis hoort een gruwel moet zijn in ons oog. En dan het allermeest een gruwel datgene, wat tegen het geloof, dat behoudt, wijl het met Christus verbindt, het méést rechtdraads overstaat. En dit is nu zonder eenigen twijfel juist het ongeloof, de ongeloovigheid.
Mee hierom moeten we het haten, omdat het, gelijk ik reeds opmerkte, bij allen bij wie het voorkomt, weer nieuwe zonden in hart en leven baart.
Gelijk Spurgeon zijn schets aldus besluit: „Bovendien is ongeloof de bron van ontelbare zonden. Gelijk uit de donkere wolk vele regendruppelen voortkomen, zoo is het zwarte ongeloof de bron van vele misdaden." Dit geldt den wereldling ; dit geldt in zijne mate óók Gods kind.
„Het is een zonde, welke door lederen geloovige veroordeeld, en die zoo mogelijk onderdrukt moet worden en voor ons altijd een oorzaak van diep berouw en zelfmishagen moest zijn." Ook dit is volkomen waar. Ongeloovigheid, ook de zwakste, is nooit goed
te praten. Zij strijdt altijd tegen de volstrekte geloofwaardigheid van den God van het Woord en van het Woord van God. Is de Heere God het niet waard, dat we Hem op Zijn woord gelooven, onvoorwaardelijk, met 'n onszelf geheel en al verlaten op Zijn beloften en
heilsverzekeringen ? Laat onze ongeloovigheid en onze kleingeloovigheid
ons zónde zijn. Opdat we met haar eiken dag aanbinden den edelen, heiligen strijd.
'n Strijd, waarin de Geest der waarheid, de Geest des heils, de Geest des levens, aan Gods volk éérmaal de volkomen overwinning schenkt. Dan, wanneer het geloof zelfs in aanschouwen zal zijn overgegaan !
(Geref. Kerkblad voor Overijssel en Drenthe).
Kampen . Dr. IMPETA.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1934
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's